Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1031

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
18/850048-15 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 83.470,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850048-15

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde],

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 31 oktober 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 90.363,73 ter ontneming van het uit de strafzaak met parketnummer 18/850048-15 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting 9 maart 2018. Veroordeelde is ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd tot een bedrag van

€ 83.713,54.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:

1. Een geschrift, zijnde een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict

d.d. 2 november 2015, opgenomen in het dossier Palisana van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R015041 d.d. 3 november 2015 en opgemaakt door [verbalisant], Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij Politie Noord-Nederland.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 23 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 18/850048-15 onder meer veroordeeld ter zake van het meermalen plegen van verduistering, gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar beroep onder zich heeft.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door haar gepleegde voormelde strafbare feiten.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 83.713,54. Dit bedrag bestaat uit het bedrag zoals berekend door de politie in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ter hoogte van € 91.863,73, minus de bedragen ten aanzien van [slachtoffer 1] ad € 1.500,- en [slachtoffer 2] ad € 2.000,- en het door veroordeelde reeds vergoede bedrag aan [slachtoffer 3] ad € 4.650,19. De officier van justitie heeft voorts opgemerkt dat de door de rechtbank toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in mindering kunnen worden gebracht op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 83.470,-, uitgaande van het bedrag in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, minus de bedragen ten aanzien van [slachtoffer 1] ad € 1.500,-, [slachtoffer 2] ad € 2.000,- en [slachtoffer 3] ad € 4.893,73, zoals deze zijn vermeld in voornoemd rapport. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat, indien een veroordeling volgt voor het gehele ten laste gelegde bedrag onder 1 ad € 4.893,78 (ten aanzien van [slachtoffer 3]) en de rechtbank het verschil tussen dit bedrag en het bedrag in de betalingsregeling in aanmerking neemt, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op

€ 83.713,59.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat het hiervoor aangehaalde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict. Van deze lijst betrekt de rechtbank bij onderhavige schatting de bedragen die door de rechtbank bewezen zijn verklaard in voormeld vonnis, zijnde de bedragen die veroordeelde erkend heeft van de respectievelijke cliënt/aangever te hebben verduisterd. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde een betalingsregeling heeft getroffen met [slachtoffer 3] (feit 1) en dat veroordeelde dit bedrag reeds heeft voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om het bedrag ten aanzien van [slachtoffer 3] niet te betrekken bij de vaststelling van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus schat de rechtbank het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op de optelsom van de volgende bedragen:

- € 7.470,- [slachtoffer 4] (feit 2)

- € 49.300,- [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (feit 3)

- € 6.000,- [slachtoffer 7] (feit 4)

- € 12.000,- [slachtoffer 8] (feit 6)

- € 4.000,- [slachtoffer 9], [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] (feit 7)

- € 2.000,- [slachtoffer 13] (feit 8)

- € 1.500,- [slachtoffer 14] (feit 9)

- € 1.200,- [slachtoffer 2] (feit 10)

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde een bedrag ter grootte van
€ 83.470,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

De rechtbank zal de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen niet in mindering brengen, nu niet is aangetoond dat deze bedragen, opgelegd als schadevergoedingsmaatregel, zijn voldaan zoals gesteld wordt in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 83.470,-.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 83.470,- (zegge: drieëntachtigduizend vierhonderdzeventig euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 maart 2018.


Mr. Overmars is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.