Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1047

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
18/820055-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor vernieling, belediging van ambtenaren in functie en diefstal tot een voorwaardelijke ISD-maatregel en toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Verdachte voldoet aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel, maar heeft niet zo’n mate van overlast veroorzaakte dat dit de onvoorwaardelijke ISD-maatregel rechtvaardigt

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820055-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/820365-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/820009-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de PI te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Scheffers, advocaat te Hoogezand.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

18/820055-18

hij op of omstreeks 8 februari 2018 te Groningen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer kratten met lege

bierflesjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

18/820365-17

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 te Groningen opzettelijk en

wederrechtelijk een aantal glazen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan horecabedrijf [bedrijf] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2017 te Groningen

opzettelijk

(een) ambtena(a)r(en), [slachtoffer 2] (hoofdagent) en/of [slachtoffer 3]

(hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bediening,

in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,

mondeling

heeft beledigd,

door haar/hen de woorden toe te voegen: "Kankerhoeren" en/of "kankersletten"

en/of "kankerpolitie" en/of "Jij bent een kankerhoer" en/of "Je bent een

kankerslet" en/of "Jij met je kankerogen", althans woorden van gelijke

beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 14 september 2017 te Groningen opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (zijnde

buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Groningen), gedurende en/of

ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, te weten

surveillance door de stad Groningen, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling

heeft toegevoegd de woorden "Kankerlijers" en/of "Kankermongolen" en/of

"Teringlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 18/820055-18 en onder 18/820365-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 18/820365-17 onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat er bij het feit onder 18/820365-17 onder 1 ten laste gelegde geen sprake was van het vernielen van de glazen. Verdachte had met het slaan op de tafel niet het opzet op de vernieling. Ten aanzien van het feit onder 18/820365-17 onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de agenten te beledigen. Hij was boos op zijn bewindvoerder en daar waren zijn woorden op gericht.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van het onder 18/820055-18 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 18/820055-18 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer 2018033510 d.d. 9 februari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] .

ten aanzien van het onder 18/820365-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 18/820365-17 onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2018, inhoudende:

Uit frustratie heb ik met mijn vuist op een tafel geslagen. Dat was buiten op het terras van [bedrijf] . De lege glazen die op die tafel stonden zijn omhoog gesprongen en vervolgens op de grond gevallen.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 augustus 2017, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer 2017214045 d.d. 12 augustus 2017, inhoudende als verklaring van [medewerker] :

Vannacht, op 12 augustus 2017, was ik werkzaam bij [bedrijf] , gevestigd aan de [straatnaam] te Groningen. Om 01:51 uur zag ik dat er een man glazen van een tafel op het terras gooide. Hierdoor zijn twee glazen vernield.

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2018, inhoudende:

Het is niet mijn gewoonte om zulke dingen te zeggen tegen agenten. Het zou best kunnen dat ik dat in die situatie heb gezegd.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aanhouding d.d. 14 mei 2017, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer 2017122964 d.d. 14 mei 2017, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij, verbalisanten, [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland, en [slachtoffer 3] , hoofdagent van politie Noord-Nederland hielden op 14 mei 2017 in de Poelestraat te Groningen verdachte [verdachte] aan. Ten tijde van het overbrengen hoorden wij verbalisanten dat de verdachte verbaal vervelend en agressief werd. Wij, verbalisanten hoorden de verdachte meerdere malen tegen ons zeggen: "Kankerhoeren", "kankersletten" en "kankerpolitie". Ik, verbalisant [slachtoffer 2] hoorde en zag dat de verdachte, terwijl hij mij aankeek, tegen mij zei: "Je bent een kankerhoer", "Je bent een kankerslet" en "Jij met je kankerogen". Dit werd meerdere malen herhaald. Hij zei dit op niet misverstane wijze op een manier die duidelijk hoorbaar was voor alle collega's die daarbij aanwezig waren. Ik, verbalisant [slachtoffer 2] voelde mij door deze woorden beledigd en in mijn goede naam en eer aangetast.

Feit 3

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2017, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer 2017245322 d.d. 14 september 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik ben werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar voor de gemeente Groningen. Ik surveilleerde met mijn collega [slachtoffer 5] door de stad Groningen. De man bleef veel schelden met kanker en richtte zich naar ons waarbij ik hem hoorde schreeuwen: "Kankerlijers, kankermongolen en teringlijers!". Ik zag dat de man mij hierbij doordringend aankeek. Ik voelde mij door de uitspraken van de man ten overstaande van publiek in mijn goede naam en eer aangetast. Vervolgens kwam de politie en deze hebben de man aangehouden voor belediging.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 september 2017 opgenomen op pagina 3 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik ben werkzaam als medewerker handhaving bij de gemeente. Ik ben buitengewoon opsporingsambtenaar en liep op 14 augustus 2017 samen met mijn collega [slachtoffer 4] voor het hoofdstation van Groningen. Ik zag de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “Kankerlijers, kankermongolen en teringlijers”. Door de uitlatingen van [verdachte] voelde ik mij in mijn goede naam en eer aangetast. Ik vervul een publieke functie en werd publiek door [verdachte] voor schut gezet.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.14 september 2017 opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Vandaag, 14 september 2017, zag ik twee mensen van Handhaving aan komen lopen. Ze hielden me toch aan. Vervolgens werd de politie gebeld.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

ten aanzien van het onder 18/820365-17 onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen, het met de vuist slaan op een licht terrastafeltje, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de glazen die op dat tafeltje stonden op de grond zouden vallen en daardoor kapot zouden gaan. Daarmee heeft verdachte voorwaardelijk opzet op de vernieling gehad.

