Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1096

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
18/203498-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een man veroordeeld ter zake zware mishandeling tot 200 uur werkstraf en 90 dagen gevangenisstraf waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Verdachte heeft op 23 juli 2015 zwaar vuurwerk gegooid in een groep mensen tijdens de festiviteiten rond het Skutsjesylen in Langweer. Verdachte heeft daarbij géén rekening gehouden met het grote gevaar voor letsel van omstanders. Door de handelwijze van verdachte heeft een voorbijganger een dermate zware beschadiging aan zijn oor overgehouden, dat hij hier waarschijnlijk de rest van zijn leven last van zal blijven houden. Blijkens de medische verklaring is sprake van zogenaamde tinnitus, waarvan aangever tot op de dag van vandaag de fysieke en psychische nadelige gevolgen ondervindt. Verdacht zelf heeft ontkend hiervoor verantwoordelijk te zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/203498-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Klee.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende) gehoorschade/gehoorverlies en/of oorsuizen en/of concentratieproblemen, heeft toegebracht door het gooien van vuurwerk, dan wel een explosief voorwerp, naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door het gooien van vuurwerk, althans een explosief voorwerp, naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] , en/of anderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door het gooien van vuurwerk, althans een explosief voorwerp, naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende) gehoorschade/gehoorverlies en/of oorsuizen en/of concentratieverlies ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, vuurwerk, althans een explosief voorwerp, naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] , en/of anderen, heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren [slachtoffer 3] heeft mishandeld door het gooien van vuurwerk, althans een luid knallend en explosief voorwerp, naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] .

Vrijspraak

De rechtbank is, met officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte voor wat betreft het onder 1. primair, 1. subsidiair en 1. meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dit aangever [slachtoffer 2] betreft, en voor het onder 2. primair en 2. subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, nu deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De rechtbank overweegt hierbij dat naast de aangifte van [slachtoffer 2] , die tevens namens

[slachtoffer 3] aangifte heeft gedaan, geen ondersteunend bewijs in het proces-verbaal aanwezig is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten zou kunnen blijken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. primair tenlastegelegde gevorderd, voor zover dit aangever [slachtoffer 1] betreft.

Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaring van aangever [slachtoffer 1] , die verdachte heeft herkend als degene die vuurwerk heeft gegooid, wordt ondersteund door een viertal verklaringen van getuigen die onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat zij gezien hebben dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk in de richting van aangever heeft gegooid.

De officier van justitie is voorts van mening dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar is geen sprake van opzet, maar wel van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte had wellicht niet de intentie om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar hij heeft wel willens en wetens de kans aanvaard dat iemand zwaar lichamelijk letsel kon oplopen door het gooien van zwaar vuurwerk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair, 1. subsidiair en 1. meer subsidiair tenlastegelegde.

Hij heeft daartoe, voor zover dit aangever [slachtoffer 1] betreft, het navolgende aangevoerd. Verdachte is een persoon die vanwege zijn postuur/lengte opvalt in de menigte, en hij staat in het dorp bekend als een persoon die in het verleden altijd zwaar vuurwerk had. Als er dan met vuurwerk wordt gegooid, wordt verdachte, als men hem ziet staan, al snel aangewezen als degene die het vuurwerk dan wel gegooid zal hebben.

Verdachte ontkent echter met klem verantwoordelijk te zijn voor het gooien van dit vuurwerk.

Bij de stukken bevindt zich een aantal belastende getuigenverklaringen. Deze verklaringen zijn echter geruime tijd na het feit afgelegd en daarmee rijst ook de vraag in hoeverre deze verklaringen nog betrouwbaar zijn.

Daar komt nog bij dat aangever over een heel ander tijdstip verklaart waarop het feit zou hebben plaatsgevonden, dan het tijdstip waarover de getuigen verklaren. Derhalve dient vrijspraak te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt tegen aanzien van het onder 1. primair tenlastegelegde, voor zover dit aangever [slachtoffer 1] betreft, het volgende.

Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Uit het dossier volgt dat in de avond van 23 juli 2015 in de nabije omgeving van café " [naam café 1] " te [pleegplaats] een stuk zwaar vuurwerk tussen de benen van aangever [slachtoffer 1] is ontploft. Ten gevolge van de daaropvolgende knal heeft [slachtoffer 1] een permanente gehoorbeschadiging opgelopen. Aangever heeft verklaard dat hij kort na de ontploffing [verdachte] heeft gezien.

Verdachte heeft aangegeven dat hij op de betreffende avond toen het donker werd [pleegplaats] is ingegaan en om 23.00 uur bij café " [naam café 1] " is gearriveerd. Daar is hij voor het café blijven staan. [getuige 1] kwam op een gegeven moment boos op hem af. Ook [getuige 2] kwam op verdachte af en zei tegen hem dat het een hele domme actie van hem was. Verdachte heeft echter nadrukkelijk ontkend dat hij vuurwerk heeft gegooid.

Tegenover de ontkennende verklaring van verdachte staat een aantal verklaringen van getuigen die verdachte aanwijzen als degene die het vuurwerk heeft gegooid.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij rond 23.00 uur / 23.30 uur naar café " [naam café 1] " was gelopen. Aldaar aangekomen zag hij dat de hem bekende [verdachte] , verdachte, iets weggooide, wat ontplofte en een enorme knal gaf en waarvan zijn oren suisden. Getuige [getuige 1] heeft aangegeven dat hij vrij zicht had op verdachte en dat de afstand tussen hem en verdachte ongeveer 4 meter was toen deze het vuurwerk gooide. Het vuurwerk kwam terecht in een groepje waarin de hem bekende aangever [slachtoffer 1] zich bevond. De getuige heeft verdachte vervolgens aangesproken over het gooien van het vuurwerk.

De verklaring van getuige [getuige 1] wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] . Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij tussen 23.00 en 24.00 uur zag dat verdachte vuurwerk op straat gooide en dat dit een zeer harde knal gaf. De getuige had goed zicht op verdachte toen hij het vuurwerk gooide en heeft verklaard dat het zeer krachtig en gevaarlijk vuurwerk betrof .

De getuige [getuige 4] heeft gezien dat rond 23.30 uur vuurwerk werd gegooid. Zij stond op dat moment op de openbare weg voor café " [naam café 1] " en had vrij zicht op de omgeving. Zij zag verdachte, deze als oud inwoner van naam en gezicht kent, het vuurwerk gooien. Zij heeft verdachte nadien ook aangesproken op het gooien van het vuurwerk. Het betrof volgens haar zwaar vuurwerk, gelet op de enorme knal die het veroorzaakte.

De getuige [getuige 2] heeft eveneens gezien dat verdachte vuurwerk gooide en hij heeft verklaard dat hij later zag dat een persoon, die bij het groepje hoorde waar het vuurwerk tussen ontplofte, een bebloed been had en dat dit kwam door het stuk vuurwerk dat [verdachte] gooide. [getuige 2] heeft verdachte hier op aangesproken en tegen hem gezegd dat dit een hele domme actie was.

Anders dan door de raadsman is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen. Het enkele feit dat de getuigen hun verklaringen pas op een later tijdstip hebben afgelegd, maakt niet dat deze onjuist of onbetrouwbaar zouden zijn. Bovendien heeft verdachte erkend dat hij op de betreffende avond door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is aangesproken, hetgeen aansluit bij de door de getuigen afgelegde verklaringen dat zij verdachte, onmiddellijk nadat zij hem vuurwerk zagen gooien, hierop hebben aangesproken.

