Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1120

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
18/256596-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeelt voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs en het aanwezig hebben van een wapen en munitie.

De rechtbank legt op; een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/256596-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2018 en 13 maart 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 7 september 2016 (in de woning [straatnaam]) te Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 11,9 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van meer dan 30
gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige
elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn
toegevoegd en/of
- ongeveer 63,26 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van meer dan 30
gram, hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid
van artikel 3a van die wet;

2
hij op of omstreeks 7 september 2016 (in de woning [straatnaam]) te Emmen
- een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch gaspistool,
en/of
- 76 stuks, althans een (groot) aantal munitie van categorie III, te weten 70 stuks, althans een (groot) aantal) knalpatronen en/of 6 stuks, althans een aantal, kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde op grond van de stukken en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting kan worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de politie op 7 september 2016 op grond van TCI informatie, met als strekking dat zich een grote hoeveelheid drugs in de woning zou bevinden en verdachte mogelijk tevens over een vuurwapen zou beschikken, de woning van verdachte is binnengetreden. De machtiging binnentreden vermeldt als grondslag voor het binnentreden dan ook de Opiumwet én de Wet wapens en munitie. Artikel 49 van de Wet wapens en munitie geeft opsporingsambtenaren in dit verband een verstrekkende bevoegdheid en daarmee een wettelijke basis voor de doorzoeking van de woning van verdachte.

De officier van justitie geeft aan, nu er ook een verdenking terzake het bezit van drugs bestond, de zaak na het aantreffen van de deze drugs bij voorkeur had moeten worden “bevroren” om vervolgens de rechter-commissaris bij de doorzoeking naar drugs te betrekken.

De officier van justitie komt echter - gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het zeer beperkte nadeel dat daardoor is veroorzaakt en de omstandigheden van het geval - tot de slotsom dat in onderhavige zaak kan worden volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan, maar dat daaraan geen consequenties verbonden dienen te worden.

De officier van justitie acht, gelet op vorenstaande, het binnentreden en de doorzoeking van de woning van verdachte rechtmatig, hetgeen met zich meebrengt dat ook de vondst van de drugs meegenomen kan worden voor het bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de machtiging tot binnentreden in de woning van verdachte enkel en alleen is afgegeven op grond van vage, niet geverifieerde TCI informatie. Het TCI heeft geen oordeel over de betrouwbaarheid van de informant kunnen geven. Er wordt slechts gemeld dat er 'mogelijk' en vuurwapen in de woning is. Nu er naar aanleiding van deze informatie door de politie niet verder is gerechercheerd, is er onvoldoende sprake van een redelijk vermoeden van schuld en was er derhalve geen concrete verdenking. Het binnentreden in de woning van verdachte was daardoor onrechtmatig.

Ten aanzien van de doorzoeking heeft de raadsman aangevoerd dat de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de Opiumwet de bevoegdheid geven om na een gerezen verdenking een woning te betreden tegen de wil van de bewoner. De machtiging geeft echter geen bevoegdheid tot doorzoeking, louter tot het betreden ter aanhouding en tot het zoekend rondkijken.

In onderhavige zaak geeft het dossier geen nadere informatie over de exacte wijze van zoeken en de precieze vindplaatsen van de softdrugs. De politie heeft het in haar proces-verbaal van bevindingen over een doorzoeking, hetgeen niets anders kan inhouden dat het om meer is gegaan dan het enkel zoekend rondkijken. In beginsel is de rechter-commissaris bevoegd ter inbeslagneming tot doorzoeking. Echter in onderhavige zaak is de rechter-commissaris niet betrokken geweest bij de doorzoeking.

De raadsman concludeert dat, als er al een bevoegdheid was om de woning ter inbeslagneming te betreden, dit geen bevoegdheid impliceert om te doorzoeken.

Er was sprake van een onrechtmatig binnentreden in de woning van verdachte en van een onrechtmatige doorzoeking. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 395a Sv en dient –zoals ook blijkt uit de aangehaalde jurisprudentie- te leiden tot bewijsuitsluiting.

