Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1221

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
c/17/160236 /KG ZA 18-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort Geding: Agrarisch recht: Overdracht fosfaatrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
D.W. Bruil annotatie in TvAR 2018/5930, UDH:TvAR/14967
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/160236 / KG ZA 18-57

Vonnis in kort geding van 29 maart 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.A. Abma te Leeuwarden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat mr. P.J.G. Goumans te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de vrijwillige verschijning van partijen

- de conclusie van eis

- de nadere producties van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] exploiteren beiden een melkveehouderij. [gedaagde] exploiteerde in het verleden een melkveehouderij. Hij heeft dat bedrijf beëindigd en zijn melkquotum verkocht. Daarna is hij zijn stalruimte gaan gebruiken voor het stallen en opfokken van vee en het stallen van caravans.

2.2.

In mei 2015 zijn [eiser sub 1] en [gedaagde] en [eiser sub 2] en [gedaagde] overeenkomsten aangegaan met betrekking tot opfok door [gedaagde] van jongvee van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

2.3.

De op 1 mei 2015 tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] gesloten schriftelijke overeenkomst luidt onder meer als volgt:

"Jongvee opfok overeenkomst

(…)

Jongvee vanaf ca 3 maand tot 23,5 maand

2015 voor 1.45 euro per dier per dag bij [gedaagde] (2016 1.50 euro per dier per dag)

(bedragen exclusief 6% Btw)

Verblijf is inclusief:

 Stalruimte

 Mestrechten

 Ruwvoer

 Krachtvoer (op advies van jilles slingerland fuite bv)

 Insemineren

 Dierenartskosten

 Rendac kosten

 Alle voorkomende werkzaamheden

Verblijf is exclusief:

 sperma

 transport

 vergoeding dode dieren

 vergoeding niet drachtige dieren

(...)

Dieren blijven ten allen tijde eigendom van [eiser sub 1] , ondanks dat de I&R gegevens naar [gedaagde] gaan.

(…)

mochten er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor [eiser sub 1] .

(…)"

2.4.

Tussen [eiser sub 2] en [gedaagde] is op 15 mei 2015 een vrijwel gelijkluidende overeenkomst gesloten.

2.5.

Bij brief van 2 juli 2015 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer ('Productiebegrenzende maatregelen in de melkveehouderij') (Kamerstuk 33 979, nr. 98) onder meer het volgende meegedeeld:

Per brief van 1 juni jongstleden (Kamerstuk 33 979, nr. 96) heb ik toegezegd uw Kamer te zullen informeren over de invulling van productiebegrenzing via de Meststoffenwet in het geval onvoldoende garanties zijn dat de zuivelketen er in zal slagen de fosfaatproductie te verminderen. Tevens heb ik uw Kamer, naar aanleiding van de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 33 979, nr. 95), toegezegd alle reële opties, naast dierrechten, om de fosfaatproductie door de melkveehouderij te reguleren uit te werken.

(..)

2. Reële opties voor het reguleren van de fosfaatproductie in de melkveehouderij

Uw Kamer heeft mij gevraagd alle reële opties om de fosfaatproductie door de melkveehouderij te reguleren uit te werken. In mijn brief van 1 juni jongstleden heb ik aangegeven een drietal varianten uit te zullen werken: dierrechten, fosfaatrechten en rechten op basis van de melkproductie per dier of per bedrijf. In het navolgende wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop de onderscheiden varianten vormgegeven kunnen worden en welke voor- en nadelen aan de varianten verbonden zijn.

(..)

3 Productiebegrenzende maatregelen voor de melkveehouderij

Voorop staat dat de derogatie van de Nitraatrichtlijn behouden moet blijven. De Nederlandse veehouderij is daarom gebonden aan het plafond van 172,9 miljoen kilogram fosfaat per jaar.

Private maatregelen van de zuivelketen zijn vooralsnog ontoereikend gebleken om individuele melkveehouders te binden aan het collectieve doel: een fosfaatproductie binnen het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram en daarmee het zekerstellen van de derogatie. Het huidige wettelijke instrumentarium is niet toereikend om direct te sturen op de fosfaatproductie. Artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten aanvullende of verscherpte maatregelen te nemen die zij noodzakelijk achten om de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken. Het kabinet is om die reden genoodzaakt een nieuw instrumentarium te introduceren om te borgen dat het fosfaatproductieplafond niet wordt overschreden en de milieudoelstellingen gerealiseerd kunnen worden. Daartoe wordt een voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet voorbereid ter introductie van een productiebegrenzing in de melkveehouderij in de vorm van fosfaatrechten.

