Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1094

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
LEE 17/1910
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Onderzoek naar behoeften en voorkeurig is zorgvuldig en volledig geweest. Verweerder heeft het aantal uren voldoende onderbouwd. Rapport medisch adviseur zorgvuldig geen twijfel aan deskundigheid van de medisch adviseur. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803), had de tariefdifferentiatie vastgelegd moeten worden in de Verordening. Het college is niet bevoegd om nadere regels vast te stellen in het Financieel besluit, nu artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt. Onderscheid tussen formele en informele zorg. Verweerder had dienen te onderzoeken of eiser daadwerkelijk in zijn specifieke situatie met het tarief van 25% de benodigde zorg kan inkopen bij zijn echtgenote en dat zij die door eiser benodigde zorg ook op adequate wijze kan leveren. Er gelet de maatwerkgedachte. Van belang daarbij is dat op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 zorgvuldig dient te worden onderzocht of het te bereiken resultaat, waaronder het waarborgen van de zelfredzaamheid en de participatie, met het toegekende pgb kan worden behaald. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. verweerder heeft de voorzieningen niet in de vorm van een pgb hoeven te verstrekken. Niet gesteld of gebleken is dat met zorg in natura geen passende ondersteuning kan worden ingekocht bij in dit geval zorgaanbieder. Volgt vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1910

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, verweerder

(gemachtigde: J. van Weperen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een voorziening begeleiding individueel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een voorziening begeleiding individueel op grond van de Wmo 2015.

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken LEE 17/1908 JW, 17/3725 JW,

LEE 17/1909 WMO en 18/87 WMO, plaatsgevonden op 12 december 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verschenen is [moeder en echtgenote] (moeder van [naam zonen] en echtgenote van eiser). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door I. Jongsma. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaak LEE 17/1910 WMO wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. Bij brief van 8 maart 2018 is partijen bericht dat de rechtbank uiterlijk op 3 april 2018 uitspraak doet.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser, geboren op 9 september 1965, heeft een ernstige stoornis in het autisme spectrum en een aandachtstoornis van voornamelijk het onoplettende type. Hij is in 1999 door een psychiater gediagnosticeerd met ADD en PDD-NOS, hetgeen in 2010 is bevestigd door een andere psychiater. Bij eiser is sprake van duurzame beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Hij heeft moeite met het aanbrengen van een (dag)structuur in zijn leven en kan moeilijk tot niet plannen en organiseren. Eiser had een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van het Centrum Indicatiestelling Zorg voor begeleiding individueel, klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week) voor de periode 5 juli 2011 tot

4 juli 2026, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2.

Bij besluit van 23 december 2015 heeft verweerder de indicatie voor begeleiding individueel voor 4 uur per week in de vorm van een pgb verlengd van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016. De zorgverlener is [naam zorgverlener] de echtgenote van eiser. Aan de besluitvorming ligt een rapportage van 24 december 2015 ten grondslag.

1.3.

Bij besluit van 1 maart 2016 heeft verweerder besloten de indicatie voor begeleiding individueel ambtshalve te verlengen tot 1 juli 2016 in afwachting van heronderzoek. Hieraan ligt een rapportage Wmo van 26 februari 2016 ten grondslag. Bij besluit van 23 juni 2016 heeft verweerder de indicatie nogmaals ambtshalve verlengd tot en met 31 juli 2016 in afwachting van een definitieve beslissing.

1.4.

Namens eiser is bij verweerder een aanvraag ingediend om verlenging van het eerder toegekende pgb. In het kader van die aanvraag is een rapport van SCIO van 13 mei 2016 opgesteld. In dat rapport heeft de medisch adviseur geadviseerd om begeleiding individueel te verstrekken in de vorm van een pgb voor 4,5 uur per week, bestaande uit 3,5 uur per week om tijd te besteden aan planning en beheren van de dagelijkse agenda en aansturing in activiteiten (uitgevoerd door de echtgenote) en 1 uur per week om tijd te besteden aan het activeren en het uitbreiden van de dagbesteding (uitgevoerd door [naam zorgaanbieder] . Naar aanleiding van het SCIO-rapport heeft op 15 juni 2016 een gesprek met eiser en zijn ouders plaatsgevonden. De bevindingen van het gesprek zijn neergelegd in een rapportage WMO (rapportage) van 22 juni 2016.