Weliswaar heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat het tijdstip van het incident omstreeks 22.30 uur was, maar de rechtbank is van oordeel dat dit tijdstip niet juist kan zijn. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij pas om 23.00 uur bij café " [naam café 1] " is gearriveerd en aangever heeft gezegd dat hij verdachte [verdachte] heeft zien lopen kort nadat het vuurwerk was ontploft. Voorts heeft getuige [getuige 1] aangegeven dat aangever [slachtoffer 1] zich in het groepje bevond waar het vuurwerk terecht kwam en hij heeft net als de andere getuigen verklaard dat het vuurwerk in ieder geval na 23.00 uur is gegooid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aangever [slachtoffer 1] over hetzelfde incident heeft verklaard als waarover de getuigen hebben verklaard.

De rechtbank heeft voor het overige geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever, nu hij op essentiële onderdelen consistent verklaart en hiervoor bevestiging kan worden gevonden in de afgelegde getuigenverklaringen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de aangifte en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] ,

[getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 2] , wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die op 23 juli 2015 een stuk zwaar vuurwerk heeft gegooid, waardoor

[slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het letsel van aangever is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Blijkens de medische informatie d.d. 10 september 2015 en 9 mei 2017 van dr. X. [getuige 4] , KNO-arts, is er sprake van tinnitus na lawaaitrauma, zijnde een gehoorschade waarvoor geen genezing mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onomkeerbare gehoorstoornis, waarbij blijkens deze informatie sprake is van een ernstige beperking op het functioneren van het slachtoffer, naar gewoon spraakgebruik is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van vuurwerk in de directe nabijheid van personen gemakkelijk kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel in de vorm van gehoorschade. Dit geldt te meer voor het afsteken van zwaar (illegaal) vuurwerk, zoals in het onderhavige geval.

Verdachte had wellicht niet de intentie om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar heeft door zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel kon toebrengen aan de aldaar lopende personen, door zwaar vuurwerk weg te gooien, zonder zich daarbij te bekommeren om de omstanders.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken.

Het onder 1. primair tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 maart 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 23 juli 2015 was ik bij café " [naam café 1] " in [pleegplaats] . Ik arriveerde daar na 23.00 uur. Ik ben daar niet binnen geweest, maar ben voor het café blijven staan. [getuige 1] kwam toen op een gegeven moment op mij af. Hij was boos. Ook [getuige 2] kwam op mij af en zei tegen mij dat het een domme actie van mij was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juli 2015, opgenomen op pagina 14,15 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015217605, d.d. 12 oktober 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 23 juni 2015 (lees juli) was de hoofdstraat van [pleegplaats] , de [straatnaam] , vol met mensen. Omstreeks 22.30 uur liep ik op de [straatnaam] . Ik was van plan om door de steeg te lopen om zo bij het achter terras van " [naam café 1] " te komen. Ik zag dat er een voorwerp op mij af kwam rollen. Ik liep ongeveer één meter voor de steeg. Dit voorwerp werd tussen mijn benen gegooid. Uit een reflex keek ik naar het voorwerp. Op dat moment zag ik dat het voorwerp ontplofte. Ik hoorde een hevige knal en direct daarna suisden mijn oren waarvan ik nog steeds last heb.

Door deze knal zag ik allemaal paarse, groene en gele lichtflitsen voor mijn ogen. Ik zag [verdachte] op het moment dat ik de steeg in liep. Het letsel dat ik hierdoor heb opgelopen zijn suizende oren en een wondje boven mijn rechterenkel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 september 2015, opgenomen op pagina 16, 17 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Vlak nadat het stuk vuurwerk ontplofte zag ik [verdachte] lopen. Ik herkende [verdachte] en stotterde zijn naam. Ik zag [verdachte] weglopen. Het was al wat schemerig, maar ik herkende [verdachte] .

4. Een geneeskundige verklaring, op 30 juli 2015 opgemaakt en ondertekend door Lentelink, arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Achternaam : [slachtoffer 1]

Voornamen : [slachtoffer 1]

Geboren : [geboortedatum] 1958

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel ja

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht 27 juli 2015

E. Overige van belang zijnde informatie (operaties)

Lawaaitrauma, hierdoor piep in het rechter oor.

