Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1107

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
C/17/160214 / KG ZA 18-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

- artikel 23 lid 5 Meststoffenwet

- weigering instemming is onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2018/5929, UDH:TvAR/14966 met annotatie van D.W. Bruil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/160214 / KG ZA 18-56

Vonnis in kort geding van 28 maart 2018

in de zaak van

1 [A] ,

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,

tegen

[C] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. N.S. Commijs te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en [C] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 21 maart 2018

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 26 maart 2018

  • -

    de pleitnota van [A]

  • -

    de pleitnota van [C] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] exploiteert een (omvangrijke) melkveehouderij te [woonplaats eisers] .

2.2.

[C] exploiteert een veehouderij en veehandel te [woonplaats gedaagde] .

2.3.

In 2015, 2016 en 2017 heeft [A] steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard. Deze (mondelinge) uitscharingsregeling liep via [C] en de dieren stonden gedurende de periode 15 mei tot 15 oktober in het Identificatie & Registratie systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) geregistreerd op het uniek bedrijfsnummer (UBN) van [C] . Deze pinken liepen op buitendijks land van It Fryske Gea, dat door [C] werd gepacht. [A] betaalde [C] hiervoor een vergoeding van € 160,- per dier per jaar. In de perioden voor en na uitscharing verbleven de pinken op het eigen bedrijf van [A] .

2.4.

Het aantal pinken dat op voormelde wijze door [A] was uitgeschaard en door [C] was ingeschaard bedroeg in 2015 38 stuks.

2.5.

In verband met het terugdringen van de fosfaatproductie door de Nederlandse melkveehouderij is met ingang van 1 maart 2017 in werking getreden de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende de invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017), gepubliceerd in de Staatscourant van 17 februari 2017, nr. 9915 en nadien gewijzigd. Artikel 11 lid 1 van deze Regeling luidt:

Indien een houder aantoont dat hij op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard die tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 naar een inschaarder zijn gegaan, op 2 juli 2015 door die inschaarder werden gehouden en die uiterlijk op 31 december 2015 zijn teruggekomen op het bedrijf van de houder, kan de minister wanneer hiervoor door de houder uiterlijk voor 15 april 2017 een verzoek is ingediend zijn referentieaantal verhogen in de periode 1 en 5 mits, in het geval de inschaarder producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, deze aantoonbaar instemt met verlaging van zijn referentieaantal in die perioden.

2.6.

In 2017 hebben [A] en [C] de formulieren 'Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017' ondertekend en ingediend bij de RvO, zodat de uitgeschaarde dieren werden meegerekend bij het bedrijf van [A] .

2.7.

Per 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet in werking getreden. De voor deze zaak relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:

artikel 21b lid 1:

Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35;

artikel 23 lid 3:

Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Artikel 21a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

en artikel 23 lid 5:

Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.

2.8.

In de 'Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2017, nr. WJZ / 17177092, tot vaststelling van de datum waarvoor een landbouwer zich kan melden voor verhoging van het op een bedrijf rustende fosfaatrecht', Staatscourant 2017, nr. 69891, is bepaald dat de melding als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet kan worden ingediend tot 1 april 2018.

2.9.

[A] heeft [C] gevraagd mee te werken aan het indienen van het formulier 'In- en uitscharen' als bedoeld in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet, welke medewerking [C] heeft geweigerd.

2.10.

