Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1030

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
C/18/174461 / HA ZA 17-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelvonnis. Overweging ten overvloede. In een voorgaande procedure tussen partijen heeft het hof “ten overvloede” voorschotoordelen gegeven als vingerwijzing voor de verdere afwikkeling van de rechtsverhouding tussen partijen. Binden overwegingen ten overvloede partijen in die zin dat op die overwegingen vordering kan worden gegrond?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/174461 / HA ZA 17-51

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak van

[voornaam] [eiser],

die woont in Haren,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.A. Westers, die kantoor houdt in Groningen,


tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,

die zetelt in Groningen,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.E. van der Kamp, die kantoor houdt in Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en de RUG worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 februari 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 12 april 2017;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van 26 juli 2017;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 18 oktober 2017;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 29 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, tussen partijen vaststaan.

2.2.

De RUG is eigenares van de botanische tuin, genaamd "Hortus Botanicus", in Haren (hierna: de Hortus). In het verleden was de RUG ook eigenares van het tot de Hortus behorende en het daaraan grenzende kantoorgebouw met koetshuis, tuin en vijver, plaatselijk bekend als "Huize de Wolf".

2.3.

Bij notariële akte van 16 januari 1990 heeft de RUG Huize de Wolf afgesplitst van de Hortus. Daarbij is de Hortus in erfpacht en opstal uitgegeven aan Stichting Hortus. Deze heeft naderhand een overeenkomst van ondererfpacht gesloten met De Wolf Haren B.V., later genaamd Hortus Haren B.V.

2.4.

Bij overeenkomst, gesloten omstreeks eind 1996, heeft de RUG Huize de Wolf verkocht aan [eiser] . De notariële akte van overdracht van 31 maart 1998 bevat de volgende bepaling:

In de aan de onderhavige overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst staat onder meer vermeld:

Bijzonderheden:

Een aan partijen bekend gedeelte gelegen ten noorden en ten oosten van het verkochte behoort eveneens in eigendom toe aan verkoper belast met het recht van erfpacht en opstal ten behoeve van de Stichting Hortus Haren en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Wolf Haren" B.V.

Partijen zijn overeengekomen dat koper een deel van de grond grenzend aan het verkochte om-niet verkrijgt op het moment dat hij (koper) dit kan regelen met genoemde erfpachters. Alle eventuele kosten die daarmee gemoeid gaan zijn voor rekening van de koper. Op de aan deze akte gehechte kadastrale kaart is schetsmatig aangegeven om welk deel van de grond het gaat. Partijen zullen echter nader met elkaar een afspraak maken om een en ander ter plaatse af te bakenen.

Verkoper verklaart alle medewerking te verlenen een en ander voor en ten behoeve van de koper te realiseren en mee te werken aan de benodigde splitsing van het erfpachtrecht/canon en levering aan de koper.

2.5.

Hortus Haren B.V. is op enig moment in staat van faillissement verklaard. De rechten van erfpacht zijn (daardoor) voortijdig geëindigd. Sinds 28 maart 2002 heeft de RUG de Hortus weer in volle eigendom.

2.6.

Nadat de RUG de Hortus weer in volle eigendom verkreeg, heeft [eiser] de RUG aangesproken tot nakoming van de hiervoor onder 2.4. geciteerde bepaling uit de notariële akte van 31 maart 1998 door te verlangen dat de RUG de in die bepaling bedoelde strook grond aan hem zal leveren. [eiser] heeft zich daartoe op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat niets meer aan levering van die strook grond aan hem in de weg staat, omdat de RUG reeds akkoord was met de levering en door het beëindigen van de erfpacht thans ook in staat is aan levering mee te werken.

2.7.

De RUG heeft aan levering niet willen meewerken en zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de bepaling in overeenstemming met de (onder)erfpachter(s) is opgenomen in het belang van de Hortus en dat, nu deze voorwaarde door het vervallen van de erfpacht niet meer in vervulling kan gaan, op de RUG geen verplichting tot levering van de grond rust.

2.8.