1.5.

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel toegekend op grond van de Wmo 2015 voor 3 uur en 30 minuten per week gedurende de periode van 1 augustus 2016 tot en met 31 juli 2018 in de vorm van een pgb. Aan dit besluit liggen een adviesrapport van SCIO van 13 mei 2016 en een rapportage WMO van 12 juli 2016 ten grondslag.

1.6.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel toegekend op grond van de Wmo 2015 voor 4 uur per week gedurende de periode van 1 augustus 2016 tot en met 31 juli 2018 in de vorm van zorg in natura. De zorg in natura wordt geleverd door Plus Boerderij.

1.7.

Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en 2. In het kader

van de bezwaarprocedure heeft op 18 januari 2017 een besloten hoorzitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften (commissie) geoordeeld dat het onderzoek onvolledig is geweest en dat uit de primaire besluiten 1 en 2 onvoldoende blijkt welke keuzes en afwegingen tot de indicaties hebben geleid, zodat zij niet kan beoordelen of de omvang van de indicaties toereikend is. Volgens de commissie dient de beoordeling of de indicaties toereikend zijn plaats te vinden door een deskundige, zoals het SCIO of een medewerker van de gemeente die terzake deskundig is. Verweerder kan volgens de commissie de gebreken in de primaire besluiten herstellen door aanvullend onderzoek te doen. Daarnaast heeft de commissie verweerder geadviseerd eventuele overgelegde bewijsstukken omtrent cursussen/scholing te betrekken bij het besluit op bezwaar.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met gedeeltelijke overneming van het advies van de commissie, de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten 1 en 2 gehandhaafd.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op de gronden die eiser daartoe aanvoert, zal hierna worden ingegaan.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Over de beroepsgrond dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden door in het bestreden besluit in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen motivering te geven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie, overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de reden voor de (gedeeltelijke) afwijking van het advies van de commissie niet heeft vermeld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Van belang daarbij is dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting alsnog de redenen voor de afwijking van het advies van de commissie heeft gemotiveerd. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om hierop te reageren en heeft van die mogelijkheid ter zitting ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Hoewel de beroepsgrond terecht is voorgedragen, verbindt de rechtbank daaraan geen consequenties.

5. Inhoudelijk is in geschil of verweerder de behoeften en voorkeuren van eiser zorgvuldig in kaart heeft gebracht. Niet in geschil is dat eiser dusdanige beperkingen heeft dat hij onder meer begeleiding individueel behoeft. Hierin wordt - al jaren - voor een deel voorzien door eisers echtgenote.

5.1.

Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 en tevens met artikel 3:2 van de Awb, omdat zijn behoeften en voorkeuren door verweerder niet zorgvuldig in kaart zijn gebracht.

Verweerder stelt daar tegenover dat het onderzoek naar de behoeften en voorkeuren van eiser zorgvuldig is geweest.

5.2.