De in het geding zijnde fosfaatrechten (38 pinken x 21,9) vertegenwoordigen - uitgaande van een prijs van € 170,- per kilogram fosfaat - een waarde van € 141.474,-.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren, [C] te gelasten om het formulier 'in- en uitscharen' (ex artikel 23 lid 5 van de Meststoffenwet) met betrekking tot de 38 stuks rundvee die op 2 juli 2015 op het UBN van [C] geregistreerd stonden in het I&R systeem, maar eigendom waren van [A] , uiterlijk 28 maart 2018 te ondertekenen en al het nodige te doen en te laten zodat het genoemde formulier tijdig bij de RvO kan worden ingediend, een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [C] hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt, met veroordeling van [C] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[A] voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat de wetgever heeft onderkend dat melkveebedrijven vee uitgeschaard hadden op de peildatum 2 juli 2015 en dat deze dieren meegerekend kunnen worden bij de uitscharende landbouwer. [A] verwijst daartoe naar de wetgeschiedenis ten aanzien van artikel 23 Meststoffenwet en het door de Kamerleden Dik-Faber en Geurts ingediende amendement, dat met een ruime meerderheid van stemmen is aangenomen en in lid 5 van artikel 23 van de Meststoffenwet is opgenomen. Voor de in dat lid bedoelde correctie is nodig dat de in- en uitschaarder het formulier 'In- en uitscharen' indienen bij de RvO voor 1 april 2018. De instemming van de inschaarder is nodig omdat door de correctie de fosfaatrechten van de inschaarder worden verlaagd. Volgens [A] is [C] gehouden mee te werken aan het indienen van het formulier 'In- en uitscharen' ex artikel 23 lid 5 Meststoffenwet, zodat de 38 pinken van [A] meegeteld worden bij het bedrijf van [A] voor het bepalen van de hoeveelheid fosfaatrechten die met deze 38 pinken samenhangen. [A] heeft, zo stelt hij voorts, een groot belang bij de fosfaatrechten omdat hij als actief melkveehouder in staat moet zijn om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen. Hij heeft de fosfaatrechten nodig om de aantallen melkvee die hij in 2015 had ook thans nog te kunnen houden op zijn melkveebedrijf. Hij was eigenaar van deze dieren en in 2015 was hij gedurende zeven maanden ook houder hiervan. Volgens [A] is het ongewenst en onredelijk wanneer niet de uitschaarder maar de inschaarder over het uitgeschaarde vee de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen krijgt toegekend, met als gevolg dat de uitschaarder minder fosfaat mag produceren. [C] weigert zijn instemming te verlenen, met als gevolg dat, aldus [A] , [C] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en [C] hierdoor jegens [A] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Die weigering strookt ook niet met de afspraken en de eerdere handelwijze van partijen. Partijen hebben nimmer beoogd of afgesproken dat eventuele quoteringen of mestrechten verband houdende met de inscharingen aan [C] zouden toekomen. In 2017 gold de Regeling fosfaatreductieplan 2017. [C] heeft toen meegewerkt aan het indienen van de formulieren 'Uitschaarverklaring melk en niet melk producerende bedrijven voor fosfaatreductieplan 2017' zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Deze regeling was een opmaat voor de gewijzigde Meststoffenwet.

3.3.

[C] voert verweer en concludeert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, alle vorderingen van [A] ongegrond dienen te worden verklaard dan wel afgewezen dienen te worden met veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[C] voert aan dat op basis van het wettelijk systeem de fosfaatrechten op zijn bedrijf zijn komen te staan. Bij in- en uitscharen is het wettelijk systeem dat de rechten aan de houder toekomen met de mogelijkheid voor de in- en uitschaarder een afwijkende regeling overeen te komen, zonder dat er daarbij sprake is van de wettelijke 10% korting (afroming). [C] meent dat hij op goede gronden zijn instemming mag weigeren omdat hij recht en belang heeft bij behoud van de op zijn bedrijf gestelde fosfaatrechten. Hij exploiteert een veehouderij en houdt naast vleesvee ook melkvee. Omdat [C] voor het houden en inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018 fosfaatrechten nodig heeft, wenst [C] daar geen afstand van te doen. Met [A] zijn daar ook geen afspraken over gemaakt. De vergelijking met instemming met het fosfaatreductieplan 2017 gaat volgens [C] niet op en van onrechtmatig handelen is volgens hem geen sprake.

3.5.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [A] een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, nu vóór van 1 april 2018 de in artikel 23 lid 5 Meststoffenwet bedoelde melding moet worden gedaan. Tot 1 april 2018 kan de melding worden gedaan zonder dat een korting van 10% optreedt, waarmee het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gegeven. Dat bij toewijzing van de vordering een onomkeerbare situatie ontstaat omdat bij een eventuele teruggave een korting van 10% zal plaatsvinden, zoals [C] heeft aangevoerd, doet aan dat spoedeisend belang geen afbreuk.