Dit heeft geleid tot een procedure. Deze rechtbank heeft bij vonnis van 12 mei 2004 de op levering van de strook grond gerichte vordering van [eiser] afgewezen.

2.9.

Bij arrest van 13 juli 2005 (ECLI:NL:GHLEE:2005:762) heeft het toenmalige Gerechtshof Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft in het arrest onder meer overwogen, voor zover hier van belang:

Het enkele feit dat RUG als - destijds - blooteigenaar op zichzelf kennelijk niet principieel
gekant was tegen verkoop van de grond, doch een beslissing dienaangaande aan haar
(onder)erfpachters overliet, betekent naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden dan ook niet dat, nu RUG inmiddels de volledige eigendom van de Hortus (inclusief de bewuste strook grond) weer heeft verkregen, op RUG een inspanningsverplichting zou rusten om zonder meer mee te werken aan levering van die strook grond aan [eiser] , ongeacht de financiële compensatie die daartegenover zou staan.

Als gevolg van het feit dat de volle eigendom van de Hortus thans weer bij haar berust, is het nu ter zelfstandige beoordeling van RUG of tot verkoop en levering van de bewuste strook grond aan [eiser] zal worden overgegaan. RUG kan zich daarbij in redelijkheid laten leiden door (onder meer) haar inzichten voor wat betreft de instandhouding en wijze van exploitatie van de Hortus al dan niet bezien in samenhang met de financiële compensatie voor het afstoten van de grond.

Derhalve is noch de primaire, noch de subsidiaire vordering va [eiser] toewijsbaar. Dat betekent dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen.

Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat in de omstandigheden van het geval van RUG wel verwacht mag worden om met [eiser] , zo hij dit wenst, binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid in onderhandeling te treden omtrent eventuele verkoop en levering van de bewuste strook grond.

Het zou RUG daarbij evenwel passen die grond niet eerder op door haar gewenste condities en voor de door haar gewenste prijs aan derden te koop aan te bieden dan na [eiser] in de gelegenheid te hebben gesteld deze grond onder diezelfde condities en voor diezelfde prijs in eigendom te verwerven, en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

2.10.

Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

2.11.

Bij akte van levering van 18 december 2013 heeft de RUG percelen gelegen aan de Rijksstraatweg en Botanicuslaan in Haren die deel uitmaken van de Hortus, geleverd aan de kopers daarvan, een elftal omwonenden die deze percelen hebben verworven ten behoeve van hun tuinuitbreiding.

2.12.

Partijen zijn in 2016 met elkaar in onderhandeling getreden over de verkoop van een gedeelte van de in de leveringsakte van 31 maart 1998 bedoelde strook grond. Die onderhandelingen hebben er niet toe geleid dat de RUG een aanbod heeft gedaan dat [eiser] heeft aanvaard.

2.13.

De RUG heeft per brief van 9 januari 2017 [eiser] te kennen gegeven dat een einde is gekomen aan het onderhandelingstraject en dat zij zich geheel vrij acht de strook grond aan een derde te koop aan te bieden.

2.14.

