Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1029

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
18/850048-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering in de hoedanigheid van budgetbeheerder, bewindvoerder en curator. Verdachte heeft in de jaren 2013, 2014 en 2015 in totaal ruim € 88.000,- verduisterd door bedragen van de bankrekeningen van haar cliënten over te maken naar haar eigen bankrekeningen. Daarnaast heeft verdachte een zorgovereenkomst valselijk opgemaakt. De rechtbank heeft tweemaal een taakstraf van de maximale duur opgelegd, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850048-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2014 tot en met 17 oktober 2014 te Appingedam, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 4.893,78 euro), toebehorend aan [slachtoffer 1] (zaak 1), in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het aan die [slachtoffer 1] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

2.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2013 tot en met 1 juli 2013 te Appingedam, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 7.470,00 euro), toebehorend aan [slachtoffer 2] (zaak 2), in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het aan die [slachtoffer 2] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

3.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2013 tot en met 31 juli 2014 te Appingedam, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 49.300,00 euro), toebehorend aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (zaak 3,4,5,21), in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

4.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] op of omstreeks 24 oktober 2014 te Appingedam, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 6.000,00 euro), toebehorend aan [slachtoffer 5] (zaak 8), in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het aan die [slachtoffer 5] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

5.

zij in of omstreeks de periode van 6 januari 2014 tot en met 24 oktober 2014 te Appingedam, althans in Nederland, een geschrift valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, te weten:

een zorgovereenkomst, gedateerd 6 januari 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, immers heeft verdachte valselijk een handtekening geplaatst op/onder bovenvermelde zorgovereenkomst en opzettelijk in die zorgovereenkomst vermeldt dat de vergoeding voor de door verdachte verrichte werkzaamheden per maand 1.000,00 euro bedraagt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

6.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] , op of omstreeks 25 juni 2014 te Appingedam, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (in totaal 12.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 6] (zaak 10), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

7.

zij handelend onder de naam [naam instantie 2] , op of omstreeks 03 september 2015 te Appingedam, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 4.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] / [slachtoffer 10] (zaak 15,16,17), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

8.

zij handelend onder de naam [naam instantie 2] , op of omstreeks 29 april 2015 te Appingedam, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (in totaal 2.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 11] (zaak 18), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

9.

zij handelend onder de naam [naam instantie 2] , op of omstreeks 20 april 2014 te Appingedam, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (in totaal 1.500,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 12] (zaak 19), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

10.

zij handelend onder de naam [naam instantie 1] , op of omstreeks 5 mei 2015 te Appingedam, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (in totaal 1.200,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 13] (zaak 20), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking en/of van haar beroep van/als persoonsgebonden budgethouder en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gesteld dat een bedrag ter grootte van tweemaal € 62,50 in mindering gebracht dient te worden op het totale ten laste gelegde bedrag. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 november 2014, opgenomen op pagina 4 e.v. van zaaksdossier 1 van het dossier Palisana van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R015041 d.d. 3 november 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2015, opgenomen op pagina 4 e.v. van zaaksdossier 2 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 1] , namens [slachtoffer 2] ;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 september 2014, opgenomen op pagina 5 e.v. van zaaksdossier 3 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 november 2014, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 4 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 november 2014, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 5 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 september 2014, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 21 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 november 2014, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 8 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 2] , namens [slachtoffer 5] ;

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 401 e.v. van map 1 van voornoemd dossier, inhoudende een zorgovereenkomst;

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 juni 2015, opgenomen op pagina 4 e.v. van zaaksdossier 10 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] ;

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 15 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3] , namens [slachtoffer 7] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 16 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3] , namens [slachtoffer 8] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 17 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3] , namens [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] ;

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 18 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3] , namens [slachtoffer 11] ;

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 19 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3] , namens [slachtoffer 12] ;

Ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 oktober 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van zaaksdossier 20 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 4] , namens [slachtoffer 13] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een bedrag van tweemaal € 62,50 in mindering dient te worden gebracht op het totale ten laste gelegde bedrag. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij € 62,50 per kwartaal in rekening bracht bij cliënten voor de door haar verleende diensten met betrekking tot het beheer van het persoonsgebonden budget. Nu deze bedragen binnen het verantwoordingsvrije bedrag van € 250,- vallen, is ten aanzien van deze bedragen geen sprake van verduistering.