4.2.

Bij brief van 18 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 532 nr. 45), heeft de Minister van Economische Zaken een maatregelenpakket fosfaatreductie 2017 aangekondigd. Het pakket richt zich op fosfaatreductie in 2017. Vanaf 2018 kan, met de herziening van de Meststoffenwet ter introductie van het stelsel van fosfaatrechten, wettelijk worden geborgd dat de fosfaatproductie vanaf 1 januari 2018 onder het niveau van het plafond blijft, aldus de Minister in voormelde brief. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hangen de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 en de wijzigingen in de Mestwetgeving derhalve met elkaar samen.

4.3.

De Memorie van Toelichting bij Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstuk 34532 nr. 3) vermeldt:

Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. Bedrijven waar op 2 juli 2015 melkvee werd gehouden krijgen uitsluitend fosfaatrechten toegekend indien zij op de datum van inwerkingtreding van het stelsel van fosfaatrechten nog als bedrijf, als bedoeld in de Meststoffenwet, bij RVO.nl staan geregistreerd. Dit betekent dat landbouwers die tussen de datum van aankondiging van het stelsel, te weten 2 juli 2015, en de datum van inwerkingtreding van het stelsel zijn gestopt met het voeren van een bedrijf geen fosfaatrecht krijgen toegekend.
Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van uitgeschaarde dieren gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het melkvee op de peildatum van 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weide en de verzorging op zich nam.

4.4.

Artikel 23 lid 3 Meststoffenwet bepaalt dat het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod als bedoeld in artikel 21b eerste lid, overeen komt met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. In het onderhavige geval zijn de fosfaatrechten voor de 38 pinken van [A] op grond van de wettelijke bepalingen bij beschikking van 13 januari 2018 van de Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toegekend aan het bedrijf van [C] .

4.5.

Artikel 23 lid 5 Meststoffenwet bepaalt dat indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, wordt verhoogd en het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming wordt verlaagd. Lid 5 is in de wet gekomen naar aanleiding van een amendement van de leden Dik-Faber en Geurts. De toelichting op dit amendement luidt:

Dit amendement regelt dat de boeren die gezamenlijk overeenkomen dat zij de fosfaatrechten willen herverdelen vanwege uitgeschaard vee, daartoe gefaciliteerd worden. Dit kan eenvoudigweg via een formulier bij RvO.

Van belang is dat bij deze incidentele overdracht van fosfaatrechten geen afroming plaatsvindt. Dit is in dit amendement als volgt geregeld. Het fosfaatrecht van de landbouwer die melkvee had uitgeschaard bij toekenning wordt verhoogd. Om te voorkomen dat dit leidt tot toekenning van teveel fosfaatrechten, wordt tegelijkertijd het fosfaat van de inscharende landbouwer verlaagd. Dit sluit aan bij verhoging van het fosfaatrecht bij overname van een beëindigd bedrijf (artikel 23, vierde lid).

De partij waarnaar het melkvee wordt uitgeschaard zal in de regel gewoon een bedrijf zijn (waar formeel een landbouwer in de zin van de Meststoffenwet voor verantwoordelijk is). Ook terreinbeherende organisaties kunnen via deze weg fosfaatrechten overdragen als zij dat wensen als gevolg van inscharing.

4.6.

De voorzieningenrechter begrijpt uit de eerder genoemde Memorie van Toelichting dat in geval van uitscharing het wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten gaat om de houder van de dieren, omdat deze de dieren feitelijk in zijn stal onderbrengt, op zijn land weidt en de verzorging op zich neemt. Daarmee heeft het landbouwbedrijf dat de dieren inschaart belang bij toekenning van de fosfaatrechten voor zijn bedrijfsvoering. In artikel 23 lid 5 Meststoffenwet heeft de wetgever naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onderkend dat - evenals dat het geval is bij de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 - recht moet kunnen worden gedaan aan de feitelijke situatie indien een bedrijf op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard, maar die uitscharingsregeling met de inschaarder niet gedurende het gehele jaar van kracht was; in dat geval is er in de periode van één jaar sprake van houderschap van de runderen zowel bij in- als uitschaarder. Die situatie brengt met zich dat als de landbouwer meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, de hem toegekende fosfaatrechten worden verhoogd. Aangezien het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard wordt verlaagd, is diens instemming vereist.