[eiser] heeft vervolgens beslag gelegd op de in de leveringsakte van 31 maart 1998 bedoelde strook grond.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie, verkort weergegeven, voor recht te verklaren dat de RUG gehouden is de gehele strook grond zoals gearceerd op de aan de leveringsakte van 31 maart 1998 gehecht kaart, aan hem aan te bieden zonder nadere en beperkende voorwaarden en hij vordert een met dwangsommen versterkt verbod om deze strook grond aan een derde te verkopen en/of te leveren en de RUG te gebieden de strook grond zonder nadere en beperkende voorwaarden aan hem aan te bieden, een en ander met veroordeling van de RUG in de beslag-, proces- en nakosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] , samengevat weergegeven, dat in de leveringsakte van 31 maart 1998 een bijzondere contractuele bepaling is opgenomen. [eiser] stelt dat hij die bepaling aanvankelijk beschouwde als een koopoptie die na het wegvallen van de Hortus door een faillissement, de RUG verplichtte de in die akte bedoelde strook grond aan hem te leveren. [eiser] stelt dat dit heeft geleid tot een procedure en dat het hof in het arrest van 13 juli 2005 de bepaling heeft uitgelegd als een voorkeursrecht ofwel een recht van eerste koop. [eiser] stelt verder dat de bepaling en wat het hof daarover heeft overwogen, de RUG verplicht hem de volledige strook grond zoals die in de leveringsakte is omschreven moet aanbieden en niet een willekeurig gedeelte daarvan. [eiser] stelt ook dat de overeenkomst met de RUG niet alleen de overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien, zodat het aan bod van de RUG dat [eiser] in staat stelt om slechts een gedeelte van de in de levergingsakte van 31 maart 1998 bedoelde strook grond in eigendom te verwerven, niet in overeenstemt met de bedoeling van aanbiedingsplicht. [eiser] voert in dit verband aan dat zijn belang gediend met de verkrijging van de volledige strook grond ter verdere bescherming van zijn privacy ten opzichte van het openbare gedeelte van de Hortus, zwaarder weegt dat de belangen van de RUG die worden gediend met een gedeeltelijke verkoop van de strook grond onder de voorwaarden die de RUG daaraan wil verbinden. [eiser] stelt dat de RUG aldus in strijd handelt met het voorkeursrecht of het recht van koop zoals partijen dat in de leveringsakte van 31 maart 1998 volgens het hof zijn overeengekomen, en dat de RUG daarom wanprestatie pleegt.

3.3.

De RUG voert verweer en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten. De RUG voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat het hof niet heeft geoordeeld dat [eiser] een voorkeursrecht heeft, maar dat het slechts ten overvloede heeft overwogen dat het de RUG zou passen de strook grond niet eerder aan derden te verkopen dan nadat zij dit op dezelfde condities aan [eiser] heeft aangeboden. De RUG stelt dat het hof heeft overwogen dat het ter zelfstandige afweging aan de RUG is of tot verkoop en levering van de strook grond aan [eiser] zal worden overgegaan en dat de RUG zich bij haar beoordeling kan laten leiden door (onder meer) haar inzichten voor wat betreft de instandhouding en wijze van exploitatie van de Hortus al dan niet bezien in samenhang met de financiële compensatie voor het afstoten van de strook grond. De RUG stelt dat het arrest van het hof haar niet beperkt in haar vrijheid om niet de volledige strook grond maar een gedeelte daarvan aan te bieden en evenmin om nadere en beperkende voorwaarden aan [eiser] te stellen. De RUG voert aan dat zij, zoals het hof heeft overwogen dat passend zou zijn, met [eiser] heeft onderhandeld over de verkoop van een gedeelte van de door hem gewilde strook grond en dat zij in verband met het belang van het behoud en de exploitatie van de Laarmantuin waar de strook grond onderdeel van uit maakt, voorwaarden heeft gesteld. De RUG stelt dat partijen niet tot overeenstemming konden komen en dat het haar in de gegeven omstandigheden vrij staat om de strook grond aan een derde te verkopen en te leveren.

in reconventie

3.4.

De RUG vordert in reconventie, verkort weergegeven, opheffing van het door [eiser] gelegde beslag op de strook grond, [eiser] te veroordelen tot volledige medewerking aan het door het Kadaster doen uitmeten en bepalen van de kadastrale grens tussen het aan [eiser] toebehorende perceel en het aan de RUG toebehorende perceel, [eiser] op straffe van een dwangsom te veroordelen (na uitmeting door het Kadaster) het aan de RUG toebehorende perceel te ontruimen, ontruimd te houden en ter vrije beschikking aan de RUG te stellen, [eiser] op straffe van een dwangsom te veroordelen een erfscheiding aan te brengen die niet hoger is dan twee meter en voldoet aan de redelijke eisen van welstand, [eiser] te veroordelen tot betaling van de door de RUG gemaakte kosten voor het inmeten en bepalen van de kadastrale grens, voor recht te verklaren dat de RUG niet verplicht is om met [eiser] in onderhandeling te treden over de koop en verkoop van de strook grond, voor recht te verklaren dat de RUG niet verplicht is de strook grond aan [eiser] te koop aan te bieden dan wel daarover met [eiser] in onderhandeling te treden bij het overdragen of voornemen daartoe van de Hortus dan wel geheel of gedeeltelijke eigendom van de Laarmantuin, alsmede [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.5.