De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het verduisterde bedrag ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op € 4.768,78 wordt gesteld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in de periode van 24 april 2014 tot en met 17 oktober 2014 te Appingedam telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 4.768,78 euro) toebehorend aan [slachtoffer 1] , welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder uit het aan die [slachtoffer 1] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

2.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2013 tot en met 1 juli 2013 te Appingedam telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 7.470,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 2] , welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar beroep als vertegenwoordiger onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

3.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op verschillende tijdstippen in de periode van 17 juni 2013 tot en met 31 juli 2014 te Appingedam telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 49.300,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

4.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op 24 oktober 2014 te Appingedam telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 6.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 5], welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder uit het aan die [slachtoffer 5] door het Zorgkantoor Menzis B.V. toegekende PGB-budget onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

5.

zij in de periode van 6 januari 2014 tot en met 24 oktober 2014 te Appingedam een geschrift valselijk heeft opgemaakt, te weten: een zorgovereenkomst, gedateerd 6 januari 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, immers heeft verdachte valselijk een handtekening geplaatst onder bovenvermelde zorgovereenkomst en opzettelijk in die zorgovereenkomst vermeld dat de vergoeding voor de door verdachte verrichte werkzaamheden per maand 1.000,00 euro bedraagt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;

6.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op 25 juni 2014 te Appingedam opzettelijk een geldbedrag (in totaal 12.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 6] , welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

7.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 2] , op 3 september 2015 te Appingedam telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal 4.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] / [slachtoffer 10] , welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;

8.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 2] , op 29 april 2015 te Appingedam opzettelijk een geldbedrag (in totaal 2.000,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 11] , welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

9.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 2] , op 20 april 2015 te Appingedam opzettelijk een geldbedrag (in totaal 1.500,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 12] , welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar beroep als gemachtigde en/of beheerder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

10.

zij, handelend onder de naam [naam instantie 1] , op 5 mei 2014 te Appingedam opzettelijk een geldbedrag (in totaal 1.200,00 euro) toebehorend aan [slachtoffer 13] , welk geldbedrag verdachte uit hoofde van haar beroep als vertegenwoordiger onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. In het bijzonder wordt hierbij overwogen dat het jaartal 2014, genoemd in feit 9, en het jaartal 2015, genoemd in feit 10, door de rechtbank als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

2. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

3. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

4. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

5. valsheid in geschrift;

6. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

7. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

8. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

9. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

10. verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de ernst van de feiten de oplegging een gevangenisstraf rechtvaardigt. Verdachte heeft een zeer groot bedrag verduisterd in haar positie van professioneel belangenbehartiger van zeer kwetsbare slachtoffers.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van tweemaal een taakstraf van 240 uren met daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het feit dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen, de persoonlijke gevolgen voor verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van ruim twee jaren in totaal ruim € 88.000,- verduisterd door bedragen van de bankrekeningen van haar cliënten over te maken naar haar eigen bankrekeningen. Daarnaast heeft verdachte een zorgovereenkomst valselijk opgemaakt, om de onterechte overboekingen als rechtmatig te doen overkomen. Als professioneel budgetbeheerder, bewindvoerder en curator had verdachte de toegang tot de bankrekeningen van cliënten. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte in deze verantwoordelijke positie gelden heeft verduisterd van een zeer kwetsbare groep mensen. De slachtoffers hebben zich immers tot verdachte gewend, omdat zij niet zelf in staat waren hun eigen geld te beheren. De slachtoffers waren voor het beheer van hun geld afhankelijk van verdachte en zij moesten volledig op verdachte als beheerder kunnen vertrouwen. Verdachte heeft dit vertrouwen op grove wijze geschaad. Zij heeft alleen oog gehad voor haar eigen bevoordeling en de voortgang van haar ondernemingen, en niet stilgestaan bij de belangen van de slachtoffers. De verduistering van de bedragen heeft veel schade veroorzaakt bij de gedupeerden. In een aantal gevallen waren de verduisterde bedragen afkomstig uit het aan die gedupeerden toegekende persoonsgebonden budget (pgb). Doordat de verduisterde bedragen niet konden worden verantwoord naar de verstrekker van het pgb, zijn enkele gedupeerden achteraf geconfronteerd met hoge terugvorderingen.