2.6.

Per 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet in werking getreden. De voor deze zaak relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:

artikel 21b lid 1:

Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35;

artikel 23 lid 3:

Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Artikel 21a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

en artikel 23 lid 5:

Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.

2.7.

In de 'Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2017, nr. WJZ / 17177092, tot vaststelling van de datum waarvoor een landbouwer zich kan melden voor verhoging van het op een bedrijf rustende fosfaatrecht', Staatscourant 2017, nr. 69891, is bepaald dat de melding als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet kan worden ingediend tot 1 april 2018. In dat geval wordt niet een korting van 10% toegepast op de krachtens genoemde bepaling over te hevelen fosfaatrechten.

2.8.

Op de referentiedatum 2 juli 2015 had [eiser sub 1] 51 stuks jongvee ouder dan 1 jaar en 10 stuks jongvee jonger dan 1 jaar bij [gedaagde] gestald. Hieraan is 1.212,9 kilogram fosfaat verbonden. Op 2 juli 2015 had [eiser sub 2] 14 stuks jongvee ouder dan 1 jaar en 5 stuks jongvee jonger dan 1 jaar bij [gedaagde] gestald. Hieraan is 354,6 kilogram fosfaat verbonden.

Een kilogram fosfaat komt overeen met een fosfaatrecht.

2.9.

Aan [gedaagde] zijn van overheidswege in totaal 1.567,5 kilogram fosfaatrechten toegekend vanwege het jongvee dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op de referentiedatum bij hem hadden gestald. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben [gedaagde] op 18 februari 2018 verzocht om mee te werken aan overdracht van de fosfaatrechten. [gedaagde] heeft dit geweigerd. Bij brief van 22 februari 2018 heeft de toenmalig gemachtigde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] [gedaagde] gesommeerd om mee te werken aan overdracht. [gedaagde] heeft dat wederom geweigerd.

2.10.

Bij brief van 9 maart 2018 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] [gedaagde] , onder aanzegging van een kort geding, gesommeerd om de fosfaatrechten voor hun dieren uiterlijk 12 maart 2018 over te dragen. [gedaagde] heeft niet aan deze sommatie voldaan. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben bij deze brief tevens de opfokovereenkomsten ontbonden wegens de weigering van [gedaagde] de fosfaatrechten over te dragen. Zij hebben hun dieren nadien bij [gedaagde] weggehaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen, na rectificatie van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uren na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser sub 1] 1212,9 kilogram fosfaatrechten over te dragen aan [eiser sub 1] door in te loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 1] op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet (overdracht op grond van in-/uitscharing per 2 juli 2015), althans een zodanige

hoeveelheid fosfaatrechten als de voorzieningenrechter zal bepalen;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uren na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser sub 2] 354,6 kilogram fosfaatrechten over te dragen aan [eiser sub 2] door in te loggen op de website ‘mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 2] op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet (overdracht op grond van in-/uitscharing per 2 juli 2015), althans een zodanige hoeveelheid fosfaatrechten als de voorzieningenrechter zal bepalen;

subsidiair:

III. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uren na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser sub 1] onvoorwaardelijk 1212,9 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te

loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot

overdracht van deze fosfaatrechten op grond van artikel 25 Meststoffenwet, althans een

zodanige hoeveelheid fosfaatrechten als de voorzieningenrechter zal bepalen;

IV. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uren na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser sub 2] onvoorwaardelijk 354,6 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te

loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot

overdracht van deze fosfaatrechten op grond van artikel 25 Meststoffenwet, althans een

zodanige hoeveelheid fosfaatrechten als de voorzieningenrechter zal bepalen;

primair en subsidiair:

V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser sub 1] van een dwangsom van

€ 225.000,=, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom indien [gedaagde] de

onder 1, dan wel subsidiair de onder III. gevorderde veroordeling niet nakomt;

VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser sub 2] van een dwangsom van

€ 75.000,= althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, dit indien [gedaagde] de

onder II, dan wel subsidiair de onder IV. gevorderde veroordeling niet nakomt;

VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de explootkosten en het verschuldigde griffierecht, alsmede in de nakosten aan salaris advocaat en, indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving de proceskosten aan eisers heeft voldaan, € 68,- aan salaris advocaat en de daadwerkelijke kosten van betekening, en voorts te bepalen dat indien de verschuldigde proceskosten niet binnen 14 dagen na aanschrijving worden betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Hij heeft daarbij, kort weergegeven, aangevoerd dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering, dat de fosfaatrechten op basis van de wettelijke regeling aan zijn bedrijf toevallen, dat, anders dan door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is gesteld, bij de opfokovereenkomsten niet is overeengekomen dat de fosfaatrechten aan hen toevallen, dat de regeling van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet niet van toepassing is omdat er tussen partijen geen overeenkomsten van in-/uitscharing zijn gesloten en dat als gevolg van de ontbinding van de overeenkomsten er geen aanspraak meer bestaat op de fosfaatrechten. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat hij zijn bedrijf niet kan voortzetten als hij de fosfaatrechten kwijtraakt en dat het [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in feite slechts is te doen om de waarde van de fosfaatrechten

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een spoedeisend belang bij hun vordering hebben. Zij beogen immers te bewerkstelligen dat met instemming van [gedaagde] vóór 1 april 2018 een melding op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet wordt gedaan, om een beperking van 10% op de fosfaatrechten te ontlopen. De voorzieningenrechter volgt daarbij niet de stelling van [gedaagde] dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] deze melding ook zonder zijn medewerking kunnen doen, aangezien een dergelijke melding gelet op het bepaald in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet niet het beoogde gevolg zal hebben en dus zinloos is. Overigens hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook een spoedeisend belang bij overdracht van de fosfaatrechten ingevolge artikel 25 Meststoffenwet, omdat zij die rechten nodig hebben voor het houden van de dieren die zij van [gedaagde] hebben teruggenomen.

4.2.

Dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen probleem zouden hebben gehad als zij de overeenkomsten met [gedaagde] niet zouden hebben ontbonden en het jongvee op zijn bedrijf zouden hebben gelaten, doet niet af aan het spoedeisend belang. Daarbij komt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] al voorafgaande aan die ontbinding aanspraak hebben gemaakt op de onderhavige fosfaatrechten en [gedaagde] ook toen heeft geweigerd daaraan mee te werken.

Wettelijk stelsel

4.3.

Bij brief van 18 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 532 nr. 45), heeft de Minister van Economische Zaken een maatregelenpakket fosfaatreductie 2017 aangekondigd. Het pakket is gericht op fosfaatreductie in 2017. Vanaf 2018 kan, met de herziening van de Meststoffenwet ter introductie van het stelsel van fosfaatrechten, wettelijk worden geborgd dat de fosfaatproductie vanaf 1 januari 2018 onder het niveau van het plafond blijft, aldus de Minister in voormelde brief. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hangen de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 en de wijzigingen in de Mestwetgeving derhalve met elkaar samen.

4.4.

De Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstuk 34532 nr. 3) vermeldt:

Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. Bedrijven waar op 2 juli 2015 melkvee werd gehouden krijgen uitsluitend fosfaatrechten toegekend indien zij op de datum van inwerkingtreding van het stelsel van fosfaatrechten nog als bedrijf, als bedoeld in de Meststoffenwet, bij RVO.nl staan geregistreerd. Dit betekent dat landbouwers die tussen de datum van aankondiging van het stelsel, te weten 2 juli 2015, en de datum van inwerkingtreding van het stelsel zijn gestopt met het voeren van een bedrijf geen fosfaatrecht krijgen toegekend.
Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van uitgeschaarde dieren gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het melkvee op de peildatum van 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weide en de verzorging op zich nam.

4.5.

Artikel 23 lid 3 Meststoffenwet bepaalt dat het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod als bedoeld in artikel 21b lid1 Meststoffenwet, overeenkomt met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. In het onderhavige geval zijn de fosfaatrechten voor de 61 dieren van [eiser sub 1] en de 19 dieren van [eiser sub 2] op grond van de wettelijke bepalingen in januari 2018 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toegekend aan het bedrijf van [gedaagde] .