Op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 dient verweerder de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt te onderzoeken.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van verweerder naar de behoeften en voorkeuren van eiser zorgvuldig en volledig is geweest. De medisch adviseur van SCIO Consult heeft op 21 maart 2016 en 29 april 2016 een huisbezoek bij eiser afgelegd, waarbij eisers echtgenote en (wijlen) zorgverlener [zorgverlener] aanwezig waren. De medisch adviseur heeft de behoeften en voorkeuren van eiser samen met eiser in kaart gebracht, zoals dat blijkt uit het rapport van 13 mei 2016. Zij stelt in haar rapport dat bij eiser sprake is van een ernstige stoornis in het autisme spectrum en een aandachtstoornis van voornamelijk het onoplettende type. Van belang daarbij is dat uit het rapport blijkt dat de medisch adviseur de medische informatie van het Antonius Ziekenhuis van 25 mei 2010 van psychiater Den Daas bij haar beoordeling heeft betrokken. Niet gebleken is dat het door de medisch adviseur verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest, zoals eiser heeft gesteld. Objectieve en verifieerbare (medische) gegevens die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, heeft eiser niet overgelegd. De enkele stelling van eiser dat het onderzoek naar de behoeften en voorkeuren van eiser onzorgvuldig is geweest, slaagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiser niet concreet heeft aangegeven wat er aan de vaststelling van de behoeften en voorkeuren door de medisch adviseur schort. Nu de medisch adviseur zorgvuldig onderzoek heeft verricht en sprake is van een objectief deskundigenonderzoek, heeft verweerder het rapport aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Evenmin zijn in beroep nadere (medische) stukken ingediend, maar is het gebleven bij de stelling dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het standpunt van eiser dat uit het rapport niet blijkt welke specifieke deskundigheid de medisch adviseur heeft, treft geen doel. Nog in het midden gelaten dat de stelling van eiser een onderbouwing mist, ziet de rechtbank geen reden om aan de deskundigheid van de medisch adviseur te twijfelen voor het vaststellen van de behoeften en voorkeuren van eiser. Nu de medisch adviseur zorgvuldig onderzoek heeft verricht en sprake is van een objectief deskundigenonderzoek, heeft verweerder het rapport aan het bestreden besluit 1 ten grondslag kunnen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat met de toegekende 3 uur en

30 minuten per week voor begeleiding individueel geen recht wordt gedaan aan de uitgebreide bovengebruikelijke ondersteuning die zijn echtgenote hem dagelijks moet bieden om zijn zelfredzaamheid en participatie zo goed mogelijk te waarborgen, overweegt de rechtbank als volgt.

6.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB 2016:1402) vloeit uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 voort dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzen van de raad en -binnen de daarvoor gestelde grenzen- het college voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst. Daar waar het om maatwerkvoorzieningen gaat, vindt deze vrijheid in ieder geval een grens in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.

6.2.

Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op basis van het rapport van 13 mei 2016, de bevindingen tijdens het gesprek met eiser van 15 juni 2016 en de rapportage van 12 juli 2016 aan eiser een maatwerkvoorziening begeleiding individueel heeft toegekend voor

3 uur en 30 minuten per week in de vorm van een pgb, uitgevoerd door de echtgenote van eiser, en daarnaast individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura, uitgevoerd door zorgaanbieder Plus Boerderij, opgehoogd naar 4 uur per week om eiser in staat te stellen aan de gestelde doelen te werken. Het bij het primaire besluit 1 vastgestelde aantal geïndiceerde uren voor begeleiding individueel komt overeen met het advies van de medisch adviseur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de omvang van de voor eiser benodigde voorzieningen, in het licht van de zorgvuldig onderzochte behoeften en voorkeuren, voldoende vastgesteld. Van belang daarbij is dat verweerder met het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd rapport van 13 mei 2016 het aantal uren voldoende heeft onderbouwd. De medisch adviseur heeft in haar rapport samen met de adviseur overtuigend en navolgbaar uiteengezet hoeveel uren dienen te worden ingezet om de daarin beschreven doelen te bereiken. Er is geen reden dit medisch oordeel voor onjuist te houden. Het is aan eiser om aan te tonen waarom het door verweerder vastgestelde aantal uren onvoldoende is en in zijn situatie meer uren voor begeleiding individueel per week nodig zijn. Eiser is hierin niet geslaagd. Daartoe is van belang dat eiser in beroep geen medisch objectieve gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan het aantal geïndiceerde uren voor begeleiding individueel. De enkele stelling van eiser dat er meer uren per week nodig zijn, slaagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Derhalve ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanwijzing dat verweerder het aantal uren niet juist heeft vastgesteld. Hierbij komt dat blijkens de gronden van beroep niet zozeer het aantal aan de echtgenote toegekende uren wordt betwist, maar het toegekende pgb. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser in ieder geval zo, dat zijn echtgenote door het in zijn ogen te lage pgb niet langer de nodige flexibiliteit in de te leveren zorg kan aanbrengen. De beroepsgrond slaagt niet.

6.4.

