Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1028

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
18/820001-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 168 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met daaraan

gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal mishandelingen, aan het beledigen van een politieagente en aan het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 184
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820001-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/243533-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.W.A. Dekens, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/820001-18

1.

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glazen

asbak tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld

door een glazen asbak tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te gooien;

2.

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te Groningen,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen met gebalde vuist in het gezicht

en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan;

3.

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk

een of meer asbak(ken) en/of de muur van een woning gelegen aldaar aan de

[straatnaam], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te Groningen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

in de zaak met parketnummer 18/243533-17

5.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Delfzijl

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar

- meermalen te slaan/stompen en/of

- meermalen te schoppen/trappen en/of

- meermalen te bijten;

6.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Delfzijl

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem aan zijn haren te trekken;

7.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Delfzijl

[slachtoffer 5] heeft mishandeld door haar (op/van de trap) te duwen

waardoor zij ten val kwam;

8.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Delfzijl

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6], hoofdagent van de politie,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening,

in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door haar de woorden toe te voegen: "Jij bent een vies wijf. Hoer, vieze

hoer, smerig kutwijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

9.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Delfzijl

opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig

wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wetboek van Strafvordering,

gedaan door een ambtenaar, te weten, [slachtoffer 7], brigadier van de

politie en/of [slachtoffer 8], inspecteur van de politie, belast met de

uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot

het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze

ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan

een speekseltest en/of een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.

De rechtbank heeft ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis de onder de verschillende parketnummers aangebrachte feiten doorlopend genummerd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste is gelegd, nu deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste is gelegd, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 primair, 1 subsidiair, 3, 4, 6 en 7 ten laste is gelegd, nu deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2, 5, 8 en 9 ten laste is gelegd heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan daarom worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 januari 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018004183 d.d. 4 januari 2018, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 3 januari 2018 kregen wij een melding van een mishandeling te Groningen. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer 1] aan. [slachtoffer 1] vertelde ons het volgende: "Ik heb ruzie gekregen met mijn vriend [verdachte] (roepnaam: [verdachte]). Hierbij ben ik drie keer door hem tegen mijn hoofd geslagen. Mijn vriend sloeg mij met een vuist en dit deed pijn".

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 januari 2018, bijgevoegd als los document bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Ik zag dat [verdachte] mijn tante [slachtoffer 1] vanuit het niets een vuistslag in haar gezicht gaf. Even later zag ik dat [verdachte] mijn tante wederom een vuistslag gaf in haar gezicht.

Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft geslagen. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verklaring van het slachtoffer, direct na het incident afgelegd tegenover de ter plaatse gekomen verbalisanten, wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige]. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen. Niet valt in te zien waarom zij in strijd met de waarheid een belastende verklaring jegens verdachte zouden afleggen. De rechtbank zal daarom ook uitgaan van de juistheid van deze verklaringen.

Ten aanzien van het onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 5, 6, en 7 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017303436 d.d. 4 december 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Op 17 november 2017 ben ik in mijn woning te Delfzijl meermalen in mijn gezicht geslagen en gestompt door mijn vriend [verdachte] (roepnaam: [verdachte]). Hij heeft mij ook gebeten, ten gevolge waarvan ik een bijtwond heb opgelopen. Ik ben voorts over mijn hele bovenlichaam geslagen en gestompt door mijn vriend. Mijn zoon [slachtoffer 4] is door [verdachte] aan zijn haren getrokken. Zijn hoofd doet nu zeer. Ik hoorde van mijn dochter [slachtoffer 5] dat zij door [verdachte] van de trap is geduwd. Zij heeft nu pijn aan haar billen.