4.6.

Artikel 23 lid 5 Meststoffenwet bepaalt dat indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, wordt verhoogd en het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming wordt verlaagd. Lid 5 is in de wet gekomen naar aanleiding van een amendement van de leden Dik-Faber en Geurts. De toelichting op dit amendement luidt:

Dit amendement regelt dat de boeren die gezamenlijk overeenkomen dat zij de fosfaatrechten willen herverdelen vanwege uitgeschaard vee, daartoe gefaciliteerd worden. Dit kan eenvoudigweg via een formulier bij RvO.

Van belang is dat bij deze incidentele overdracht van fosfaatrechten geen afroming plaatsvindt. Dit is in dit amendement als volgt geregeld. Het fosfaatrecht van de landbouwer die melkvee had uitgeschaard bij toekenning wordt verhoogd. Om te voorkomen dat dit leidt tot toekenning van teveel fosfaatrechten, wordt tegelijkertijd het fosfaat van de inscharende landbouwer verlaagd. Dit sluit aan bij verhoging van het fosfaatrecht bij overname van een beëindigd bedrijf (artikel 23, vierde lid).

De partij waarnaar het melkvee wordt uitgeschaard zal in de regel gewoon een bedrijf zijn (waar formeel een landbouwer in de zin van de Meststoffenwet voor verantwoordelijk is). Ook terreinbeherende organisaties kunnen via deze weg fosfaatrechten overdragen als zij dat wensen als gevolg van inscharing.

4.7.

De voorzieningenrechter begrijpt uit de eerder genoemde Memorie van Toelichting dat in geval van uitscharing het wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten gaat om de houder van de dieren, omdat deze de dieren feitelijk in zijn stal onderbrengt, op zijn land weidt en de verzorging op zich neemt. Daarmee heeft het landbouwbedrijf dat de dieren inschaart belang bij toekenning van de fosfaatrechten voor zijn bedrijfsvoering. In artikel 23 lid 5 Meststoffenwet heeft de wetgever naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onderkend dat - evenals dat het geval is bij de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 - recht moet kunnen worden gedaan aan de feitelijke situatie indien een bedrijf op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard, maar die uitscharingsregeling met de inschaarder niet gedurende het gehele jaar van kracht was; in dat geval is er in de periode van één jaar sprake van houderschap van de runderen zowel bij in- als uitschaarder. Die situatie brengt met zich dat als de landbouwer meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, de hem toegekende fosfaatrechten worden verhoogd. Aangezien het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard wordt verlaagd, is diens instemming vereist.

Relatie tussen partijen

4.8.

Artikel 23 lid 5 Meststoffenwet geeft de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen. Daarnaast biedt artikel 25 Meststoffenwet voor andere gevallen de mogelijkheid van overdracht van fosfaatrechten. Voor de vraag of [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid om de fosfaatrechten van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verhogen ten koste van de aan hem toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.9.

In hun overeenkomsten van mei 2015 hebben partijen een bijzondere bepaling opgenomen:

Mochten er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten) dan zijn deze voor [eiser sub 1] [ [eiser sub 2] ].

Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is hiermee beoogd dat de fosfaatrechten aan hen zouden toevallen. Zij hebben in dat kader gesteld dat er na het afschaffen van het melkquotum per 1 april 2015 onzekerheid was over mogelijke productiebeperkende maatregelen en dat er eerst bij de onder 2.3 genoemde brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 juli 2015 uit diverse alternatieven is gekozen voor een systeem van fosfaatrechten op basis van forfaitaire fosfaatproductie per dier. Voordien bevatte de Meststoffenwet in het kader van de mestproductie ten aanzien van varkens en pluimvee een systeem van dierrechten. In de overeenkomst is de term 'dierrechten' gebruikt als algemene aanduiding, omdat dit een onder veehouders bekend begrip was, maar het is volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gelet op toen bestaande onzekerheid, de ruime omschrijving en het gebruik van het woord 'bijv' duidelijk dat hiermee alle mogelijke dierrechten of vergelijkbare (alternatieve) rechten zijn bedoeld.

[gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat fosfaatrechten geen dierrechten zijn en dat dit twee verschillende stelsels betreft. Hij heeft er verder op gewezen dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten in mei 2015 de Wet verantwoorde groei melkveehouderij al was ingevoerd en dat de invoering van een stelsel van beperkingen toen niet aan de orde was. Ook is volgens [gedaagde] , met verwijzing naar de contracten, overeengekomen dat het verblijf van het jongvee bij hem inclusief de mestrechten was.

4.10.

Het gaat hier om de uitleg van de overeenkomsten. De vraag hoe de overeenkomsten op dit punt moeten worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die contracten. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen

behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook komt betekenis toe aan de context van de desbetreffende bepaling, de wijze van totstandkoming, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg, de aard van de overeenkomst, en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.

4.11.

De onderhavige bepaling is op initiatief van [eiser sub 1] in de overeenkomsten opgenomen. Niet gebleken is dat partijen bij de formulering daarvan rechtsbijstand hebben gehad. Het gaat er dus om wat melkveehouders onderling, in de toenmalige situatie, daaruit redelijkerwijs hebben mogen opmaken. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten een reële mogelijkheid bestond dat de overheid omwille van de bescherming van het milieu maatregelen zou nemen die op enigerlei wijze tot beperking van productie zouden kunnen leiden. Een stelsel van dierrechten was binnen de veehouderij een bekend instrument, omdat dit werd toegepast in de varkens- en pluimveesector. Het was ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten echter niet bekend welk instrument de overheid ten aanzien van de melkveesector zou inzetten. De onderhavige bepaling weerspiegelt die onzekerheid: in algemene zin wordt gesproken van veranderingen die 'komen vanaf het ministerie oid'. Vervolgens zijn voorbeelden genoemd van instrumenten en/of maatregelen die op dat moment onder veehouders bekend waren (dierrechten en vergoedingen wegens ruiming). Hieruit had [gedaagde] , als (voormalig) veehouder, redelijkerwijs kunnen en moeten opmaken dat de bepaling de ruime strekking had om alle rechten die verband hielden met toekomstige overheidsmaatregelen en die samenhingen met het stallen van het jongvee op zijn bedrijf, in de onderlinge verhouding te laten toekomen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Na het sluiten van de overeenkomsten heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken bij brief van 2 juli 2015 aan de Tweede Kamer (zie 2.5) drie varianten voor het reguleren van de fosfaatproductie voorgehouden, te weten dierrechten, fosfaatrechten en rechten op basis van de melkproductie per dier of per bedrijf. Dat na afweging van voor- en nadelen van de varianten is gekozen voor een stelsel van fosfaatrechten, is niet wat partijen op voorhand konden voorzien. Er kan daarom geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat in de bepaling de variant van de fosfaatrechten niet uitdrukkelijk is benoemd. Evenmin is van betekenis dat in de overeenkomsten is vermeld dat het verblijf van de dieren bij [gedaagde] inclusief mestrechten is. Die vermelding ziet kennelijk op de situatie tijdens het verblijf van het jongvee op het bedrijf van [gedaagde] en dat verblijf is inmiddels geëindigd.

4.12.

De conclusie is dat uit hetgeen partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen, volgt dat [gedaagde] verplicht is om mee te werken aan de overgang van de fosfaatrechten naar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , voor zover die fosfaatrechten zijn verkregen uit hoofde van het stallen van jongvee van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op grond van de onderhavige overeenkomsten.

4.13.

Het meewerken aan de overgang van de fosfaatrechten kan door de melding op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet of door overdracht op grond van artikel 25 Meststoffenwet. Zoals kan worden afgeleid uit hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen, zijn er aanwijzingen dat bij in- en uitscharen niet in de eerste plaats is gedacht aan het opfokken van jongvee, gedurende langere tijd. Anderzijds is het begrip in- of uitscharing niet wettelijk gedefinieerd. In de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting is het inscharen beschreven aan de hand van enkele feitelijke elementen: wie feitelijk de dieren houdt, dat wil zeggen feitelijk de dieren in zijn stal onderbrengt, de dieren op zijn land weidt en de verzorging daarvan op zich neemt. Die feitelijke elementen waren in dit geval aanwezig. [gedaagde] heeft de dieren van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in zijn stal ondergebracht, de verzorging daarvan op zich genomen en, naar niet is weersproken, ook op zijn land geweid. Mede in aanmerking genomen dat partijen de bedoeling hebben gehad om de van overheidswege toe te kennen rechten aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te laten toevallen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onder deze omstandigheden de mogelijkheid die artikel 23 lid 5 Meststoffenwet biedt, om de toekenning van de fosfaatrechten aan de inschaarder te corrigeren, voor de onderhavige situatie is aangewezen. [gedaagde] zal daaraan zijn medewerking moeten verlenen. De primaire vordering is daarom toewijsbaar.

