Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1026

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
18/730200-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Maatregel TBS met dwangverpleging voor verdachte ter zake doodslag op zijn moeder en een poging tot doodslag op zijn vader. Voorbedachte raad wordt niet bewezen geacht. Verdachte was volledig ontoerekeningsvatbaar zodat naast deze maatregel geen straf wordt opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730200-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het PPC te Zwolle

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2018.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P.J. Logemann, advocaat te Harlingen. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. De raadsman blijft met de verdediging belast, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 509d, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juni 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente

Leeuwarden, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

(zijn moeder) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in

elk geval met dat opzet, [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek, althans in het

lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden;

2.

hij op of omstreeks 22 juni 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente

Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, (zijn vader)

[slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet,

[slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of

puntig voorwerp, in de hals/nek, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of

gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1 en 2 ten laste gelegde voorbedachte raad. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier weliswaar aanknopingspunten biedt voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel, maar dat daarvoor eveneens contra-indicaties bestaan. Alles afwegende meent de officier van justitie dat op grond van de bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg, zodat voorbedachte raad niet bewezen kan worden.

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde doodslag op zijn moeder [slachtoffer 1] en de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag op zijn vader [slachtoffer 2].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, met de officier van justitie, betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hij heeft voorts bepleit dat de onder 1 ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] en de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan moord dan wel doodslag op zijn moeder [slachtoffer 1]. Onder 2 is ten laste gelegd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag op zijn vader [slachtoffer 2].

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde voorbedachte raad op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal dit deel van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dan ook niet bewezen verklaren.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 22 juni 2017 wordt op het tuinpad voor een woning, gelegen aan de Bereklauw te Leeuwarden het levenloze lichaam aangetroffen van een vrouw. Voor de woning treft de politie eveneens een gewonde man aan, die de echtgenoot van de overleden vrouw blijkt te zijn. Al gauw wordt duidelijk dat de zoon van beiden als verdachte dient te worden aangemerkt. Hij wordt ter plaatse aangehouden.2

Verdachte heeft verklaard dat hij met een mes in zijn hand vanuit zijn slaapkamer naar beneden is gelopen waarna hij zijn moeder, [slachtoffer 1], vastpakt. Op het moment dat zijn vader, [slachtoffer 2], de kamer binnenkomt, richt verdachte zijn aandacht op zijn vader. Verdachte steekt zijn vader opzettelijk in de hals met de bedoeling hem te doden. Zijn moeder vlucht de woning uit. Nadat verdachte zijn vader heeft gestoken, rent hij zijn moeder achterna. Nadat zijn moeder is gestruikeld op het tuinpad voor de woning en probeert op te staan, steekt verdachte zijn moeder opzettelijk in de hals met de bedoeling haar te doden.3

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zijn zoon, verdachte, hem in de hals stak. Zijn vrouw rent vervolgens naar buiten en struikelt waarna verdachte haar weet te bereiken. Buiten aangekomen ziet [slachtoffer 2] zijn vrouw liggen met een bloedende wond in haar hals.4

[slachtoffer 2] is onderzocht door een forensisch arts. De arts constateerde aan de rechterzijde van de hals een gehechte wond van ongeveer 2,5 cm met scherpe wondranden. Contact met een mes wordt aannemelijk geacht.5

Op het lichaam van [slachtoffer 1] is sectie verricht. In de hals, aan de rechterzijde, worden twee steekkanalen aangetroffen. De V-vorm van de huidklieving en de aanwezigheid van twee steekkanalen past bij een letselcomplex dat is toegebracht door meerdere (waarschijnlijk twee) steekbewegingen, aldus de patholoog-anatoom. Het overlijden wordt verklaard door verbloeding.6

Met de officier van justitie en de raadsman komt de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte doodslag heeft gepleegd op zijn moeder en een poging tot doodslag op zijn vader. Een en ander zoals hierna weergegeven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 juni 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk zijn moeder [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer 1] meermalen met een mes in de hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 22 juni 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn vader [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet [slachtoffer 2] met een mes in de hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Doodslag.