Daartoe stelt de RUG, samengevat weergegeven, dat [eiser] gelet op hetgeen de RUG daartoe in conventie heeft aangevoerd, geen recht heeft op levering van de strook grond, zodat het daarop gelegde beslag op een ondeugdelijke grondslag berust en ingevolge art. 705 Rv moet worden opgeheven. De RUG stelt verder dat [eiser] de perceelgrens in de loop van de tijd steeds verder op het terrein van de RUG heeft verlegd. De RUG vordert daarom medewerking van het uitmeten van de kadastrale grens en ontruiming van de aldus vast te stellen onrechtmatig door [eiser] in gebruik genomen grond. De RUG stelt dat door de opstelling van [eiser] jegens de RUG, het noodzakelijk is dat de verzochte veroordelingen met dwangsommen worden versterkt. De RUG stelt ook dat de erfafscheiding van [eiser] te hoog is en visuele hinder veroorzaakt, zodat [eiser] gehouden is deze aan te passen. Voorst stelt de RUG zich dat de door haar reeds gemaakte kosten voor het gedeeltelijk uitmeten van de kadastrale grens tussen de percelen van partijen, op grond van art. 6:96 lid 1 BW aan haar dienen te worden vergoed. Tot slot stelt de RUG aan dat zij belang heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht om voor eens en altijd het geschil tussen partijen te beslechten.

3.6.

[eiser] voert verweer en concludeert in reconventie tot afwijzing van de vorderingen van de RUG, met veroordeling van de RUG in de proceskosten.

3.7.

Daartoe verwijst [eiser] , samengevat weergegeven, naar hetgeen hij in conventie heeft gesteld. [eiser] betwist dat de feitelijke erfgrens niet (meer) overeenkomst met de kadastrale grens. [eiser] stelt dat als de kadastrale grens niet meer samenvalt met de feitelijke grens zoals die in de loop van de tijd is ontstaan, die situatie al dusdanig lang bestaat dat hij door verjaring eigenaar van de strook grond is geworden die volgens de kadastrale inmeting aan de RUG toebehoort. Ten aanzien van de erfafscheiding voert [eiser] aan dat de erfafscheiding in overeenstemming met artikel 5:49 BW is geplaatst en de hoogte van twee meter niet overschrijdt omdat moet worden uitgegaan van het hoogste punt ten aanzien van de privacybescherming van [eiser] , en dat is het wandelpad van Hortus.

3.8.

Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Kern van het geschil vormt de uitleg van de bepaling in de levergingsakte akte van 31 maart 1998, zoals die hiervoor onder 2.4. is geciteerd.

4.2.

In het arrest van 13 juli 2005 heeft het hof ter vaststelling van wat partijen zijn overeengekomen, die bepaling uitgelegd. Die uitleg heeft tot de vaststelling geleid dat als gevolg van het feit dat de volle eigendom van de Hortus (met inbegrip van de strook grond) thans weer bij de RUG berust, het ter zelfstandige beoordeling van de RUG is of tot verkoop en levering van de bewuste strook grond aan [eiser] zal worden overgegaan. Het hof heeft daarbij overwogen dat de RUG zich daarbij in redelijkheid kan laten leiden door (onder meer) haar inzichten voor wat betreft de instandhouding en wijze van exploitatie van de Hortus al dan niet bezien in samenhang met de financiële compensatie voor het afstoten van de grond.

4.3.

Met wat het hof heeft overwogen en beslist, is een einde gekomen aan het geschil tussen partijen voor wat betreft de vraag of [eiser] de RUG op grond van de leveringsakte van 31 maart 1998 kan aanspreken tot nakoming in de zin dat de RUG gehouden is de in de leveringsakte bedoelde strook grond aan [eiser] te verkopen en te leveren.

4.4.

Het hof heeft evenwel een overweging ten overvloede gegeven, waarop [eiser] zich in deze procedure beroept.

