Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1147

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
LEE 18-751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kapvergunning bomen Engelse Park. Vastgesteld bestemmingsplan is een ruimtelijke ontwikkeling die als dringende reden op grond van de beleidsregels kan worden aangemerkt. De opgestelde Bomeneffect-analyse is zorgvuldig en voldoet aan de criteria van de beleidsregels. Geschil over plantmaat in het kader van herplant kan worden betrokken in de bezwaarfase. Geen onevenredige gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 18/751

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2018 in de zaak tussen

1.a. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.a.,

1.b. [verzoeker], te [plaats] ([adres]), verzoeker sub 1.b.,

1.c. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.c.,

1.d. [verzoeker], te [plaats] ([adres]), verzoeker sub 1.d.,

1.e. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.e.,

1.f. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.f.,

1.g. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.g.,

1.h. [verzoekers], te [plaats] ([adres], verzoekers sub 1.h.,

1.i. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.i.,

1.j. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.j.,

1.k. [verzoeker], te [plaats] ([adres]), verzoekster sub 1.k.,

1.l. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.l.,

1.m. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.m.,

1.n. [verzoeker], te [plaats] ([adres]), verzoekster sub 1.n.,

1.o. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.o.,

1.p. [verzoeker], te [plaats] ([adres]), verzoeker sub 1.p.,

1.q. [verzoekers], te [plaats] ([adres]), verzoekers sub 1.q.,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

(gemachtigde: [naam]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

(gemachtigde: G. Demandt).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Groningen, vergunninghoudster,

(gemachtigde: K.A. Kars).

Procesverloop

Bij primair besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning, onder herplantplicht en onder de voorwaarde van een financiële compensatie, verleend voor het vellen van 46 bomen, het verplanten van één boom en het verwijderen van 1.092 m² houtopstand op het perceel Engelse Kamp 1 te Groningen.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers op 12 maart 2018 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 maart 2018.

Verzoekers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J. Dallinga.

Namens vergunninghouder is voornoemde gemachtigde verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Voorgeschiedenis

In het kader van het project Engelse park Kempkensberg gaan diverse partijen 95 grond-gebonden koopwoningen bouwen in het zogenoemde Engelse Park en 76 appartementen langs de Kempkensberg. De partijen ontwikkelen de 95 grondgebonden woningen in het Engelse Park - tussen Engelse Kamp, Haydnlaan, Kempkensberg en Bachkade. Het aanbod aan woningen zal divers zijn, zowel voor wat betreft de ligging als de grootte, de uitvoering en de prijzen van de woningen. Het Engelse Park is een aantrekkelijk woongebied voor een brede doelgroep.

1.1.

Op 21 januari 2016 heeft het Ingenieursbureau Gemeente Groningen (IGG) een ecologische quickscan van het terrein langs de Kempkensberg verricht. De bevindingen van deze quickscan zijn neergelegd in een rapportage van januari 2016.

1.2.

Op 20 mei 2016 heeft het IGG een ecologische quickscan van het terrein op het Engelse Park verricht. De bevindingen van deze quickscan zijn neergelegd in een rapportage van 2 juni 2016.

1.3.

Op 11 oktober 2017 heeft Stedelijk Groen B.V. in opdracht van verweerder een boomeffectanalyse (hierna: BEA) voor het plangebied Engelse Park/Kempkensberg opgesteld.

1.4.

Vergunninghoudster heeft op 28 december 2017 een aanvraag om omgevings-vergunning voor het vellen van 46 bomen, het verplanten van één boom en het verwijderen van 1.092 m² houtopstand bij verweerder ingediend. De aanvraag heeft betrekking op het project Engelse Park te Groningen.

1.5.

Bij besluit van 29 januari 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen aan verweerder een ontheffing ingevolge artikel 3.8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend ten behoeve van het woonprogramma in het deelgebied Engelse Park en Kempkensberg, waaronder onder andere wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden, kappen van bomen en verwijderen van struiken, en het aanpassen van genoemde terreinen, bouwrijp maken, bebouwen, inrichten (inclusief infrastructuur, verlichting, groenvoorzieningen) en het aanpassen van het Engelse Park en de Kempkensberg.

Aan voormelde ontheffing zijn diverse voorschriften verbonden.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning, onder herplantplicht en onder de voorwaarde van een financiële compensatie, verleend voor het vellen van 46 bomen, het verplanten van één boom en het verwijderen van 1.092 m² houtopstand op het perceel Engelse Kamp 1 te Groningen.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

2.2.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Ingevolge artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb is het verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Ingevolge artikel 3.5, derde lid, van de Wnb is het verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Ingevolge artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb is het verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge artikel 3.5, vijfde lid, van de Wnb is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb kunnen Gedeputeerde staten ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

2.3.

