Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1113

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
18/820090-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uur. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee hulpverleners, aan wie volgens verdachte te verwijten valt dat hij geen contact meer heeft met zijn dochter. Nu verdachte reeds in een proeftijd loopt van een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld toezicht en voorwaarden (welke proeftijd zal doorlopen, nu de rechtbank de gelijktijdig behandelde vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf bij afzonderlijke beslissing afwijst), acht de rechtbank het niet nodig nog een voorwaardelijke straf op te leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820090-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2018 tot en met 25 januari 2018

te Groningen en/of te Oude Pekela, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1]

en/of de medewerkers van Jeugdbescherming Noord-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op of omstreeks 23 januari 2018 de volgende tekst via een e-mailbericht te sturen naar voornoemde [slachtoffer 1]: "Ik heb jullie gezegd als het om mijn dochter gaat pleeg ik 100 moorden als het moet. Wees alert iedereen die mij mijn dochter weghoudt. Wees gewaarschuwd, onverwacht sta ik er wel wraak moet je koud serveren. Jullie moeten allemaal achterom kijken ik niet heb niks meer te verliezen. Ik kan alleen maar winnen ik heb er 30 jaar celstraf voor over" en/of (vervolgens)

- op of omstreeks 25 januari 2018 de volgende tekst via een e-mailbericht te sturen naar het secretariaat van Jeugdbescherming Noord-Nederland: "het is geen bedreiging maar een belofte" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of welke woorden

voornoemde [slachtoffer 2] en/of een of meerdere medewerker(s) van Jeugdbescherming

Noord ter ore zijn gekomen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2017 tot en met 16 januari 2018 te Groningen en/of te Oude Pekela, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op of omstreeks 31 maart 2017 tegen de heer [getuige] (werkzaam bij de VNN) over

voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen: "ik ben in staat haar rug te breken" en/of "ik ben in staat haar wat aan te doen" en/of "als ze op straat loopt kan ik vergeten te remmen" en/of

- op of omstreeks 16 januari 2017 tegen de heer [getuige] (werkzaam bij de VNN)

over voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen dat hij (verdachte) voornoemde [slachtoffer 2]

"wat aan doet als hij haar onder 4 ogen tegen komt" althans woorde van gelijke dreigende aard en/of strekking en welke woorden voornoemde [slachtoffer 2] ter ore zijn gekomen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde sprake is van bedreiging van aangeefster [slachtoffer 1].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

ten aanzien van feit 1

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 januari 2018, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018050500 d.d. 1 maart 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1];

ten aanzien van feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 januari 2018, opgenomen op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 2].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De rechtbank acht ten aanzien van feit 1 niet bewezen dat verdachte andere medewerkers van Jeugdbescherming Noord-Nederland heeft bedreigd en zal verdachte daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat de woorden "dit is geen bedreiging maar een belofte" betrekking hebben op de eerdere bedreiging van verdachte per email aan het adres van [slachtoffer 1] (het hierna onder 1 bewezenverklaarde feit). Uit het dossier blijkt echter niet dat de in de tenlastelegging genoemde medewerkers van deze bedreiging op de hoogte waren. De woorden "dit is geen bedreiging maar een belofte" zijn op zichzelf genomen, dus zonder deze context, niet van dreigende aard.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat verdachte de bedreigingen heeft geuit op 31 maart 2017 en 16 januari 2018. De rechtbank zal de pleegperiode in die zin aanpassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 januari 2018 te Groningen en Oude Pekela [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door de volgende tekst via een e-mailbericht te sturen naar voornoemde [slachtoffer 1]: "Ik heb jullie gezegd als het om mijn dochter gaat pleeg ik 100 moorden als het moet. Wees alert iedereen die mij mijn dochter weghoudt. Wees gewaarschuwd, onverwacht sta ik er wel wraak moet je koud serveren. Jullie moeten allemaal achterom kijken ik niet heb niks meer te verliezen. Ik kan alleen maar winnen ik heb er 30 jaar celstraf voor over.";

2.

hij op 31 maart 2017 en op 16 januari 2018 te Groningen en Oude Pekela [slachtoffer 2] heeft

bedreigd met zware mishandeling, door

- op 31 maart 2017 tegen de heer [getuige] (werkzaam bij de VNN) over voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen: "ik ben in staat haar rug te breken" en "ik ben in staat haar wat aan te doen" en "als ze op straat loopt kan ik vergeten te remmen" en

- op 16 januari 2018 tegen de heer [getuige] (werkzaam bij de VNN) over voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen dat hij (verdachte) voornoemde [slachtoffer 2] "wat aan doet als hij haar onder 4 ogen tegen komt", welke woorden voornoemde [slachtoffer 2] ter ore zijn gekomen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank in overweging gegeven als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod met instanties die zich bezighouden met de hulpverlening rond zijn dochter op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat, gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, een gevangenis-straf niet aan de orde is. De raadsman heeft verzocht het advies dat de reclassering ter terechtzitting heeft gegeven te volgen en verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee hulpverleners, aan wie volgens verdachte te verwijten valt dat hij geen contact meer heeft met zijn dochter. Hij heeft daarmee gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt bij beide aangeefsters. Eén van de aangeefsters heeft in een door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring uiteengezet welke impact het handelen van verdachte op haar en haar gezin heeft gehad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor bedreiging van hulpverleners.

Uit het reclasseringsrapport dat is opgemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en de toelichting die de toezichthouder van de reclassering ter terechtzitting heeft gegeven, komt naar voren dat verdachte is doorverwezen naar de Forensische Poli van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) voor een ambulante behandeling. Verdachte is inmiddels onder behandeling van een psychiater en wordt ingesteld op een medicijn dat de symptomen van ADHD vermindert en voor meer rust in zijn hoofd moet zorgen. Zodra het gewenste effect is bereikt, gaat de ambulante behandeling van start. De toezichthouder heeft ter terechtzitting verklaard dat de reclassering graag met verdachte verder wil en heeft geadviseerd, bij een bewezenverklaring, een voorwaardelijke straf op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Nu verdachte reeds in een proeftijd loopt van een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld toezicht en voorwaarden (welke proeftijd zal doorlopen, nu de rechtbank de gelijktijdig behandelde vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf bij afzonderlijke beslissing afwijst), acht de rechtbank het niet nodig daarnaast nog een voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om de door de officier van justitie voorgestelde vrijheidsbeper-kende maatregel op te leggen, nu verdachte expliciet heeft aangegeven geen contact met de betreffende hulpverlenende instanties te willen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en

mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2018.