Over de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet aan de hand van objectieve criteria inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de ondersteuning die de echtgenote van eiser aan hem biedt (grotendeels) gebruikelijk zou zijn, overweegt de rechtbank dat dit geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. In dit besluit is daartoe overwogen dat het aannemelijk is dat de echtgenote van eiser ook algemeen gebruikelijke ondersteuning biedt die niet samenhangt met zijn psychische aandoeningen. Volgens verweerder is de maatwerkvoorziening individuele begeleiding van eiser thuis, uitgevoerd door zijn echtgenote, bedoeld voor het aantal geïndiceerde uren, noodzakelijk vanwege zijn psychische aandoeningen; de normaal in acht te nemen zorg valt daar buiten. In het verweerschrift heeft verweerder ter verduidelijking uiteengezet dat er geen sprake van is dat een deel van de ondersteuning moet worden ingevuld met gebruikelijke hulp in de zin van de Wmo 2015. Ter zitting heeft verweerder in dat verband toegelicht dat gebruikelijke zorg, gelet op de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening, niet aan de orde is. Nu niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd dat een deel van de ondersteuning die de echtgenote aan eiser biedt gebruikelijk is, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de beroepsgrond van eiser.

7. Over de beroepsgrond dat de tariefdifferentiatie in de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Weststellingwerf 2015 (Verordening) zelf moet zijn opgenomen en dat delegatie daarvan aan het college niet is toegestaan, overweegt de rechtbank als volgt.

7.1.

In de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803) is tot uitdrukking gebracht dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de Verordening dienen te worden vastgelegd. De in dit beroep aan de orde zijnde tariefdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Hieruit volgt dat nadere regels hierover en over de wijze waarop het pgb moet worden vastgesteld door de raad in een Verordening hadden moeten worden vastgelegd. Dat is in dit geval niet gebeurd, nu verweerder deze regels in het Financieel Besluit heeft vastgelegd, terwijl de Wmo 2015 daarvoor geen juridische grondslag biedt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook niet rechtmatig genomen.

7.2.

In het verweerschrift en ter toelichting op de zitting heeft verweerder uiteengezet dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning Weststellingwerf 2018 (Verordening 2018) in werking zal treden op 1 januari 2018. De rechtbank stelt vast dat de Verordening geen terugwerkende kracht heeft, zodat het hiervoor geconstateerde bevoegdheidsgebrek hiermee niet is hersteld nu het bestreden besluit ziet op een periode vóór 1 januari 2018.

7.3.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toe kan komen aan de vraag of verweerder op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de tariefdifferentiatie zoals die nu is neergelegd in de Verordening en in het Financieel Besluit en evenmin aan de vraag of het voorheen geldende Financieel Besluit voor wat betreft de tariefdifferentiatie redelijk is. Het Financieel Besluit heeft immers in verband met het hiervoor geconstateerde bevoegdheidsgebrek op dit punt geen geldige werking. Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit ook inhoudelijk onjuist is. Hoewel verweerder het bestreden besluit ten onrechte op de toen geldende Verordening en het Financieel Besluit heeft gebaseerd, staat er naar het oordeel van de rechtbank namelijk niets aan in de weg om het door verweerder toegepaste tarief rechtstreeks op de Wmo 2015 te baseren.

8. De Wmo 2015 bepaalt in het derde lid van artikel 2.3.5 dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. Uitgangspunt is dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

8.1.

Ter beoordeling ligt voor of het door verweerder gehanteerde tarief van 25% en het daarbij behorende uurtarief van € 10,20, zijnde het tarief dat geldt voor het sociale netwerk, passend en toereikend zijn om dit te bereiken.

8.2.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen professioneel tarief heeft toegekend voor de begeleiding die zijn echtgenote aan hem verleent. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst eiser erop dat zijn echtgenote ruime werkervaring heeft en beschikt over diploma’s.

Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat de echtgenote behoort tot het sociale netwerk van eiser en dat daarom voor de voorziening begeleiding individueel een pgb-tarief van 25% van het tarief van de ingekochte individuele voorziening zorg in natura passend is.

8.3.