4.7.

Artikel 23 lid 5 Meststoffenwet geeft de landbouwer die melkvee had uitgeschaard een mogelijkheid om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden, maar anderzijds legt de wet het benutten van die mogelijkheid geheel in handen van partijen. Voor de vraag of [C] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid om de fosfaatrechten van [A] te verhogen ten koste van de aan [C] toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals hiervoor is overwogen zijn de onderhavige aanpraken op de fosfaatrechten aan [C] toegekend omdat de 38 pinken van [A] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de pinken op dat moment op het bedrijfsnummer van [C] geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, namelijk het toekennen van fosfaatrechten, aan hem toegevallen. Zulks echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende geachte dat deze runderen bij voortduring op zijn stal stonden danwel door hem werden geweid. Vaststaat echter dat partijen afspraken hebben gemaakt over het in- en uitscharen van de runderen voor de periode 1 mei 2015 tot 1 oktober 2015 en dat de runderen voor het overige bij [A] op stal stonden. Dit in- en uitscharen gebeurde derhalve op basis van tussen partijen gemaakte afspraken, waarbij de runderen 5/12de gedeelte van het jaar bij [C] stonden en 7/12de gedeelte van het jaar bij [A] . Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten - die [C] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen - conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.

4.8.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen niet alleen afspraken hebben gemaakt over de beperkte periode van in- en uitscharing, maar ook dat [C] heeft meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017, waarmee [A] het referentieaantal en/of doelstellingsaantal in de periode 1 en 5 voor de fosfaatreductieregeling 2017 met instemming van [C] heeft verhoogd. Dat [C] er een in redelijkheid te respecteren belang bij heeft om, anders dan om louter financiële redenen, thans zijn instemming aan de verlaging van zijn fosfaatrechten te onthouden, heeft [C] niet duidelijk gemaakt. [C] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. [C] schaart met name vee in en wel gedurende vijf maanden per jaar, waartoe de bijbehorende fosfaatrechten afdoende zouden moeten zijn. Onder de gegeven omstandigheden kan van [C] dan ook verlangd worden dat hij (opnieuw) zijn instemming verleend aan een gedeeltelijke verlaging van zijn fosfaatrechten en wel voor 7/12de deel van de 38 runderen. Dit komt overeen met (afgerond) 22 runderen. Nu [C] zijn instemming wenst te onthouden, wordt hij geacht onrechtmatig jegens [A] te handelen en zal hij worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen als na te melden.

4.9.

De voorzieningenrechter zal aan voormelde veroordeling een dwangsom verbinden. De rechter kan een hogere dwangsom opleggen dan is gevorderd (BenGH 17 december 1992, NJ 1993/545 (Colorcopy/Bisoux)). Voldoende is dat een dwangsom wordt gevorderd (BenGH 2 april 1984, NJ 1984/704 (Valois/Elit)). Nu voormelde medewerking van [C] vóór 1 april 2018 dien te geschieden zal de voorzieningenrechter aan de veroordeling hiertoe een dwangsom verbinden van € 50.000,- ineens.

4.10.

[C] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op:

- dagvaarding € 82,57

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.189,57.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gelast [C] om het formulier 'In- en uitscharen' (ex artikel 23 lid 5 van de Meststoffenwet) met betrekking tot 22 stuks rundvee die op 2 juli 2015 op het UBN van [C] geregistreerd stonden in het I&R systeem, maar eigendom waren van [A] , te ondertekenen en al het nodige te doen en te laten zodat het genoemde formulier vóór 1 april 2018 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan worden ingediend, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- indien [C] hier niet aan voldoet;

5.2.

veroordeelt [C] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op € 1.189,75;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.1

1 C: 110