2. een letselrapportage ten behoeve van politie en justitie d.d. 22 november 2017 opgemaakt door forensisch arts T. van Mesdag van de Forensische Geneeskunde van de GGD Groningen, opgenomen op p. 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer 3]. Opgegeven toedracht: mishandeling bestaande uit het slaan en stompen in het gelaat en op het bovenlichaam, alsmede uit het bijten in de linkerborst. Conclusie: Ouderdom en patroon van de letsels kunnen goed passen bij de opgegeven vorm van geweld.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 17 november 2017 bevonden wij ons naar aanleiding van een melding in een woning te Delfzijl. Wij namen een aangifte op van [slachtoffer 1] ter zake mishandeling door [verdachte] (roepnaam [verdachte]). Omdat de kinderen bij het huiselijk geweld waren betrokken, spraken wij met de kinderen. Wij hoorden [slachtoffer 5] zeggen dat zij vanochtend door papa ([verdachte]) van de trap was geduwd. Ik, verbalisant, vroeg aan [slachtoffer 5] om bij mij voor te doen hoe papa haar duwde. Ik zag en voelde dat [slachtoffer 5] mij met twee handen in mijn rug duwde. Wij hoorden [slachtoffer 5] zeggen dat papa dat expres had gedaan. Wij hoorden haar zeggen dat de trap net een glijbaan was en dat ze een zere bips had. Wij zagen een blauwe plek bovenaan haar rechterbil en een blauwe plek op haar linkerbil. Wij spraken vervolgens met [slachtoffer 4]. Wij hoorden [slachtoffer 4] zeggen dat hij pijn aan zijn hoofd had omdat [verdachte] hem aan zijn haren had getrokken.

Met betrekking tot de hierboven weergegeven standpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster en haar twee kinderen heeft mishandeld. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte onder 5, 6 en 7 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De aangifte van [slachtoffer 3] wordt ondersteund door de opgemaakte letselrapportage, waaruit blijkt dat de bij aangeefster waargenomen letsels passen bij de door haar opgegeven toedracht. Dat de kinderen zijn mishandeld door verdachte blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 3], waarin zij verklaart te hebben gezien dat haar zoon aan de haren is getrokken en van haar dochter te hebben gehoord dat zij van de trap is geduwd. Dit deel van de aangifte van [slachtoffer 3] wordt ondersteund door het door de ter plaatse gekomen verbalisanten op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de kinderen kort na het voorval spontaan aan de verbalisanten hebben verklaard over de mishandelingen. Dat [slachtoffer 5] door verdachte van de trap is geduwd wordt voorts bevestigd door het door de verbalisanten geconstateerde letsel, te weten blauwe plekken op haar billen. De verklaring van verdachte dat aangeefster en haar twee kinderen in strijd met de waarheid een belastende verklaring jegens hem zouden hebben afgelegd, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 8 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 9 bewezen verklaarde het volgende bewijsmiddel toe dat de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevat zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 17 november 2017 bevond ik, [slachtoffer 7], mij op het politiebureau te Delfzijl. [verbalisant 1], hoofdagent, deelde mij mede dat er zojuist een verdachte ( [verdachte] ) was aangehouden ter zake huiselijk geweld. [verbalisant 1] verzocht mij om van deze verdachte een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht af te nemen ter vaststelling van het gebruik van alcohol. Tevens verzocht hij mij om een onderzoek naar speeksel te doen ter vaststelling van het gebruik van andere middelen. Ik, [slachtoffer 7], vroeg aan de verdachte om zijn medewerking te verlenen. Ik hoorde dat de verdachte zei: "Ik ga daar niet aan meewerken. Ik ga niet meewerken aan die onderzoeken". Ik vorderde van de verdachte zijn medewerking. Ik deelde hem mee dat bij niet medewerken hij een afzonderlijk strafbaar feit pleegt. Ik hoorde dat de verdachte zei: "Ik werk niet mee. Ik blijf wel langer zitten".

Op grond van bovenstaand bewijsmiddel is de rechtbank van oordeel dat het onder 9 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het niet meewerken aan bloedonderzoek. Dit laatste valt immers niet onder de werking van artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, zoals opgenomen in de tenlastelegging. Van dit deel van de tenlastelegging zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

(in de zaak met parketnummer 18/820001-18)

2.

hij op 3 januari 2018 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan;

(in de zaak met parketnummer 18/243533-17)

5.

hij op 17 november 2017 te Delfzijl [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar

- meermalen te slaan/stompen en

- te bijten;

6.

hij op 17 november 2017 te Delfzijl [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem aan zijn haren te trekken;

7.

hij op 17 november 2017 te Delfzijl [slachtoffer 5] heeft mishandeld door haar van de trap te duwen waardoor zij ten val kwam;

8.

hij op 17 november 2017 te Delfzijl opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6], hoofdagent van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "Jij bent een vies wijf. Hoer, vieze hoer, smerig kutwijf";

9.

hij op 17 november 2017 te Delfzijl opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [slachtoffer 7], brigadier van de

politie, belast met het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een speekseltest, hieraan geen gevolg te geven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

(in de zaak met parketnummer 18/820001-18)

2. mishandeling

(in de zaak met parketnummer 18/243533-17)

5. mishandeling

6. mishandeling

7. mishandeling

8. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening

9. opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare

feiten

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering in de door haar omtrent verdachte opgemaakte rapportage d.d. 6 maart 2018.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die in duur gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van beperktere duur dan geëist door de officier van justitie. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf kan een proeftijd van drie jaren worden verbonden en daaraan kunnen tevens de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd in voornoemde reclasseringsrapportage, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde inhoudende woonbegeleiding. Deze woonbegeleiding is niet noodzakelijk, gelet op het feit dat de (peet)oom en (peet)tante van verdachte hebben aangegeven dat verdachte, zodra hij vrij komt, bij hen kan komen wonen in Apeldoorn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal mishandelingen, waarvan zijn inmiddels ex-vriendin en haar twee kinderen het slachtoffer zijn geworden. De mishandelingen hebben plaatsgevonden gedurende de periode dat verdachte en zijn ex-vriendin nog een relatie met elkaar hadden. Binnen deze relatie liepen de gemoederen tussen verdachte en zijn ex-vriendin vaak hoog op. Hoewel aangeefster met haar gedrag mogelijk een reactie bij verdachte heeft opgeroepen, rechtvaardigt dat op geen enkele manier dat verdachte geweld tegen haar heeft gebruikt. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat ook de kinderen van zijn ex-vriendin slachtoffer zijn geworden van zijn mishandelingen. Huiselijk geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers hiervan meestal nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. Zij zouden zich juist veilig moeten voelen in hun vertrouwde omgeving.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het beledigen van een politieagente en aan het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel. Het behoeft geen betoog dat dergelijke feiten het gezag van de politie ondermijnen en blijk geven van een gebrek aan respect voor autoriteit en de eer of goede naam van opsporingsambtenaren.

De rechtbank overweegt dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere geweldsdelicten, waarbij het eveneens ging om huiselijk geweld. Verdachte was zodoende een gewaarschuwd mens, maar dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen dan ook zonder meer het opleggen van een substantiële straf.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 6 maart 2018 komt naar voren dat de problemen van verdachte vooral ontstaan in de periodes dat hij een relatie heeft. Verdachte kan zich binnen relaties verliezen in ruzies en de daaropvolgende escalaties genereren telkens opnieuw problemen. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in voornoemd rapport.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zullen de na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden die tot doel hebben het gedrag van verdachte te beïnvloeden en herhaling te voorkomen. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank van oordeel is dat deze straf in dit geval voldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.098,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 3, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 184, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 168 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde zich binnen een week na het onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch meldt bij de reclassering van GGZ VNN Groningen op telefoonnummer
[telefoonnummer], en zich blijft melden bij deze reclasseringsinstelling (dan wel - gelet op zijn voorgenomen verhuizing van Groningen naar Apeldoorn of Utrecht - bij een andere reclasseringsinstelling in de regio van vestiging, indien en zodra GGZ VNN Groningen de overdracht van zijn zaak aan die andere reclasseringsinstelling heeft gerealiseerd), zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van 18/820001-18, feit 3

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2018.