Gelet op de ernst van de feiten en de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een benadelingsbedrag van € 70.000,- tot € 125.000,-, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd.

De rechtbank acht echter ook van belang dat de schade wordt vergoed aan de benadeelde partijen. Verdachte heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij weer inkomen uit loondienst heeft en dat zij voornemens is alle schade te vergoeden. Ook is gebleken dat verdachte reeds is begonnen met het vergoeden van de schade. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal tot gevolg hebben dat verdachte (tijdelijk) geen inkomen zal hebben, dat zij mogelijk haar baan zal verliezen en dat daarmee het voornemen om de schade te vergoeden zal worden doorkruist.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, nooit eerder is veroordeeld.

Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 EVRM. Op 9 juni 2015 heeft bij verdachte een doorzoeking plaatsgevonden en is door de politie aangekondigd dat zij enkele weken daarna zou worden aangehouden en als verdachte zou worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op 9 juni 2015 in redelijkheid kon verwachten dat tegen haar door het openbaar ministerie strafvervolging werd ingesteld. Op 24 november 2017 is het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, waarna het onderzoek is geschorst op verzoek van de verdediging. Deze vertraging dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van de verdediging te komen. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden.

Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu een onvoorwaardelijke taakstraf van maximale duur evenwel onvoldoende recht zal doen aan de ernst van de feiten, ziet de rechtbank aanleiding om, zoals ook door de verdediging is verzocht, tweemaal een taakstraf van de maximale duur op te leggen, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte, nu wordt afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, reeds voldoende gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn en behoeft er geen korting op de op te leggen taakstraffen te worden toegepast.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 18.049,97 ter zake van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 2);
2. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 9.089,- ter vergoeding van materiële schade en € 500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 3);
3. [slachtoffer 7] , tot een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 7);

4. [slachtoffer 8] , tot een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 7);

5. [slachtoffer 9] , tot een bedrag van € 2.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 7);

6. [slachtoffer 11] , tot een bedrag van € 2.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 8);

7. [slachtoffer 12] , tot een bedrag van € 1.500,- ter vergoeding van materiële schade en

€ 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 9);

8. [slachtoffer 13] , tot een bedrag van € 1.200,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 10).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering en dat de vorderingen van [slachtoffer 4] tot een bedrag van € 1.300,-, [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] tot een bedrag van € 1.500,- en [slachtoffer 13] kunnen worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een bedrag ad € 1.300,- kan worden toegewezen. De raadsman verzoekt het gedeelte van de vordering dat ziet op de toeslagen van de Belastingdienst niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het nader bevragen van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Het gedeelte van de vordering dat ziet op kleedgeld dient volgens de raadsman te worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard, nu dit niet onderbouwd is. De raadsman heeft daarnaast verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 12] op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade ad € 1.500,- toewijsbaar is en dat het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade niet toewijsbaar is.

De vorderingen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 13] acht de raadsman toewijsbaar.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] :

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer 2] onder bewind is gesteld. Nu [naam 1] niet kan worden beschouwd als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] en er geen machtiging is bijgevoegd, is [naam 1] niet bevoegd tot het indienen van een vordering namens [slachtoffer 2] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] :

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, verdriet en woede vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van materiële schade gevorderd, bestaande uit spaargeld ad € 1.300,-, toeslagen van de Belastingdienst ad € 8.089,- en kleedgeld ad

€ 200,-.

De rechtbank acht ten aanzien van de toeslagen van de Belastingdienst en het kleedgeld geen causaal verband aanwezig met het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde. De rechtbank zal deze gedeelten van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade, die betrekking heeft op het spaargeld, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 juli 2014.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 7 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 11] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 8 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 12] :

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van stress vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij materiële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 9 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 april 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 13] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 10 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 mei 2014.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 4 maanden zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 4 maanden zal worden toegepast.

ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 2:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.300,- (zegge: duizend driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , voor zover deze ziet op immateriële schade ad € 500,-, wordt afgewezen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 1.300,- (zegge: duizend driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.300,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2014.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 7:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 7:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 7:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 2.000,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2015.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 8:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 2.000,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2015.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 9:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2015.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 10:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.200,- (zegge: duizend tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13] te betalen een bedrag van € 1.200,- (zegge: duizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.200,- aan materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2014.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2018.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.