5. Een geneeskundige verklaring, op 10 september 2015 opgemaakt en ondertekend door X.H. de Vries, KNO-arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Medische informatie betreffende :

Achternaam : [slachtoffer 1]

Voornamen : [slachtoffer 1]

Geboren : [geboortedatum] 1958

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel ja

C. Psychische stoornissen ja

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht 10 september 2015

E. Overige van belang zijnde informatie (operaties)

Lawaaitrauma met gehoorschade en tinnitus.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 september 2015, opgenomen op pagina 29 - 33 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Mijn vriendin, mijn zoon en ik zijn 23 juli 2015 naar [naam café 2] van [pleegplaats] gegaan en hebben daar wat gedronken tot ongeveer 23.00 of 23.30 uur. Toen wilden wij nog een drankje doen bij " [naam café 1] " in [pleegplaats] . Wij zijn met zijn drieën die kant opgelopen. Bij " [naam café 1] " zag ik dat een persoon iets weggooide. Ik herkende deze persoon als [verdachte] .

Ik keek naar het voorwerp wat [verdachte] weggooide en zag dat er vonken van het voorwerp afkwamen. Ik keek er na op zo'n twee meter afstand. Ik zag dat er een groepje van 6 à 7 mensen bij het voorwerp stonden. Vervolgens hoorde ik een enorme klap waar mijn oren van suisden. Ik zag en hoorde dat het voorwerp wat [verdachte] gooide was ontploft. Ik zag dat er twee jonge jongens, mijn vriendin, mijn zoon en ik en nog een paar onbekenden naar [verdachte] liepen om verhaal te halen. Iedereen was erg boos op [verdachte] omdat hij dat vuurwerk gegooid had. Ik heb nog een half glas bier op hem gegooid zo boos was ik.

V: Op een gegeven moment neemt u waar dat er vuurwerk werd gegooid. Hoe laat was dit

ongeveer?

A: Ik denk rond 23.30 uur. Het was donker, maar er was veel licht van de straatlantarens

en het licht van de kroeg van " [naam café 1] ". (…) ik had vrij zicht op [verdachte] . De afstand tussen mij en [verdachte] was ongeveer 4 meter.

V: U verklaarde dat er personen gewond waren geraakt door het vuurwerk. Hoe kunt u deze persoon omschrijven?

A: Dit was [slachtoffer 1] , die ken ik uit [pleegplaats] .

V: Om wat voor vuurwerk ging het volgens u?

A: Ik denk dat het een vlinder- of nitraatbom is geweest. Het was een enorme klap. Ik heb nog nooit z'n klap gehoord.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 september 2015, opgenomen op pagina 35 - 39 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Mijn vader [getuige 1] en zijn vriendin [naam] en ik zijn uit café " [naam café 2] " in de richting van de kroeg " [naam café 1] " gelopen. Voor deze kroeg stond [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] iets in onze richting gooide. Ik keek naar beneden naar wat er naar ons toe gegooid was. Op dat moment was er een flits en een zeer harde knal. Daarna zijn wij kwaad naar hem toegelopen. Wij hebben voor die kroeg woorden met hem gehad. Ik had goed zicht op [verdachte] op het moment dat hij vuurwerk gooide.

V: U neemt waar dat er vuurwerk wordt gegooid. Hoe laat was dit ongeveer?

A: Het is ergens tussen gebeurd tussen 23.00 en 24.00 uur.(…) ik had goed zicht op [verdachte] op het moment dat hij vuurwerk naar ons gooide.

V: Heeft u continu zicht gehad op de genoemde betrokkenen?

A: Vanaf het moment dat hij het vuurwerk naar ons toegooide niet meer, door de flits. Daarvoor had ik goed zicht op [verdachte] .

V: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de vuurwerk gooiende man met iemand anders handelde.

A: Ik weet alleen dat [verdachte] het vuurwerk gooide.