De rechtbank acht voor de vraag of het onderscheid tussen formele en informele zorg niet in strijd komt met artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 van belang of eiser met het van de zorg in natura afgeleide tarief van 25% in staat is, dan wel is gesteld, de (benodigde) zorg in te kopen die in zijn specifieke situatie passend en kwalitatief verantwoord is. Ofschoon verweerder bij het bepalen van de hoogte van het pgb in beginsel mag uitgaan van tarieven die zijn gebaseerd op de gemiddelden van de kosten van de zorg in natura, in dit geval 75% van het voor zorg in natura geldende tarief, is verweerder wel gehouden om te onderzoeken of (de hoogte van) het tarief toereikend is om de begeleiding individueel te kunnen bekostigen. Niet gebleken is dat dat onderzoek door verweerder is verricht. In het geval van eiser had verweerder dus dienen te onderzoeken of eiser daadwerkelijk in zijn specifieke situatie met het tarief van 25% de benodigde zorg kan inkopen bij zijn echtgenote en dat zij die door eiser benodigde zorg ook op adequate wijze kan leveren. Dat, naar verweerder stelt, de echtgenote tot het sociale netwerk behoort, laat onverlet dat verweerder gehouden is onderzoek te doen en maatwerk dient te leveren. Van belang daarbij is dat op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 zorgvuldig dient te worden onderzocht of het te bereiken resultaat, waaronder het waarborgen van de zelfredzaamheid en de participatie, met het toegekende pgb kan worden behaald. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder dient derhalve nader te motiveren waarom in het specifieke geval van eiser het gehanteerde tarief van 25% en het daarbij behorende bedrag van € 10,20 passend en toereikend zijn. Daarbij dient verweerder te betrekken dat de echtgenote van eiser relevante werkervaring heeft en over diploma’s en certificaten beschikt, die bij de aanvullende gronden van beroep zijn gevoegd, en tevens acht te slaan op de complexe gezinssituatie. Daarbij geldt dat, hoewel een pgb geen inkomensvoorziening is, bij de vaststelling van het tarief van belang kan zijn of hiervoor de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Als bijvoorbeeld uit onderzoek is gebleken dat de benodigde zorg door de echtgenote verleend moet worden, maar dat dit door het lage budget niet kan (de echtgenote kan bijvoorbeeld betaald werk niet combineren met het verlenen van de noodzakelijke zorg) kan dit een aspect zijn dat bij de beoordeling moet worden betrokken.

9. Over de beroepsgrond van eiser dat de bij het primaire besluit 2 toegekende voorzieningen ten onrechte zijn verstrekt in zorg in natura bij zorgaanbieder Plus Boerderij, terwijl gemotiveerd is verzocht om toekenning in de vorm van een pgb, overweegt de rechtbank als volgt.

9.1.

Artikel 2.3.6, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat een pgb wordt verstrekt indien de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen.

9.2.

Volgens de memorie van toelichting bij artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 is zorg in natura het uitgangspunt (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 152). Indien de belanghebbende verlening van een pgb wenst, moet hij motiveren waarom een pgb een passende vorm van ondersteuning is; niet waarom zorg in natura niet passend is (Kamerstukken I 2013/14, 33 841, G, p. 28). Dat, zoals eiser betoogt, met een pgb gemakkelijker kan worden geschoven tussen verschillende professionele en niet-professionele zorgverleners, betekent niet dat daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Met het kunnen schuiven tussen verschillende zorgverleners, is naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd dat met een pgb een meer passende vorm van ondersteuning kan worden geleverd dan bij zorg in natura. Niet gesteld of gebleken is dat met zorg in natura geen passende ondersteuning kan worden ingekocht bij in dit geval zorgaanbieder Plus Boerderij. In de omstandigheid dat eiser, naar hij stelt, met een pgb op een flexibeler wijze zorg bij een eigen zorgaanbieder kan inkopen, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om eiser toch een pgb te verstrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Uit wat in 7.1 en 8.3 is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb in verbinding met de artikelen 2.1.3, tweede lid, en 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden zijn. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder voor het nieuw te nemen besluit op bezwaar een termijn stellen van acht weken.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. K. Wentholt en

mr. D.W.J. Vinkes, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.