De in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ingevolge artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor worden als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de wet, tevens aangewezen: het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Ingevolge artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wnb hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

2.4.

De in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo bedoelde gemeentelijke verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (APVG).

Ingevolge artikel 4:9, eerste lid, van de APVG is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de APVG verleent het bevoegd gezag in beginsel geen omgevingsvergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”.

Ingevolge artikel 4:11, tweede lid, van de APVG kan het college met betrekking tot de in het vorige lid genoemde criteria en de te maken afweging beleidsregels vaststellen.

Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, van de APVG kan tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2.5.

Op 26 november 2013 heeft verweerder de Beleidsregels ‘vellen van een houtopstand’ (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

Op grond van artikel 1, onder a, van de beleidsregels wordt onder een Boom Effect Analyse (BEA) verstaan: een rapportage waarin beschreven is welke effecten een ruimtelijke ontwikkeling op de houtopstand heeft en op welke wijze de houtopstand gecompenseerd wordt.

Op grond van artikel, onder d, van de beleidsregels wordt onder een ruimtelijke ontwikkeling verstaan: een ontwikkeling door (semi-)overheden of projectontwikkelaars, zoals de aanleg van wegen, bedrijventerreinen, havens, woonwijken dan wel bouwplannen die alleen met een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan kan worden gerealiseerd.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels toetst verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand. Hierbij toetst verweerder op de criteria ‘waardering’, ‘overlast’, ‘kwaliteit’ en ‘dringende reden’.

Op grond van artikel 2, zevende lid, van de beleidsregels toetst verweerder voor het criterium ‘dringende reden’ de volgende aspecten:

a. ruimtelijke ontwikkeling;

b. bouwplan;

c. rendementsverlies energie-opwekkers;

d. sloopmelding;

e. groot onderhoud.

2.6.

In de toelichting van artikel 2, zevende lid, van de beleidsregels is met betrekking tot een ruimtelijke ontwikkeling onder meer te kennen gegeven dat een ruimtelijke ontwikkeling een ingrijpende functionele verandering in een gebied veroorzaakt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (zowel gemeentelijke, andere overheden, als dat van een project-ontwikkelaar) is een vastgestelde BEA het toetsingskader. Verweerder stelt zelf een BEA vast als het groenbestand door een ruimtelijke ontwikkeling afneemt en/of als er groen wordt geveld uit de Stedelijke Ecologische Structuur (SES) en/of als er sprake is van het vellen van een monumentale houtopstand. Het college maakt zelf een zorgvuldige afweging tussen behoud, herplant of financiële compensatie. Een neutrale of positieve groenbalans wordt niet meer in het college vastgesteld, tenzij er sprake is van bovenstaande uitzonderingen. De afdeling Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) stelt de overige BEA’s vast. Alle door verweerder vastgestelde BEA’s worden ter kennisname aan de raad aangeboden. Een vastgestelde BEA geldt als motivatie voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen (door overheden of projectontwikkelaars) komt het voor dat binnen een plangebied alle houtopstand moet wijken. Het gaat hierbij om (bos)percelen waar veel bomen en struiken staan waarbij het erg lastig is om iedere individuele houtopstand in te meten. In een dergelijk geval is het mogelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het betreffende gebied waarbinnen de houtopstand geveld moeten worden. Het totaal aantal m2 te verwijderen houtopstand wordt in beeld gebracht. Door middel van een omkadering zal duidelijk gemaakt moeten worden wat de begrenzing van het gebied is zodat geen verwarring kan ontstaan welke houtopstand wel of niet onder de omgevingsvergunning valt. Een inventarisatie van het aanwezige groen maakt deel uit van het projectvoorstel van de betreffende ruimtelijke ontwikkeling. Wanneer (potentieel) monumentale boom binnen het omkaderde gebied aanwezig is, moet deze apart worden vermeld.

In de toelichting van artikel 2, zevende lid, van de beleidsregels is met betrekking tot een bouwplan onder meer te kennen gegeven dat, indien het bestemmingsplan bij direct bouwrecht of met een binnenplanse ontheffing van het bestemmingsplan, een bouwwerk toestaat, dit een motivatie is voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Hierbij wordt door verweerder overigens wel door verweerder verzocht (binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan) in hoeverre het bouwplan aangepast kan worden waardoor de houtopstand kan blijven staan. Een vergunningvrij bouwwerk hoeft geen dringende reden te zijn voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.

Aangezien vergunninghoudergebruik kan maken van de aan hem verleende omgevingsvergunning, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekers gegeven.