2. Poging tot doodslag.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport), opgemaakt door M.D. van Ekeren, psychiater, en I. Schilperoord, psycholoog.7

Verdachte verbleef gedurende een periode van zeven weken in het PBC. Tijdens deze periode heeft hij gedeeltelijk meegewerkt aan het onderzoek. Verdachte heeft een aantal langdurige gesprekken gevoerd met de psycholoog en één gezamenlijk gesprek met de psychiater en de psycholoog. Verdere gesprekken met de psychiater en de milieuonderzoeker zijn door verdachte geweigerd. Ondanks de onderzoeksbeperkingen is er volgens de rapporteurs gedurende het verblijf van verdachte en alle beschikbare overige informatie een voldoende solide diagnostisch beeld ontstaan. Volgens de deskundigen is bij verdachte sprake van een ernstige psychopathologie. Verdachte heeft paranoïde wanen en grootheidswanen. Er is onder meer sprake van een paranoïde waan jegens zijn familie. De ziekelijke stoornis kent sterke psychotische symptomen en bevat daarbij ook een duidelijke stemmingscomponent. Afgaand op de verschijningsvorm van de stoornis alsook op het ontstaan en de ontwikkeling ervan, is een stoornis in het schizofrenie spectrum het meest waarschijnlijk.

De psychotische stoornis is al jaren duidelijk aanwezig en is ook aanwezig geweest ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Gezien dit robuuste, door de tijd heen consistente en ernstig realiteitsgestoorde beeld van verdachte en het directe verband tussen zijn paranoïde psychotisch beleven en de bewezenverklaarde feiten, is verdachte volgens de deskundigen ontoerekeningsvatbaar te achten ten aanzien van deze feiten.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, met de officier van justitie en de raadsman, dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte dan ook niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens gepleit voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte doodslag heeft gepleegd op zijn moeder en een poging daartoe op zijn vader. Bij verdachte is sinds meerdere jaren sprake van psychiatrische problematiek, die in de loop der tijd ernstiger is geworden. Uit het dossier blijkt van de grote impact die dit heeft gehad. Niet alleen op verdachte, maar ook op zijn familie en vrienden. De ouders van verdachte hebben veel in het werk gesteld om verdachte te helpen en om op de juiste manier met hem om te gaan. Door het drama dat zich op 22 juni 2017 heeft afgespeeld moet de familie [achternaam] nu hun verdere leven leiden met het gemis van hun vrouw en moeder.

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens het hiervoor genoemde PBC-rapport bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Volgens de deskundigen, voornoemd, is verdachte een psychiatrisch ernstig zieke man die lijdt aan een chronisch, zonder behandeling, vaak progressieve stoornis. Zonder behandeling is geen verbetering te verwachten. Het recidiverisico op zeer ernstige gewelddadige delicten is op de korte en langere termijn hoog. Het is van groot belang dat verdachte wordt behandeld, zowel voor zijn eigen welzijn als voor het terugdringen van het recidiverisico. Verdachte heeft geen ziektebesef en geen ziekte-inzicht. Verdachte wil niet behandeld worden en weigert medicatie. Een behandeling in een voorwaardelijke kader wordt daarom als niet haalbaar ingeschat. De enige optie die volgens de deskundigen resteert is een verplichte behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de deskundigen verenigen en neemt deze over. De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het PBC-rapport zoals hiervoor weergegeven afdoende blijkt dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen deze verpleging eist.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2018.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met dossiernummer PV-004-01, gesloten op 15 januari 2018.

2 De processen-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juni 2017, p. 387 en 388.

3 Het proces-verbaal van bevindingen uitwerken verhoor verdachte, d.d. 3 juli 2017, p. 163.

4 Het proces-verbaal van verhoor, d.d. 22 juni 2017, p. 471.

5 Het rapport van GGD Fryslân, Letselverklaring, d.d. 26 juni 2017, p. 479.

6 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 14 juli 2017, p. 366.

7 Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 9 februari 2018.