ten aanzien van het onder 18/820365-17 onder 3 ten laste gelegde

Uit de hiervoor opgenomen aangifte en getuigenverklaring blijkt dat verdachte de uitlatingen in het meervoud heeft gedaan en dat deze tegen de buitengewoon opsporingsambtenaren waren gericht. Op grond hiervan is de tenlastegelegde belediging bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 18/820055-18 en 18/820365-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/820055-18

hij op 8 februari 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kratten met lege bierflesjes toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

18/820365-17

1.

hij op 12 augustus 2017 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een aantal glazen toebehorende aan horecabedrijf [bedrijf] heeft vernield;

2.

hij op 14 mei 2017 te Groningen opzettelijk ambtenaren [slachtoffer 2] (hoofdagent) en [slachtoffer 3] (hoofdagent), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "Kankerhoeren" en "kankersletten" en "kankerpolitie" en "Jij bent een kankerhoer" en "Je bent een kankerslet" en "Jij met je kankerogen";

3.

hij op 14 september 2017 te Groningen opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (zijnde buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Groningen), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten surveillance door de stad Groningen, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerlijers" en "Kankermongolen" en "Teringlijers".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

18/820055-18

1. diefstal

18/820365-17

1. opzettelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen

2 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening

3 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het onder 18/820055-18 en 18/820365-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde de maatregel van opname in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. Verdachte voldoet aan de wettelijke vereisten om deze maatregel aan hem op te leggen. Hij pleegt veelvuldig strafbare feiten en is een last voor de maatschappij. Uit het advies van de reclassering blijkt dat zij geen andere mogelijkheid meer zien om verdachte van zijn verslaving af te helpen en het plegen van strafbare feiten te voorkomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een andere afdoening dan door de officier van justitie is gevorderd. Verdachte heeft periodes van langere duur gekend waarin hij niet met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Hij is niet zo'n overlast voor de maatschappij dat dit de oplegging van een ISD-maatregel rechtvaardigt. Met een eigen woning zou hij zich staande kunnen houden in de maatschappij zonder het plegen van strafbare feiten. De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke ISD-maatregel als stok achter de deur om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van lege bierkratjes, vernieling van drinkglazen op een terras en twee maal belediging van ambtenaren in functie. Dit zijn ergerlijke feiten, waarmee verdachte keer op keer overlast veroorzaakt.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 februari 2018, dat 24 pagina’s beslaat, blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten nog in de proeftijd liep van een hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De reclassering heeft in haar advies van 7 maart 2018 aangegeven dat verdachte zich in de afgelopen jaren diverse malen heeft onttrokken aan toezicht, behandeling en begeleiding. Meerdere voorwaardelijke straffen werden tenuitvoergelegd vanwege het plegen van strafbare feiten tijdens de proeftijd of het niet naleven van de bijzondere voorwaarden. Zowel ambulante als klinische behandeltrajecten kwamen niet van de grond. Gezien de problematiek van verdachte is een ISD-maatregel naar de mening van de reclassering de enige strafrechtelijke modaliteit die kan bijdragen aan de vermindering van de kans op recidive en waarbinnen het patroon van vastzitten, vrijkomen en terugvallen kan worden doorbroken.

De rechtbank stelt vast dat twee van de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de afgelopen vijf jaren tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging daarvan. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en de eerdere veroordelingen moet er ook ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank in beginsel het opleggen van de maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat verdachte als gevolg van zijn (verslavings)problematiek zich moeilijk staande kan houden in de maatschappij. De geboden hulp tot nu toe heeft niet het gewenste resultaat gehad dat hij zich langere tijd kan onthouden van overlastgevend en/of strafbaar gedrag. Wel dient te worden opgemerkt dat verdachte in de afgelopen jaren, relatief gezien, minder vaak en voor kleinere vergrijpen in aanraking is gekomen met politie en justitie. Nu de ISD-maatregel een verstrekkende maatregel betreft, ziet de rechtbank in dit laatste aanleiding verdachte, zoals namens de verdediging is verzocht, nog een laatste kans te geven om te bewijzen dat hij in staat is zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht daarbij van belang dat de reclassering toezicht blijft houden op verdachte en verdachte blijft begeleiden.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling 18/820009-17

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 maart 2017, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 april 2017.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 20 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de eerder schriftelijk ingediende vordering dient te worden afgewezen om een snelle start met de ISD-maatregel te kunnen maken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting geen opmerkingen gemaakt over de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Oordeel van de rechtbank

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank constateert daarbij dat het hier, evenals in de onderhavige zaak, gaat om diefstal en vernieling.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van

27 maart 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank wijkt hiermee af van de vordering van de officier van justitie ter terechtzitting, nu voor de nieuwe feiten geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd en de rechtbank het - zeker met het oog op de op te leggen voorwaardelijke ISD-maatregel - van belang acht verdachte ervan te laten doordringen dat overtreding van voorwaarden niet zonder consequenties blijft.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38p, 57, 266, 267, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 18/820055-18 en 18/820365-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt aan verdachte op:

de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen (telefoon [nummer]) en zich zo vaak blijft melden als de reclassering dat nodig acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de voorschriften en/of aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het in de zaak met parketnummer 18/820055-18 gegeven bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Heft op het in de zaak met parketnummer 18/820359-17 onder 3 gegeven geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820009-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 27 maart 2017, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. M.R.M. Beaumont, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2018.

Mr. Beaumont is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.