4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanwezige bomen en houtopstanden de uitvoering van werkzaamheden in het kader van het bouwplan Engelse Park aan de Kempkensberg/Engelse Kamp belemmeren. Deze werkzaamheden zijn volgens de beleidsregels een ruimtelijke ontwikkeling. Gelet op de beleidsregels kan een ruimtelijke ontwikkeling een dringende reden zijn voor het verlenen van de omgevings-vergunning voor de activiteit vellen van bomen en het verwijderen van houtopstand. De bijbehorende BEA moet dan door verweerder zijn vastgesteld en de raad zijn geïnformeerd. Verweerder heeft de BEA op 24 oktober 2017 vastgesteld en de raad op 25 oktober 2017 per brief geïnformeerd. Volgens verweerder zijn in de BEA adequaat en zorgvuldig de groenbelangen in beeld gebracht en afgewogen tegen de belangen van de ruimtelijke ontwikkeling. In de BEA zijn alternatieven bestudeerd en beoordeeld, hetgeen heeft geleid tot het voorliggende ontwerp. Gelet op de dringende reden is verweerder van mening dat ondanks de waarde van de bomen en de houtopstanden het verwijderingsbelang dient te prevaleren.

4.1.

Verzoekers betogen dat de houtopstanden, waarop de onderhavige omgevings-vergunning betrekking heeft, volgens het bestemmingsplan “Kempkensberg – Engelse Kamp e.o” waardevolle houtopstanden zijn. Naar de mening van verzoekers blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit onvoldoende van een zorgvuldige belangenafweging zoals die ingevolge artikel 4:11 van de APVG en de beleidsregel noodzakelijk is. In dit verband wijzen verzoekers erop dat uit het bestreden besluit onvoldoende de noodzaak blijkt dat de bomen die zijn gesitueerd buiten het terrein, waarop de nieuwe woningen worden gebouwd, moeten worden gekapt. Volgens verzoekers blijkt die noodzaak niet uit de BEA en ook niet anderszins. Gelet hierop is de motivering van het bestreden besluit ontoereikend en is de noodzaak van de kap van alle bomen, waarin de onderhavige omgevingsvergunning voorziet, niet gebleken, terwijl een deugdelijke motivering in de visie van verzoekers is aangewezen in verband met het belang van de bewoners van de Bachkade.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat zowel het groen als het Helperdiep ecologisch worden verbeterd met voorliggend plan. In dit verband wijst verweerder erop dat het te handhaven groen en het nieuwe groen samenhangend is ontworpen en zo spoedig als mogelijk zal worden gerealiseerd. De groenstrook langs het Helperdiep wordt aangevuld met nieuw groen en bomen. Uit deze strook (tussen voetpad en water) verdwijnen volgens verweerder geen bomen, want er worden bomen bij geplant. In de visie van verweerder zal hierdoor de belevingswaarde op het pad toenemen. Tussen de nieuwbouw en het wandelpad zullen wel bomen verdwijnen. Volgens verweerder zijn de plandelen zodanig gekozen en ontworpen dat er zoveel als mogelijk groen en bomen in stand worden gehouden. Naar de mening van verweerder wordt hierdoor voldaan aan de randvoorwaarden uit voormeld bestemmingsplan om rekening te houden met een groene buffer langs het Helperdiep. Daarnaast wijst verweerder erop dat de dringende reden is gelegen in de ruimtelijke ontwikkeling op het Engelse Park, is samenhang met de vastgestelde BEA.

4.3.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4.11, eerste lid, van de APVG een discretionaire bevoegdheid betreft van verweerder. De uitoefening van deze bevoegdheid dient door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. De bestuursrechter dient zich daarbij te beperken tot de vraag of verweerders besluit in strijd is met het recht of dat het, gelet op de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging, kennelijk onredelijk is.

4.3.2.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de door verweerder vastgestelde beleidsregels de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan.

4.3.3.

