Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1161

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
18/217448-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Artikel 342 tweede lid Sv. Geen steunbewijs. Artikel 247 Wetboek van Strafrecht. Ontucht. Ontuchtige handelingen. Aangifte en verklaring verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar. Onvoldoende overig bewijs. Geen ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig dient te zijn uit een andere bron. Geen beoordeling betrouwbaarheid aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/217448-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.L.P. Fauser, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot 1 december 2014 te [pleegplaats], gemeente Bellingwedde, meermalen althans eenmaal, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het over de kleding heen betasten van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en/of wrijven over de borsten van die [slachtoffer] en/of
-het geven van kusjes op de mond van die [slachtoffer] en/of het door die [slachtoffer] laten geven van kusjes op de mond van verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het onderdeel het geven van kusjes. Als bewijs wordt door hem gebezigd de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van verdachte waarin hij verklaart over een door hem geschreven brief betreffende de gebeurtenissen, alsmede een proces-verbaal van bevindingen inhoudende een gesprek met ouders [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen enkele aanleiding bestaat om te twijfelen aan de aangifte nu deze consistent en gedetailleerd is. Daarbij komt dat de aangifte geheel overeenkomt met de verklaring van verdachte over de inhoud van een door hem geschreven brief betreffende de gebeurtenissen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het knijpen in of wrijven over de borsten en het geven van kusjes op de mond van aangeefster. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat verdachte ontkent. Voorts is de verklaring van aangeefster ongeloofwaardig en niet consequent, hetgeen haar verklaring onbetrouwbaar maakt. Derhalve kan voor het bewijs niet van de verklaring van aangeefster worden uitgegaan. Voor zover verdachte éénmaal per ongeluk de borsten van aangeefster heeft aangeraakt, geldt daarvoor dat het (voorwaardelijk) opzet op en het ontuchtig karakter aan deze handeling ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan derhalve worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Het voorschrift van artikel 342 tweede lid, Sv leidt ertoe dat - in een geval als het onderhavige, waarin de verklaringen van aangeefster en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan - de rechter naast de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster dient te beoordelen of voor de beweringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de tenlastelegging moet - met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaring van aangeefster volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig dient te zijn uit een andere bron.

Zowel in het verhoor bij de politie als ter terechtzitting heeft verdachte stellig ontkend dat er sprake is geweest van het plegen van de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte zoals neergelegd in een door hem geschreven brief niet kan dienen tot bewijs. Verdachte heeft aangegeven dat de inhoud van de brief een verzinsel is met als achtergrond dat indien hij zich van het leven zou beroven zijn partner meer vrede zou hebben met zijn dood. De rechtbank overweegt dat hetgeen verdachte een en andermaal heeft verklaard over de brief daarom onvoldoende aanknopingspunten biedt om steun te kunnen bieden aan de verklaring van aangeefster. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster onvoldoende ondersteund door overig bewijs om te kunnen vaststellen dat het ten laste gelegde door verdachte is begaan. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op het feit dat alle verklaringen die het dossier bevat zijn te herleiden tot één bron, te weten aangeefster.

Voor het (op één moment) aanraken van de borsten van aangeefster door verdachte is wel wettig bewijs voorhanden, omdat verdachte dit heeft erkend. De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat deze handeling van seksuele aard en daarmee een ontuchtige handeling was, nu niet kan worden uitgesloten dat deze handeling per ongeluk - tijdens een spelletje 'handjeklap' - heeft plaatsgevonden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, nu zij van oordeel is dat ten aanzien van het ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, de betrouwbaarheid van de aangifte geen nadere bespreking behoeft.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van €1000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering benadeelde partij - gematigd tot een bedrag van € 500,00 - toewijsbaar is. Hierbij heeft hij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens de door haar bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. M.C. van Woudenberg, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Kanhai, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2018.