Na bewijsuitsluiting is er - behoudens de bekennende verklaring van verdachte ter zitting - geen ander wettig bewijs voorhanden en verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het gevoerde verweer ex artikel 359a Sv als volgt.
Door de politie is op 7 september 2016 TCI-informatie ontvangen, inhoudende:
"dat een man genaamd [verdachte], wonende in de [straatnaam] in de wijk [naam wijk] te Emmen een grote hoeveelheid hennep in zijn woning heeft liggen. Deze [verdachte] is mogelijk in het bezit is van een vuurwapen".
Daarop is de politie nog diezelfde dag de woning binnengetreden op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie, artikel 96 Sv en artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet. In de woning is vervolgens op diverse plaatsen een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, alsmede een kluis met daarin - naar later bleek - een wapen en munitie. De rechtbank stelt vast dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad1 een verdenking van het overtreden van de Wet wapens en munitie kan worden aangenomen op basis van TCI-informatie. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de onderhavige TCI-informatie voldoende grondslag bood voor het in artikel 49 van de Wet wapens en munitie bedoelde vermoeden. De TCI-informatie bevatte immers gegevens die voldoende concreet (naar naam persoon, straat, plaats en woonwijk) en specifiek waren. De omstandigheid dat de vermelding in het proces-verbaal van het TCI ook inhoudt dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kon worden gegeven, doet aan het concrete karakter van de informatie niet af.
De machtiging tot binnentreden - voor zover deze is gegeven op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie - is naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig gegeven en verleende de betrokken opsporingsambtenaren de bevoegdheid de woning van verdachte te doorzoeken ter inbeslagname van een wapen en/of munitie.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat terzake de verdenking van overtreding van de Opiumwet de politie niet alleen mocht afgaan op de in het TCI proces-verbaal vermelde informatie, nu niet is gebleken dat enig nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de in die melding gegeven informatie. Aldus is de machtiging tot binnentreden voor zover die ziet op artikel 9 van de Opiumwet en artikel 96 Sv, ten onrechte afgegeven. Dit leidt tot een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De rechtbank dient vervolgens na te of aan dit verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient zij rekening te houden met de in lid 2 van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Hierbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a Sv in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen sprake is van enig in aanmerking te nemen nadeel voor verdachte. Immers bestond in dit geval een bevoegdheid tot het binnentreden en doorzoeken van verdachtes woning op basis van de Wet wapens en munitie.

De opsporingsambtenaren behielden in dat kader tevens hun (algemene) inbeslagnemingsbevoegdheid op grond van artikel 96 Sv voor de situatie dat zij - zoals hier is gebeurd - tijdens de doorzoeking in het kader van de Wet wapens en Munitie op verdovende middelen stuiten.
De rechtbank acht het binnentreden en de doorzoeking van de woning dan ook rechtmatig, evenals de inbeslagname van zowel het wapen als de verdovende middelen, zodat het resultaat van de doorzoeking voor het bewijs kan worden gebruikt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2018.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 7 september 2016, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016256238 d.d. 28 februari 2017, inhoudende de relatering van verbalisanten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 24 in voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullende proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 december 2017, als los document opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen en munitie van Politie Noord-Nederland d.d. 31 oktober 2016, opgenomen op pagina 64 e.v. voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1
hij op 7 september 2016 in de woning [straatnaam] te Emmen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 11,9 kilo van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige
elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd

en
- ongeveer 63,26 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op 7 september 2016 in de woning [straatnaam] te Emmen
- een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch gaspistool
en
- 76 stuks munitie van categorie III, te weten 70 stuks knalpatronen en 6 stuks kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, indien de rechtbank het ten laste gelegde bewezen acht, gepleit voor een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel (artikel 9a Wetboek van Strafrecht).

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte fungeerde als tijdelijke stash voor een coffeeshop. Uit jurisprudentie blijkt dat bij de bepaling van de strafmaat in zaken tegen coffeeshopeigenaren rekening wordt gehouden met de consequentie van het gedoogbeleid, inhoudende dat slechts 500 gram softdrugs aanwezig mag zijn in de coffeeshop, terwijl dit voor een normale bevoorrading te weinig zal zijn. Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid drugs (hennep en hasjiesj). Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte heeft daaraan welbewust een bijdrage geleverd. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie, door een wapen (gaspistool) en 76 patronen geschikt voor vuurwapens voorhanden te hebben. Het is algemeen bekend dat dergelijke voorwerpen voor criminele doeleinden gebruikt kunnen worden en het risico verhogen op een levensbedreigend geweldsdelict, te meer in combinatie met drugsgerelateerde feiten.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De raadsman heeft gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht nu verdachte enkel en alleen zijn woning beschikbaar stelde als stash (bewaarplaats voor drugs) voor een coffeeshop.

De rechtbank overweegt daartoe dat deze verklaring van verdachte -pas op zitting aangevoerd- volstrekt niet is onderbouwd of aannemelijk is gemaakt. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het strafmaatverweer van de raadsman.

Gelet op het vorenstaande en mede bezien vanuit het oogpunt van normhandhaving en vergelding, kan ter bestraffing van het plegen van de bewezen verklaarde feiten naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met het opleggen van een combinatie van een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te noemen duur. De voorwaardelijke straf dient enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde feiten te benadrukken, en anderzijds teneinde verdachte ervan te weerhouden andermaal strafbare feiten te plegen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten;

- 6 stuks munitie (omschrijving G772667);

- 70 stuks munitie (omschrijving G772671);

- 1 wapen, Rohm RG 88 (G772670);

- 1 mes (G772674)

vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een kluis, Juwel (G772666) moet worden teruggegeven aan de rechthebbende nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

- Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

- 6 stuks munitie (omschrijving G772667);

- 70 stuks munitie (omschrijving G772671);

- 1 wapen, Rohm RG 88 (G772670);

- 1 mes (G772674)

- Gelast de teruggave van de in beslag genomen kluis (Jewel) aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. G. Eelsing en

mr. M.C. van Woudenberg, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2018.

1 HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2191