4.5.

Het hof heeft daarmee kennelijk een "voorschotoordeel" willen geven ten aanzien van de wijze waarop partijen hun rechtsverhouding dienen af te wikkelen na het wijzen van het arrest door daaraan "overwegingen ten overvloede" te wijden. Uit de door het hof gekozen bewoordingen van de overwegingen zoals hiervoor weergegeven in r.o. 2.9., blijkt dat wat het hof over die afwikkeling "ten overvloede" heeft overwogen géén van de door het hof genomen beslissingen draagt.

4.6.

De beslissingen die het hof in het arrest heeft genomen, worden gedragen door overwegingen waaruit volgt dat het ter zelfstandige beoordeling van de RUG is of tot verkoop en levering van de bewuste strook grond aan [eiser] zal worden overgegaan en de RUG zich daarbij in redelijkheid kan laten leiden door (onder meer) haar inzichten voor wat betreft de instandhouding en wijze van exploitatie van de Hortus.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat wat het hof "ten overvloede" heeft overwogen partijen niet bindt, zij hadden daarover niet met succes in cassatie kunnen klagen. Dit doet er niet aan af dat in de rechtsverhouding van partijen zelf besloten kan liggen dat het de RUG zou passen om in de in de overweging ten overvloede bedoelde omstandigheden, met [eiser] te onderhandelen en hem de mogelijkheid te bieden om de bewuste strook grond tegen de voorwaarden waaronder met een derde een koopovereenkomst tot stand kan komen, in eigendom te verwerven.

4.8.

In de door [eiser] ingenomen stellingen ligt besloten dat [eiser] stelt dat de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in art. 6:248 BW, met zich brengen dat wat het hof ten overvloede heeft overwogen, de rechtsverhouding tussen partijen beheerst. De rechtbank zal daarom beoordelen of de RUG in zoverre tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser] .

4.9.

[eiser] stelt dat uit de overweging ten overvloede blijkt dat hij een voorkeursrecht of recht van eerste koop heeft. Die stellingen berusten naar het oordeel van de rechtbank op een onjuist begrip en/of een onjuiste uitleg van de reikwijdte van de dragende overwegingen van het arrest van het hof, en op een onjuiste lezing van de ten overvloede door het hof gegeven overwegingen. Het hof heeft geen verderstrekkende verplichtingen van de RUG aangenomen dat zij in de bewoordingen van de ten overvloede gegeven overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht.

4.10.

Het Hof heeft in de eerste plaats ten overvloede overwogen, samengevat weergegeven, dat van de RUG verwacht mag worden om met [eiser] te onderhandelen over de eventuele verkoop en levering van de bewuste strook grond. Tussen partijen is niet in geschil dat de RUG dat heeft gedaan. Die onderhandelingen hebben niet geleid tot een koopovereenkomst tussen partijen, omdat de RUG niet de door [eiser] gewilde strook grond wilde verkopen.

4.11.

Het Hof heeft in de tweede plaats ten overvloede overwogen:

Het zou RUG daarbij evenwel passen die grond niet eerder op door haar gewenste condities en voor de door haar gewenste prijs aan derden te koop aan te bieden dan na [eiser] in de gelegenheid te hebben gesteld deze grond onder diezelfde condities en voor diezelfde prijs in eigendom te verwerven, en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

4.12.

Ook in dit verband is de RUG niet tekort geschoten. Door [eiser] is niet gesteld dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de strook in eigendom te verwerven die de RUG wel wil verkopen. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of de RUG de strook grond zoals die gearceerd is aangegeven op de aan de leveringsakte van 31 maart 1998 gehechte kaart in zijn geheel aan [eiser] ter verkoop dient aan te bieden.

4.13.

De RUG is niet bereid die strook grond te verkopen. Volgens de rechtbank is zij daartoe ook niet gehouden. Het hof heeft immers beslist dat het ter zelfstandige afweging aan de RUG is of tot verkoop en levering van de strook grond aan [eiser] zal worden overgegaan en dat de RUG zich bij haar beoordeling kan laten leiden door (onder meer) haar inzichten voor wat betreft de instandhouding en wijze van exploitatie van de Hortus al dan niet bezien in samenhang met de financiële compensatie voor het afstoten van de strook grond. Hierin ligt besloten dat de RUG binnen redelijke grenzen de vrijheid heeft om niet de volledige strook grond maar een gedeelte daarvan aan te beiden. [eiser] heeft dit miskend. De RUG heeft onweersproken aangevoerd dat zij daarvoor een goede reden had. De RUG wil de exploitatie van de zogeheten "Laarmantuin" waar de door [eiser] gewilde strook grond onderdeel van uitmaakt, behouden. Daarmee heeft de RUG een redelijk belang geduid bij het niet willen verkopen van de door [eiser] gewilde strook grond.

4.14.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de vordering in conventie - die is gebaseerd op een andersluidende opvatting ten aanzien van de verplichtingen van de RUG jegens [eiser] - moet worden afgewezen.

4.15.

[eiser] zal als de in conventie in het ongelijk te stellen partijen worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Die kosten worden aan de zijde van de RUG begroot op € 618,00 aan verschotten en € 904,00 (tarief II, twee punten) aan salaris advocaat.

in reconventie

4.16.

De RUG vordert opheffing van het door [eiser] gelegde beslag en legt daaraan ten grondslag dat op grond van art. 705 Rv een beslag dient te worden opgeheven indien (summierlijk) van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

4.17.

Uit de daarover ontwikkelde rechtspraak blijkt dat art. 705 Rv. dient te worden uitgelegd in samenhang met art. 704 lid 2 Rv, waarin is bepaald dat een conservatoir beslag van rechtswege vervalt indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Dit brengt met zich dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, niet zonder meer moet worden toegewezen. Het komt aan op een weging van de wederzijdse belangen van partijen (zie: HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, m.nt. H.J. Snijders, "Bijl/Van Baalen").

4.18.

De opheffing van het beslag zal met zich zal brengen dat de RUG de strook grond aan de kopers ervan zal kunnen leveren, voordat over het geschil in conventie in een eventueel hoger beroep en cassatie kan worden geoordeeld. De kans dat de RUG de strook grond verkoop en levert aan derden is niet denkbeeldig. De RUG heeft dat ook in 2013 heeft gedaan met percelen die deel uitmaken van de Hortus.

4.19.

Gelet op de feitelijke situatie en de betrokken belangen van [eiser] gediend met de mogelijke verwerving van de grond, weegt zijn belang bij het laten voortduren van het beslag totdat definitief op zijn vordering is beslist, zwaarder dan het louter financiële belang van de RUG gediend met de mogelijkheid tot verkoop en levering van de grond aan derden. Dit brengt met zich dat het beslag niet eerder mag vervallen voordat de afwijzing van de vordering van [eiser] in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de regeling die art. 704 lid 2 BW geeft.

4.20.

De overige in reconventie tussen partijen opgekomen geschillen hangen samen met en vloeien voort uit het geschil dat tussen partijen bestaat ten aanzien van de kadastrale erfgrens. De grensgeschillen staan daardoor in een onlosmakelijk verband met de uitkomst van de procedure in conventie die ertoe strekt dat de grond waar de grensgeschillen betrekking op hebben aan [eiser] moet worden verkocht en geleverd.

4.21.

De rechtbank zal om die reden bij wege van uitzondering een deelvonnis wijzen en ten aanzien van de beslissing die in reconventie wordt genomen op de vordering tot opheffing van het beslag, op de voet van art. 337 Rv bepalen dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. De rechtbank zal iedere verdere beslissing in reconventie aanhouden. Partijen worden aldus in de gelegenheid gesteld het geschil in conventie volledig en het geschil in reconventie ten dele voor te leggen aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RUG tot op heden begroot op € 618,00 aan verschotten en € 904,00 aan salaris advocaat,

3. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4. verklaart de veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5. wijst de vordering tot opheffing van het beslag af,

6. verleent verlof om tegen deze beslissing tussentijds hoger beroep in te stellen,

7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.1

1 type: coll:633