V: Wie hebben de man aangesproken?

A: Mijn vader en ik. En die maat van [verdachte] .

V: Om wat voor vuurwerk ging het volgens u?

A. Vlinderbom. Ik heb wel vaker een vlinderbom gezien en de flits die daar vanaf kwam. Dat was gelijk aan wat ik zag in [pleegplaats] .(…) het was zeer krachtig en gevaarlijk vuurwerk.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

9 oktober 2015, opgenomen op pagina 40 - 43 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

V: Wat heeft u op de bewuste avond waargenomen?

A: Dat [verdachte] iets in het publiek gooide. En dit 'iets' veroorzaakte een enorme knal. Ik had geheel vrij zich op het incident.

V: Hoe hebt u vervolgens gehandeld?

A: Ik ben naar [verdachte] gelopen en ik heb hem ter verantwoording geroepen.

V: U neemt waar dat er vuurwerk werd gegooid. Hoe laat was dit ongeveer?

A: Omstreeks 23.30 uur.

V: Waar vond het incident plaats?

A: Voor " [naam café 1] ".

V: Hoeveel meter zat hier volgens u ongeveer tussen?

A: Ongeveer drie meter.

V: In hoeverre had u vrij zicht op het incident?

A: Ik had vrij zicht.

V: U verklaarde dat er personen gewond waren geraakt door het vuurwerk.

A: Een man die voor mij liep kreeg het vuurwerk tussen zijn benen.

V: Om wat voor vuurwerk ging het volgens u?

A: Zwaar vuurwerk.

V: Waarop baseert u dit?

A: Door de enorme knal.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 oktober 2015, opgenomen op pagina 51, 52 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Op 23 juli 2015 was ik in [pleegplaats] . Ik heb in een tent aan de [straatnaam] een biertje gedronken. Op een gegeven moment zie ik een man een stuk vuurwerk tussen een groep mensen gooien. Ik zag dat [verdachte] uit [pleegplaats] het stuk vuurwerk gooide. Ik zag, hoorde en voelde dat de knal van het vuurwerk enorm was. Ik zag gelijk dat de personen waar tussen het vuurwerk ontplofte boos werden en op [verdachte] afstormden. Ik heb [verdachte] aangesproken en gezegd dat dit een hele domme actie was. Ik ken [verdachte] en weet zeker dat hij het vuurwerk gooide. Ik zag een persoon die een bebloed been had. Deze man vertelde mij dat dit door het vuurwerk kwam.

10. Een schriftelijk stuk, te weten een als bijlage 2 bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevoegd specialistenbericht, afkomstig van X.H. de Vries, KNO-arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

[slachtoffer 1]

Bovengenoemde patiënt werd op 10 september 2015 gezien op de polikliniek KNO.

Reden van verwijzing:

Graag uw onderzoek en advies bij patiënt met oorsuis rechts na geluidstrauma.

Anamnese:

6 weken geleden vuurwerk tussen benen en enorme ontploffing

Sindsdien hoge toon rechts. Progressie over de dag met concentratieproblemen.

Gehooronderzoek: er is sprake van een perceptief verlies.

Uitslag gehoor onderzoek: asymmetrie 4000 Hz tnv rechts

Samenvatting en conclusie:

Tinnitus na lawaaitrauma.

11. Een schriftelijk stuk, te weten een als bijlage 2 bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevoegd specialistenbericht d.d. 9 mei 2017, afkomstig van X.H. de Vries, KNO-arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

[slachtoffer 1] .

Bovengenoemde patiënt werd op 4 mei 2017 gezien op de polikliniek KNO in verband met vervolgtinnitus.

Anamnese:

Patiënt is helemaal stuk gedurende de dag en moet tussendoor slapen.

Gehoor rechts minder; Lawaaitrauma gehad in juni 2015.