4.14.

Alleen voor het geval mocht blijken dat de melding op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet om welke reden dan ook, van overheidswege niet wordt aanvaard, is [gedaagde] gehouden om zijn medewerking te verlenen aan een overdracht van de fosfaatrechten op grond van artikel 25 Meststoffenwet. De subsidiaire vordering van [eiser sub 1] zal daarom voorwaardelijk worden toegewezen.

Ontbinding

4.15.

Het feit dat de overeenkomsten tussen partijen zijn ontbonden, is vooralsnog onvoldoende reden om aan te nemen dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen aanspraak meer kunnen maken op de fosfaatrechten. Bij brief van 9 maart 2018 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de overeenkomsten ontbonden, omdat [gedaagde] weigerde de fosfaatrechten over te dragen. Daarbij is de aanspraak op de fosfaatrechten uitdrukkelijk gehandhaafd en is tevens een kort geding aangekondigd om de overdracht van de fosfaatrechten te bewerkstelligen. Uit het een en ander heeft [gedaagde] redelijkerwijs kunnen opmaken dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een partiële ontbinding van de overeenkomsten voor ogen stond, in die zin dat de overeenkomsten werden ontbonden behoudens wat betreft de bepaling op grond waarvan zij aanspraak maakten op de fosfaatrechten. Van die bepaling is immers onverkort nakoming verlangd. Daarnaast acht de voorzieningenrechter het aannemelijk is dat de bepaling de strekking heeft om ook na beëindiging van de overeenkomsten werking te hebben. Ten slotte mag voorshands worden aangenomen, in geval de overeenkomsten toch volledig zouden zijn ontbonden, dat medewerking aan overgang van de fosfaatrechten behoort tot de verplichting van [gedaagde] tot het ongedaan maken van uit hoofde van de overeenkomsten ontvangen prestaties.

Slot

4.16.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

4.17.

De dwangsommen zullen worden toegewezen zoals gevorderd.

4.18.

De proceskosten komen ten laste van [gedaagde] omdat hij in het ongelijk is gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stelt de voorzieningenrechter vast op € 626,-- voor griffierecht en € 816,-- voor salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uren na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] 1212,9 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 1] op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet (overdracht op grond van in-/uitscharing per 2 juli 2015),

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uren na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 2] 354,6 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te loggen op de website ‘mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 2] op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet (overdracht op grond van in-/uitscharing per 2 juli 2015),

5.3.

veroordeelt [gedaagde] voorwaardelijk, namelijk voor het geval de overdracht op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet van overheidswege niet wordt aanvaard, om binnen 3 dagen na ontvangst van de mededeling daarvan aan [eiser sub 1] 1212,9 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 1] op grond van artikel 25 Meststoffenwet,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] voorwaardelijk, namelijk voor het geval de overdracht op grond van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet van overheidswege niet wordt aanvaard, om binnen 3 dagen na ontvangst van de mededeling daarvan aan [eiser sub 2] 354,6 kilogram fosfaatrechten over te dragen door in te loggen op de website “mijn.rvo.nl” en daarbij gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht van deze fosfaatrechten aan [eiser sub 2] op grond van artikel 25 Meststoffenwet,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 1] van een dwangsom van

€ 225.000,--, indien [gedaagde] niet aan het hiervoor onder 5.1 of 5.3 bepaalde voldoet,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 2] van een dwangsom van

€ 75.000,--, indien [gedaagde] niet aan het hiervoor onder 5.2 of 5.4 bepaalde voldoet,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vastgesteld op € 1.442,--,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgewerkt op 4 april 2018.1

1type: 439 coll: