Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1092

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
LEE 17/1908 en LEE 17/3725
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Verweerder heeft zorgvuldig onderzoek gedaan naar de hulpvraag en de opgroei- en opvoedingsproblemen. verweerder heeft ook de aard en omvang van de jeugdhulp zorgvuldig in kaart gebracht. Met het SCIO-rapport van 13 mei 2016 heeft verweerder het aantal uren voldoende onderbouwd. Niet aangetoond is dat er meer uren nodig zijn.

Verweerder heeft niet, althans onvoldoende, onderzocht in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders in dat verband toereikend zijn. Dat geldt ook voor de draagkracht en overbelasting van de moeder. Hoewel een pgb geen inkomensvoorziening is, dient in het individuele geval wel te worden onderzocht welke consequenties een verlaging van het pgb tot gevolg heeft.

De tariefdifferentiatie. De essentialia van het voorzieningenpakket moet in de Verordening worden opgenomen. De rechtbank heeft hiervoor verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en acht wat daar in het kader van de Wmo 2015 in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, van gelijke toepassing op de Jeugdwet. Er staat echter niets aan in de weg om het door verweerder toegepaste tarief rechtstreeks op de Jeugdwet te baseren. Het onderscheid tussen formele en informele zorg komt niet in strijd met artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Verweerder heeft niet onderzocht of met het pgb en het tarief van 25% de benodigde zorg kan worden ingekocht. Ofschoon een pgb geen inkomensvoorziening is, kan bij de vaststelling van het tarief van belang zijn of hiervoor de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien de voorzieningen in de vorm van een pgb in plaats van zorg in natura toe te kennen. Bestreden besluit 1 is vernietigd omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. Bestreden besluit 2 voldoet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/1908 en LEE 17/3725

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2018 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door [naam moeder] (de moeder van eiser)

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, verweerder

(gemachtigde: J. van Weperen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een voorziening op grond van de Jeugdwet.

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een voorziening op grond van de Jeugdwet.

Bij besluit van 2 augustus 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet.

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer LEE 17/1908 JW.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 juni 2017 – en nadien gewijzigd bij besluit van 23 juni 2017 (het bestreden besluit 2) – heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een aantal voorzieningen op grond van de Jeugdwet.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift van 23 juli 2017 heeft eiser verweerder verzocht om op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te stemmen met rechtstreeks beroep. Bij brief van 1 augustus 2017 heeft verweerder ingestemd met rechtstreeks beroep. Het bezwaarschrift is daarom door de rechtbank als beroepschrift in behandeling genomen onder procedurenummer LEE 17/3725 JW.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken met nummers LEE 17/3725 JW,
LEE 17/1909 WMO, 18/87 WMO en LEE 17/1910 WMO, plaatsgevonden op 12 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door

I. Jongsma, consulent. Verder is verschenen [naam moeder] (moeder van [naam zonen] en echtgenote van [naam echtgenoot] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken LEE 17/1908 JW en LEE 17/3725 JW wordt één uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd. Bij brief van 8 maart 2018 is partijen bericht dat de rechtbank uiterlijk op 3 april 2018 uitspraak doet.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser, geboren op 6 maart 2003, is in 2007 gediagnosticeerd met ADHD en PDD-NOS door R. ter Haar, kinder- en jeugdpsychiater. Eiser heeft gedragsproblemen: hij leeft erg in zijn eigen wereldje, kan slecht luisteren en maakt moeilijk oogcontact. Verder reageert hij primair en impulsief zonder de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Hij dient voortdurend begeleid en aangestuurd te worden. Daarnaast is er altijd toezicht nodig, zowel thuis als op school (speciaal onderwijs), om te voorkomen dat hij tot onverantwoorde handelingen komt. Het Bureau Jeugdzorg Friesland heeft hem in verband daarmee bij besluit van 20 maart 2014 geïndiceerd voor zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor de periode van 29 maart 2014 tot en met 28 maart 2016. Deze indicatie voorzag in individuele begeleiding, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week), begeleiding in een groep, klasse 2 (2 dagdelen per week) en kortdurend verblijf, klasse 1 (2 etmalen per week).

1.2.

Bij besluiten van 21 oktober 2015 en 26 februari 2016 heeft verweerder het persoonsgebonden budget (pgb) ambtshalve verlengd tot respectievelijk 1 mei 2016 en 1 juli 2016. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 juni 2016 het pgb nogmaals ambtshalve verlengd tot en met 31 juli 2016.

1.3.

Namens eiser is bij verweerder een aanvraag ingediend om verlenging van het eerder toegekende pgb. In het kader van die aanvraag is een rapport van SCIO van 13 mei 2016 opgesteld. In dat rapport heeft de medisch adviseur geadviseerd om begeleiding individueel voor 10 uur per week te verstrekken, bestaande uit 7 uur per week, uit te voeren door de moeder van eiser, in de vorm van een pgb en 3 uur begeleiding individueel per week, uit te voeren door een professional, in de vorm van een pgb. Daarnaast is geadviseerd om begeleiding groep te verstrekken, bestaande uit 2 dagdelen per week inclusief vervoer en kortdurend verblijf in de vorm van een pgb, bestaande uit 1 etmaal per week plus

10 etmalen verdeeld over het jaar (schoolvakanties). Naar aanleiding van het SCIO-rapport heeft op 15 juni 2016 een gesprek plaatsgevonden met de ouders van eiser. De bevindingen van het gesprek zijn neergelegd in een rapportage Jeugd (rapportage) van 22 juni 2016.

1.4.

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder eiser met ingang van 1 augustus 2016 tot en met 31 juli 2018 in aanmerking gebracht voor een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet, bestaande uit 7 uur individuele begeleiding per week, in de vorm van een pgb tegen het tarief dat geldt voor het sociale netwerk.

1.5.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder eiser met ingang van 1 augustus 2016 tot 31 juli 2018 in aanmerking gebracht voor een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet, bestaande uit 9 uur specialistische begeleiding individueel per 4 weken, in de vorm van een pgb tegen het tarief dat geldt voor een gekwalificeerde hulpverlener.

1.6.

Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder eiser op grond van de Jeugdwet in aanmerking gebracht voor de jeugdhulpvoorzieningen, bestaande uit:

1. Logeren zwaar 2 etmalen per 4 weken over de periode 1 augustus 2016 tot en met

31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

2. Logeren zwaar in de schoolvakanties 10 etmalen over de looptijd periode 1 augustus

2076 tot en met 31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] .

3. Begeleiding individueel 17 uren per 4 weken over periode 1 augustus 2016 tot en met

31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

4. Specialistische begeleiding 6 uren per 4 weken over periode 1 augustus 2016 tot en met

31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

5. Begeleiding individueel tijdens schoolvakanties 50 uren binnen de looptijd periode

1 augustus 2016 tot en met 31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] .

6. Vervoer dagondersteuning 20 maal binnen de looptijd periode 1 augustus 2016 tot en met

31 januari 2017, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

7. Logeren zwaar 1 etmaal per 2 weken over periode 1 augustus 2016 tot en met 31 juli

2018, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder 2] ’.

8. Vervoer dagondersteuning 2 maal per etmaal (weekend)logeren over periode 1 augustus

2016 tot en met 31 juli 2018, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder 2] ’.

1.7.

De onder 1.6 genoemde voorzieningen zijn aan eiser verstrekt in de vorm van zorg in natura.

1.8.

Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3. In het kader

van de bezwaarprocedure heeft op 18 januari 2017 een besloten hoorzitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften (commissie) geconcludeerd dat het onderzoek onvolledig is geweest en dat uit de primaire besluiten 1, 2 en 3 onvoldoende blijkt welke keuzes en afwegingen tot de indicaties hebben geleid. Volgens de commissie dient de beoordeling of de indicaties toereikend zijn plaats te vinden door een deskundige, zoals het SCIO of een medewerker van de gemeente die terzake deskundig is. Verweerder kan volgens de commissie de gebreken in de primaire besluiten herstellen door aanvullend onderzoek te doen.

2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder, met gedeeltelijke inachtneming van het advies van de commissie, de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten 1, 2 en 3 gehandhaafd.

3. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder eiser op grond van de Jeugdwet in aanmerking gebracht voor de volgende voorzieningen:

1. Logeren zwaar, 51 etmalen totaal over de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 juli 2018, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

2. Begeleiding individueel, 497 uren totaal over de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 juli 2018, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

3. Vervoer dagondersteuning, 63 x totaal over de periode van 1 februari 2017 tot en met

31 juli 2018, uitgevoerd door zorgaanbieder ‘ [naam zorgaanbieder] ’.

4. De onder 3 genoemde voorzieningen zijn aan eiser verstrekt in de vorm van zorg in natura.

5. Eiser kan zich met de bestreden besluiten 1 en 2 niet verenigen. Op de gronden die eiser daartoe aanvoert, zal hierna worden ingegaan.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1 (LEE 17/1908 JW)

6.1.

Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden door in het bestreden besluit in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb niet te motiveren waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit 1 – zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend – de reden voor de afwijking van het advies van de commissie niet heeft vermeld. Het bestreden besluit 1 is in zoverre in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, welk artikellid bepaalt dat, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in die beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Van belang daarbij is dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting alsnog de redenen voor de afwijking van het advies van de commissie afdoende heeft gemotiveerd. Daarmee is het gebrek gerepareerd. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om hierop te reageren en heeft van die mogelijkheid ter zitting ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. De beroepsgrond slaagt, maar leidt niet tot het gewenste resultaat.

6.3.

Niet in geschil is dat eiser dusdanige beperkingen heeft dat hij onder meer begeleiding individueel behoeft. Hierin wordt - al jaren - voor een deel voorzien door eisers moeder. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder heeft voldaan aan de uit artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet voortvloeiende onderzoeksplicht.

6.4.

Eiser voert aan dat het onderzoek door verweerder niet zorgvuldig is geweest.

Verweerder stelt daar tegenover dat advies is ingewonnen bij zowel het SCIO als bij derde hulpverleners en dat tevens gesprekken zijn gevoerd met het gezin. Van onzorgvuldig onderzoek is volgens verweerder geen sprake.

6.5.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2017

(ECLI:NL:CRVB:2017:1477), kort gezegd, geoordeeld dat voor de beoordeling van een verzoek om jeugdhulp verweerder eerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouders is, waarna de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen in kaart moeten worden gebracht. Vervolgens moet worden vastgesteld welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Ten slotte gaat verweerder na of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Daarbij heeft te gelden dat het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist en dat een specifiek deskundig oordeel en advies niet zal mogen ontbreken.

6.6.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit 1 mede heeft gebaseerd op het advies van de medisch adviseur van SCIO, neergelegd in het rapport van 13 mei 2016. De medisch adviseur heeft in het kader van de vaststelling van de jeugdhulpvraag en de stoornissen en problemen onderzoek verricht. Zij stelt in haar rapport dat eiser bekend is met een autisme spectrum stoornis (ASS) en ADHD en dat hij forse problemen ondervindt in het persoonlijk en sociaal functioneren op grond van psychische problematiek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de medisch adviseur in haar rapport op voldoende inzichtelijke wijze aangegeven hoe zij tot de vaststelling van de jeugdhulpvraag en de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen is gekomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de medisch adviseur op 21 maart 2016 en

29 april 2016 een huisbezoek heeft afgelegd, de dossiergegevens heeft bestudeerd en de medische informatie, waaronder medische informatie van Kinnik van februari 2014, een psychodiagnostisch onderzoek van de Ambelt van juni 2014 en een brief van logopedie van

30 april 2015, kenbaar in haar beoordeling heeft betrokken. Gezien dit zorgvuldig verrichte onderzoek is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de jeugdhulpvraag van het rapport van 13 mei 2016 mocht uitgaan. De medisch adviseur van het SCIO heeft in haar rapport een compleet beeld geschetst van de medische situatie van eiser. Voor het standpunt van eiser dat het rapport geen compleet beeld geeft van zijn werkelijke (gezondheids)situatie, biedt het rapport geen steun. Daar komt bij dat eiser niet heeft aangegeven wat er precies ontbreekt in het rapport. Evenmin zijn in beroep nadere (medische) stukken ingediend, maar is het gebleven bij de stelling dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet hierop moet het rapport van de medisch adviseur worden aangemerkt als een rapport van een medisch deskundige waarin een deskundigenoordeel is neergelegd. Het standpunt van eiser dat uit het rapport niet blijkt welke specifieke deskundigheid de medisch adviseur heeft, treft geen doel. Nog in het midden gelaten dat de stelling van eiser een onderbouwing mist, ziet de rechtbank geen reden om aan de deskundigheid van de medisch adviseur te twijfelen voor het vaststellen van de jeugdhulpbehoefte van eiser. Nu de medisch adviseur zorgvuldig onderzoek heeft verricht en sprake is van een objectief deskundigenonderzoek, heeft verweerder het SCIO-rapport aan het bestreden besluit 1 ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank acht daarbij voorts van belang dat op 15 juni 2016 een gesprek heeft plaatsgevonden, waarbij een consulent Jeugd heeft gesproken met de ouders van eiser, in het bijzijn van een Wmo-consulent. Op grond van dat gesprek is een rapportage, gedateerd 22 juni 2016, opgesteld, waarin – onder verwijzing naar het rapport van 13 mei 2016 – de situatie van eiser en het gezin is uiteengezet en ook de daarmee gemoeide jeugdhulpvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

6.7.

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn beroepsgrond dat verweerder de aard en omvang van de jeugdhulp niet zorgvuldig heeft vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat het aantal toegekende uren is gebaseerd op het SCIO-rapport van de medisch adviseur van

13 mei 2016. De medisch adviseur heeft verweerder onder meer geadviseerd begeleiding individueel voor 7 uur per week, uit te voeren door de moeder van eiser, en tevens begeleiding individueel voor 3 uur per week te verstrekken, uit te voeren door (wijlen) zorgverlener [naam zorgverlener] Het bij het primaire besluit 1 toegekende geïndiceerde aantal uren komt overeen met het advies en het bij het primaire besluit 2 toegekende aantal uren wijkt iets af van het advies, in die zin dat 9 uur per 4 weken is toegekend in plaats van 3 uur per week. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aard en de omvang van de voor eiser benodigde hulp, in het licht van de zorgvuldig onderzochte hulpvraag, voldoende vastgesteld. Van belang daarbij is dat verweerder met het aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde SCIO-rapport van 13 mei 2016 het aantal uren voldoende heeft onderbouwd. De medisch adviseur heeft in haar SCIO-rapport inzichtelijk en overtuigend onderbouwd hoeveel uren dienen te worden ingezet om de daarin beschreven doelen te bereiken. Er is geen reden dit medisch oordeel voor onjuist te houden. Het is aan eiser om aan te tonen waarom het door verweerder vastgestelde aantal uren onvoldoende is en in zijn situatie meer uren per week nodig zijn. Eiser is daar niet in geslaagd. Dat er meer uren nodig zijn, zoals door eiser is betoogd, is niet met nadere medische stukken onderbouwd. Derhalve ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanwijzing dat verweerder het aantal uren niet juist heeft vastgesteld. Hierbij komt dat blijkens de gronden van beroep niet zozeer het aantal aan de moeder toegekende uren wordt betwist, maar het toegekende pgb. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser in ieder geval zo dat zijn ouders door het in zijn ogen te lage pgb niet langer de nodige flexibiliteit in de te leveren zorg kunnen aanbrengen.

6.8.

Voor zover eiser aanvoert dat in het bestreden besluit 1 de vraag in hoeverre (een deel van) de benodigde ondersteuning op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders (de draagkracht) kan worden geboden, niet zorgvuldig en op basis van objectieve criteria door een deskundige is beantwoord, oordeelt de rechtbank als volgt.

6.9.

Zoals de CRvB in zijn onder 6.5 genoemde uitspraak van 1 mei 2017 heeft overwogen, moet, nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Zoals in 6.7 is overwogen is volgens de rechtbank vooral de vraag aan de orde of de ouders van eiser met het aan eiser toegekende pgb ‘uitkomen’. Ofschoon de hulpvraag, de stoornissen en de problemen van eiser in voldoende mate zijn onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet, althans onvoldoende, heeft onderzocht in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders in dat verband toereikend zijn. Verweerder dient zich tevens uit te laten over de draagkracht van de ouders en de door eiser gestelde overbelasting van zijn moeder. Dat dit is onderzocht blijkt niet uit de rapportage van 22 juni 2016, die aan het bestreden besluit 1 ten grondslag is gelegd. Hoewel voorop staat dat een pgb geen inkomensvoorziening is, dient verweerder in het individuele geval te onderzoeken welke consequenties een verlaging van het pgb heeft in de specifieke omstandigheden van het geval. Indien, los van het onderhavige geschil, een verlaging van het pgb tot gevolg heeft dat de ouders overbelast worden omdat ze de benodigde zorg dan naast een betaalde baan moeten verlenen, kan dit een aspect zijn dat voor de beoordeling van belang is. Dit betekent dat het bestreden besluit 1 niet voldoet aan de uit de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voorvloeiende eisen van zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.

7. Ten aanzien van de tariefdifferentiatie volgt de rechtbank eiser in zijn beroepsgrond dat in de Verordening Hart voor de Jeugd Weststellingwerf 2015 (Verordening) zelf dient te worden vastgesteld hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld en dat delegatie niet is toegestaan.

7.1.

Uit artikel 2.9 van de Jeugdwet volgt dat de gemeenteraad in de Verordening dient te bepalen onder welke voorwaarden uit het pgb diensten ingekocht kunnen worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren en op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Dit betekent dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de Verordening moeten worden vastgelegd. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en acht wat daar in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, van gelijke toepassing op de Jeugdwet. De in dit geding aan de orde zijnde tariefdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Dit betekent dat in artikel 12, tweede lid, van de Verordening ten onrechte is bepaald dat verweerder, zijnde het college van burgemeester en wethouders, nadere regels kan stellen over de hoogte van het pgb. Verweerder is daartoe niet bevoegd nu artikel 2.9 van de Jeugdwet daarvoor geen juridische grondslag biedt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit 1 dan ook niet rechtmatig genomen.

7.2.

In het verweerschrift en ter toelichting op de zitting heeft verweerder uiteengezet dat de gewijzigde Verordening Hart voor de Jeugd Weststellingwerf 2018 en ook de gewijzigde Beleidsregels jeugdhulp gemeente Weststellingwerf 2018 in werking zullen treden op

1 januari 2018. De rechtbank stelt vast dat de Verordening 2018 en de Beleidsregels 2018 geen terugwerkende kracht hebben, zodat het hiervoor geconstateerde bevoegdheidsgebrek hiermee niet is hersteld nu het bestreden besluit 1 ziet op een periode vóór 1 januari 2018.

7.3.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toe kan komen aan de vraag of verweerder op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de tariefdifferentiatie zoals die is neergelegd in de Beleidsregels en evenmin aan de vraag of de Beleidsregels redelijk zijn. De Beleidsregels hebben immers in verband met het hiervoor geconstateerde bevoegdheidsgebrek op dit punt geen geldige werking. Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit 1 ook inhoudelijk onjuist is. Hoewel verweerder het bestreden besluit 1 voor wat betreft de tariefdifferentiatie ten onrechte op de Verordening en de Beleidsregels heeft gebaseerd, staat er naar het oordeel van de rechtbank niets aan in de weg om het door verweerder toegepaste tarief rechtstreeks op de Jeugdwet te baseren.

8. De Jeugdwet bepaalt in artikel 2.3, eerste lid, dat verweerder beoordeelt of een jeugdige jeugdhulp nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Ten behoeve hiervan treft verweerder voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt verweerder een deskundige toeleiding naar de aangewezen voorziening. Daarbij houdt verweerder rekening met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders.

8.1.

Ter beoordeling ligt voor of het door verweerder gehanteerde tarief van 25% en het daarbij behorende uurtarief van € 10,20, zijnde het tarief dat geldt voor het sociale netwerk, passend en toereikend zijn om dit te bereiken.

8.2.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen professioneel tarief heeft toegekend voor de begeleiding die zijn moeder aan hem verleent. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst eiser erop dat zijn moeder ruime werkervaring heeft en beschikt over diploma’s.

8.3.

De rechtbank acht voor de vraag of het onderscheid tussen formele en informele zorg niet in strijd komt met artikel 2.3 van de Jeugdwet van belang of eiser met het van de zorg in natura afgeleide tarief van 25% in staat is, dan wel is gesteld, de (benodigde) zorg in te kopen die in zijn specifieke situatie passend en kwalitatief verantwoord is. Ofschoon verweerder bij het bepalen van de hoogte van het pgb in beginsel mag uitgaan van tarieven die zijn gebaseerd op de gemiddelden van de kosten van de zorg in natura, in dit geval 75% van het voor zorg in natura geldende tarief, is verweerder wel gehouden om te onderzoeken of (de hoogte van) het tarief toereikend is om de begeleiding individueel te kunnen bekostigen. Niet gebleken is dat dat onderzoek door verweerder is verricht. In het geval van eiser had verweerder dus dienen te onderzoeken of eiser daadwerkelijk in zijn specifieke situatie met het tarief van 25% de benodigde zorg kan inkopen bij zijn moeder en dat zij die zorg ook op adequate wijze kan leveren. Dat, naar verweerder stelt, de moeder tot het sociale netwerk behoort, laat onverlet dat verweerder gehouden is onderzoek te doen en maatwerk dient te leveren. Ook in zoverre is het bestreden besluit 1 niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder dient derhalve nader te motiveren waarom in het specifieke geval van eiser het gehanteerde tarief van 25% en het daarbij behorende bedrag van € 10,20 passend en toereikend is. Daarbij dient verweerder te betrekken dat moeder relevante werkervaring heeft en over diploma’s en certificaten beschikt, die bij de aanvullende gronden van beroep zijn gevoegd. Ook hiervoor geldt wat in 6.9 is overwogen: hoewel een pgb geen inkomensvoorziening is, kan bij de vaststelling van het tarief van belang zijn of hiervoor de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Als bijvoorbeeld uit onderzoek is gebleken dat de benodigde zorg door de ouders verleend moet worden, maar dat dit door het lage budget niet kan (ouders kunnen bijvoorbeeld betaald werk niet combineren met het verlenen van de noodzakelijke zorg), kan dit een aspect zijn dat bij de beoordeling moet worden betrokken.

9. Over de beroepsgrond van eiser dat de bij het primaire besluit 3 toegekende voorzieningen ten onrechte zijn verstrekt in de vorm van zorg in natura bij zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] , terwijl gemotiveerd is verzocht om toekenning in de vorm van een pgb, oordeelt de rechtbank als volgt.

9.1.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet verstrekt het college, indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, hun een pgb dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt een pgb verstrekt, indien de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten.

9.2.

De rechtbank stelt voorop dat de formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet aangeeft dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. De mogelijkheid van het toekennen van een pgb bestaat echter wel indien de jeugdige en zijn ouders dit wensen. Onderdeel b van het tweede lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet stelt als voorwaarde dat de jeugdige en zijn ouders de stelling dat zij de individuele voorziening in plaats van ‘in natura’ door middel van een pgb geleverd wensen te krijgen, moeten onderbouwen. De bewijslastverdeling is een bewuste keuze van de wetgever geweest. De rechtbank verwijst hiervoor naar de Memorie van Toelichting, TK vergaderjaar 2012-2013, 33 684, nr. 3, bladzijden 220 en 222.

9.3.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of eiser zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de individuele voorzieningen die worden geleverd door zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] , niet passend zijn. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft in beroep op zichzelf niet betwist dat de jeugdhulpvoorzieningen, zoals toegekend bij het primaire besluit 3, door zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] worden geleverd. Dat, zoals eiser betoogt, met een pgb kan worden geschoven tussen verschillende zorgverleners, kan niet leiden tot de conclusie dat de aan eiser geleverde individuele voorzieningen door zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] niet passend zijn als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Jeugdwet. Dat eiser, naar hij stelt, met een pgb zelf de keuze kan maken bij wie hij de benodigde zorg inkoopt, acht de rechtbank voorstelbaar, maar daarmee is niet gezegd dat de geleverde zorg niet passend is. Eiser kan immers, zoals hij al die tijd ook onweersproken heeft gedaan, met zorg in natura de benodigde zorg inkopen bij zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] . Niet gesteld of gebleken is dat het aanbod bij zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] niet volstaat of dat de aan eiser geleverde zorg niet passend is. In de omstandigheid dat eiser, naar hij stelt, met een pgb op een flexibeler wijze zorg bij een eigen zorgaanbieder kan inkopen, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om eiser toch een pgb te verstrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Gelet op de overwegingen in 6.9, 7.1 en 8.3 voldoet het bestreden besluit 1 niet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Daarmee is gegeven dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond zal worden verklaard en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb in verbinding met de artikelen 2:3 en 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet dient te worden vernietigd.

11. Aansluitend dient te worden te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden zijn. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden, mede gelet op het nog te verrichten onderzoek in deze zaak en de onzekerheid wanneer dat onderzoek zal zijn afgerond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het nieuwe besluit op bezwaar dienen in elk geval mede gebaseerd te worden op deugdelijk onderzoek, met inachtneming van de onder 6.5 genoemde uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017. De rechtbank zal verweerder voor het nieuw te nemen besluit op bezwaar een termijn stellen van acht weken.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 1).

Bestreden besluit 2 (LEE 17/3725 JW)

14. Tussen partijen is niet in geschil de omvang van de aan eiser bij het bestreden besluit 2 toegekende voorzieningen. In geschil is allereerst of verweerder heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, zoals die voortvloeit uit artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

14.1.

Eiser voert aan dat het onderzoek van verweerder niet zorgvuldig is geweest. Verweerder stelt daar tegenover dat is voldaan aan de onderzoeksplicht en wijst er in dat verband op dat een gesprek met de ouders heeft plaatsvonden en dat een maatwerkplan is opgesteld.

14.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig de jeugdhulpvraag en de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen heeft onderzocht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit 2 – zoals ter zitting is toegelicht – nader onderzoek heeft gedaan. Zo heeft op 24 januari 2017 en op 10 mei 2017 een consulent van verweerder gesprekken gevoerd met de ouders van eiser en is op basis van een Plan van aanpak van zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] een maatwerkplan, gedateerd 1 februari 2017, opgesteld. Daarnaast is in de individuele opdrachtverstrekking van 1 augustus 2016 vermeld dat er forse problemen zijn in het persoonlijk en sociaal functioneren op grond van psychische problematiek en dat in februari 2014 de diagnose ASS en ADHD is gesteld door Kinnik. Verder zijn in het Plan van aanpak van [naam zorgaanbieder] de begeleidingsdoelen opgenomen en de wijze waarop die doelen met het toekennen van jeugdhulpvoorzieningen kunnen worden bereikt. Het maatwerkplan van 1 februari 2017 beschrijft onder meer de situatie van eiser (en zijn gezin), wie de begeleiding van eiser verzorgt en welke voorzieningen aan eiser dienen te worden toegekend. Niet kan worden gezegd dat verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Eiser heeft geen nadere (medische) stukken in het geding gebracht waaruit het tegendeel blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.

14.3 .

In geschil is voorts of verweerder de voorzieningen voor logeren, individuele begeleiding en vervoer dagondersteuning terecht heeft toegekend in de vorm van zorg in natura bij aanbieder [naam zorgaanbieder] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder die voorzieningen terecht in de vorm van zorg in natura heeft verstrekt. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen daarover onder 9.1 tot en met 9.3 is overwogen. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd en ter zitting naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

15. Uit 14 tot en met 14.3 volgt dat het bestreden besluit 2 voldoet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1;

- draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter tevens kinderrechter, en

mr. K. Wentholt en mr. D.W.J. Vinkes, leden tevens kinderrechters, in aanwezigheid van

mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.