Conclusie: Tinnitus bij perceptief verlies na lawaaitrauma 2015.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair:

hij op 23 juli 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Fryske Marren, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende gehoorschade/gehoorverlies en oorsuizen en concentratieproblemen, heeft toegebracht door het gooien van vuurwerk naar/in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Primair: Zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 200 uur werkstraf subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit, in geval van een bewezenverklaring, voor oplegging van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte voorlichtingsrapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door zwaar vuurwerk in een groep mensen te gooien tijdens de festiviteiten rond het Skutsjesylen in [pleegplaats] . Verdachte heeft daarbij géén rekening gehouden met het grote gevaar voor letsel van omstanders. Door de handelwijze van verdachte heeft [slachtoffer 1] een dermate zware beschadiging aan zijn oor overgehouden, dat hij hier waarschijnlijk de rest van zijn leven last van zal blijven houden. Blijkens de medische verklaring is sprake van zogenaamde tinnitus, waarvan aangever tot op de dag van vandaag de fysieke en psychische nadelige gevolgen ondervindt.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de ouderdom van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht bij haar beoordeling betrokken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Het handelen van verdachte heeft bovendien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge gehad.

Daarom is op grond van artikel 22b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, de oplegging van een taakstraf in beginsel uitgesloten, met dien verstande dat een taakstraf wel opgelegd kan worden in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende acht de rechtbank de oplegging van de door de officier van justitie gevorderde 200 uren taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden.

De rechtbank zal echter, gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte een gevangenisstraf van 90 dagen opleggen waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.459,74 ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Tevens wordt een bedrag van € 2.192,24 ter zake buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 18.651,98. De officier van justitie vordert tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vanwege de door hem bepleite vrijspraak verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Subsidiair heeft de raadsman eveneens verzocht tot niet ontvankelijkverklaring, gelet op het feit dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces, nu de gestelde posten ter zake "verlies aan arbeidsvermogen" en "immateriële schade" onvoldoende onderbouwd zijn.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze materiële schade, bestaande uit de schadeposten "Eigen risico ad € 375,--; Reis- en parkeerkosten ad € 37,26; "Kleding en overig" ad € 84,74, zijnde in totaal € 497,-- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding ad € 6.000,-- van oordeel dat deze voldoende aannemelijk is geworden en voor toewijzing vatbaar is. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat zij met betrekking tot het deel van de verzochte schadevergoeding betrekking hebbende op "Verlies aan arbeidsvermogen" ad € 10.000,-- over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan.

De rechtbank zal dat deel van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan voor wat betreft dat deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht derhalve de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar tot een bedrag van € 6.497,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

23 juli 2015.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015.

Voorts wordt een bedrag van € 2.192,24 ter zake buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de proceskosten, die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

De rechtbank zal daarbij aansluiten bij het liquidatietarief in rechtbankzaken. Aan de hand daarvan waardeert de rechtbank de door de advocaat verrichte werkzaamheden op 1 punt, namelijk voor het indienen van de vordering van de benadeelde partij.

Aan de hand van het liquidatietarief, passend bij de hoogte van de door de rechtbank toegewezen schade, komt de rechtbank uit op een bedrag van € 384,--. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een hogere vergoeding rechtvaardigen. Dit brengt met zich mee dat de gevorderde advocaatkosten voor het overige in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 384,-- en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 610,75 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot niet ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, gelet op de door hem gevorderde vrijspraak.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, eveneens gepleit voor niet ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair (voorzover dit [slachtoffer 2] betreft), 1. subsidiair (voor zover dit [slachtoffer 2] betreft) en 1. meer subsidiair (voor zover dit

[slachtoffer 2] betreft) en 2. primair en 2. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 89 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.497,-- (zegge: zesduizendvierhonderdzevenennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op

€ 384,--.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 6.497,-- (zegge: zesduizendvierhonderd-zevenennegentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 67 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 497,-- aan materiële schade en € 6.000,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. C.A.J. Tuinstra en

mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2018.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.