De voorzieningenrechter stelt aan de hand van het verhandelde ter zitting vast dat het verzoekers met name gaat om de door verweerder voorgestane kap van de bomen aan de zuidkant van het projectgebied, waarop zij vanuit hun woningen en vanaf hun percelen rechtstreeks zicht hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het project “Engelse Park” op basis van het vigerende bestemmingsplan terecht als een ruimtelijke ontwikkeling aangemerkt, die als een dringende reden in de zin van de beleidsregels dient te worden beschouwd en op grond waarvan een kapvergunning kan worden verleend. Daarbij heeft verweerder de op 11 oktober 2017 door Stedelijk Groen adviesbureau opgestelde en nadien vastgestelde BEA in het kader van de te verrichten belangenafweging kunnen betrekken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan Stedelijk Groen adviesbureau als een deskundige op het gebied van groenbeheer worden aangemerkt. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de BEA onzorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen en de voorzieningenrechter zich tijdens de zitting aan de hand van een kaart ervan hebben vergewist dat de kruinen van de te vellen bomen aan de zuidkant van het projectgebied zich binnen vijf meter van de te realiseren grondgebonden woningen bevinden, zoals (ook) is aangegeven in de BEA. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter niet de stelling van verzoekers dat niet op voorhand valt vast te stellen dat de kruinen van de bomen zich binnen vijf meter van de te realiseren grondgebonden woningen bevinden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter een groter belang mogen hechten aan de belangen die zijn gediend met vellen van de bomen aan de zuidkant van het projectgebied dan de belangen van verzoekers bij het behoud van de betreffende bomen. Onder die omstandigheden kan van de door verweerder verrichte belangenafweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat die kennelijk onredelijk is. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

5. Voor zover de gemachtigde van verzoekers ter zitting naar voren heeft gebracht dat verweerder in dit geval ten onrechte niet getoetst heeft aan de per 1 september 2017 gewijzigde beleidsregels, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting nader uiteen gezet dat de aanvraag om omgevingsvergunning beoordeeld is aan de hand van de bepalingen van de APVG en de met ingang van

1 september 2017 in werking getreden beleidsregels. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit de met ingang van

1 september 2017 in werking getreden beleidsregels van kracht zijn en dat niet is gebleken dat verweerder die beleidsregels niet bij de beoordeling van de aanvraag en het nemen van het bestreden besluit heeft betrokken. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van verzoekers dat verweerder de aanvraag heeft beoordeeld aan de hand van verouderde, niet meer geldende beleidsregels is daartoe onvoldoende. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

6.1.

Verzoekers betogen dat verweerder op grond van de beleidsregel een herplantplicht oplegt en dat voor elke te vellen houtopstand een nieuwe houtopstand wordt geplant. Naar de mening van verzoekers blijkt uit de overwegingen die ten grondslag liggen aan bestreden besluit en uit de inhoud van de voorschriften een onvoldoende motivering voor de eisen die zijn gesteld aan de herplantplicht van de te vellen 46 bomen en 1.092 m² houtopstand. In dit verband wijzen verzoekers erop dat niet wordt voorzien in de herplant van (kwalitatief) gelijkwaardige houtopstanden (kwaliteitsniveau, soort, maat, hoogte en termijn van herplant). De plantmaat van 20 - 30 cm is volgens verzoekers niet gelijkwaardig aan de huidige opstand met zijn natuurwaarde. Gelet hierop zijn verzoekers van mening dat de opgenomen herplantplicht ontoereikend is.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit de gebruikelijke waarborgen (aantal, plantmaat, locatie en plantperiode) zijn opgenomen. De plantmaat 25 - 30 cm (stamomtrek in centimeter gemeten op 1,00 meter boven maaiveld) voldoet volgens verweerder ruimschoots aan de plantmaat die gebruikelijk wordt opgelegd.

5.3.

In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht met betrekking tot de gestelde gebrekkige compensatie door de voorgeschreven herplant met een plantmaat van 20 - 30 cm, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Voor zover al tot de conclusie dient te worden gekomen dat de door verweerder voorgeschreven herplant met een plantmaat van 20 - 30 cm niet voldoet aan de beleidsregel, leidt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand tot zodanig onomkeerbare effecten dat voor wat betreft dit aspect de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

6.1.

Verzoekers betogen dat verweerder in dit geval een inconsistente lijn volgt voor wat betreft het bepalen van verplanten en/of kappen. In dit verband vragen verzoekers zich af waarom boom 105 wel wordt verplant en waarom boom 110 wordt gekapt.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle aanwezige bomen zijn beoordeeld op verplantbaarheid, aangezien dit een verplichting in de BEA is. Daarbij is volgens verweerder de soort, de huidige plantlocatie en de toekomstige plantlocatie mede bepalend of verplanten realistisch is. In de visie van verweerder is boomnummer 110 niet verplantbaar vanwege zijn huidige plantplaats op een talud. Daardoor is verplanten en het elders inpassen van deze boom volgens verweerder niet realistisch.

6.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder aan de hand van de op grond van de BEA voorgeschreven verplichting afdoende gemotiveerd dat boomnummer 110 vanwege zijn huidige plantplaats op een talud niet zonder meer elders kan worden ingepast door verplanting. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

7. Gelet op de voorgaande overwegingen moet de houdbaarheid van het bestreden besluit in de bezwaarfase als overwegend positief worden ingeschat, zodat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: