Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1010

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
18/830274-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het plegen van ontucht met vier kinderen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830274-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Bellingwedde, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 en/of met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 en/of met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2009 en/of met [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 2009 die (elk) toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het ontkleden en/of laten ontkleden van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- het op schoot zetten en heen en weer laten wiebelen op zijn geslachtsdeel van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- het betasten met zijn, verdachtes, penis en/of met zijn, verdachtes, vinger(s), althans met enig (ander) lichaamsdeel van hem, verdachte van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de schaamstreek en/of

- het laten zoenen van de kinderen met elkaar in wisselende samenstelling en daar foto's van maken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde ‘door verdachte op de schoot zetten van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) bij verdachte en hem heen en weer laten wiebelen op het geslachtsdeel van verdachte’, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte voornoemde handelingen bij [slachtoffer 4] heeft verricht.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het overige ten laste gelegde veroordeling gevorderd. De officier van justitie heeft aangevoerd dat nu er foto’s van de slachtoffers zijn aangetroffen op de mobiel van verdachte en DNA-materiaal van verdachte op de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] in zijn verhoor heeft verklaard dat verdachte de dader is en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) de dader, naar later bleek verdachte, heeft aangewezen op een foto, het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die de ontuchtige handelingen heeft verricht bij de slachtoffers.

Ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde ‘door verdachte op de schoot zetten van [slachtoffer 3] bij verdachte en hem heen en weer laten wiebelen op het geslachtsdeel van verdachte’ heeft de officier van justitie aangevoerd dat [slachtoffer 1] de moeder van [slachtoffer 3] hierover heeft verteld. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ook [slachtoffer 3] heeft verklaard dat voornoemd gedeelte van de tenlastelegging heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat beide slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben verklaard dat zij door een man van onderen, bij hun schaamstreek, zijn betast. [slachtoffer 1] heeft dit zowel in het studioverhoor als tegen haar moeder gezegd. Ook heeft zij verklaard dat de man daarbij zijn vinger heeft gebruikt, dat [slachtoffer 2] hierbij aanwezig was en dat de man dezelfde ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 2] heeft verricht. [slachtoffer 2] heeft verklaard over het uittrekken van kleding, dat er handelingen zijn verricht bij de schaamstreek, dat de man hierbij ook zijn eigen geslachtsdeel heeft gebruikt en dat [slachtoffer 1] hierbij ook aanwezig was. Deze verklaringen worden ondersteund door het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte op de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer 2] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdenking jegens verdachte niet volgens de regelen der kunst tot stand is gekomen, nu verdachte door ‘een meisje’ op foto's als dader is aangewezen, maar de naam van het meisje en de betreffende foto’s in het dossier ontbreken. Door verbalisanten is voortgeborduurd op informatie die zij ter plaatse kregen zonder deze te verifiëren en er is sprake geweest van beïnvloeding van getuigen.

Ten aanzien van de verklaring die is afgelegd door [slachtoffer 1] heeft de raadsman bepleit dat deze onbetrouwbaar is en daarom geen bijdrage kan leveren aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft betoogd dat dit verhoor en het daaruit voortvloeiende proces-verbaal op bepaalde punten onvolledig of onnauwkeurig is en geen ondersteuning vindt in objectieve stukken. Voorts is volgens de raadsman de verklaring van [slachtoffer 1] geen ondersteuning voor het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde ‘op de schoot zetten van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bij verdachte en hen heen en weer laten wiebelen op het geslachtsdeel van verdachte’. De raadsman heeft bepleit dat indien de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] wel betrouwbaar acht, hetgeen door haar is verklaard niet als strafrechtelijk relevant kan worden gezien.

Ten aanzien van de verklaring die is afgelegd door [slachtoffer 3] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het verhoor niet volgens de regelen der kunst is uitgevoerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat uit deze verklaring niet kan volgen in hoeverre er sprake was van enige invloed van de man, waarover het slachtoffer in zijn verklaring spreekt, op het op schoot zitten. De raadsman heeft geconcludeerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] op essentiële punten strijdig zijn met elkaar en daarom geen bewijswaarde hebben.

De raadsman heeft ten aanzien van het aangetroffen DNA bepleit dat ook dit bewijsmiddel geen bijdrage kan leveren aan wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de kleding van de slachtoffers niet op juiste wijze is verpakt. Enkel de kleding van [slachtoffer 1] is afzonderlijk verpakt en hierop is geen DNA van verdachte aangetroffen, hetgeen een contra-indicatie is. Voorts heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte met de kinderen heeft gespeeld, waardoor het DNA kan zijn overgedragen.

Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van de foto’s die zijn aangetroffen op de mobiele telefoon van verdachte opgemerkt dat deze onschuldig van aard zijn en hierop kinderen te zien zijn die plezier lijken te hebben. De raadsman heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat deze foto’s geen ontuchtig karakter hebben.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de bewijsmiddelen – door wisselende verklaringen – onvoldoende duidelijk blijkt of [slachtoffer 3] op de schoot van verdachte heeft gezeten en of verdachte [slachtoffer 3] op zijn geslachtsdeel heeft laten bewegen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van de moeder van [slachtoffer 4] , waarin wordt gezegd dat [slachtoffer 4] zelf ook heeft aangegeven niet te zijn aangeraakt door verdachte, en de verklaring van de moeder van [slachtoffer 3] , waarin wordt verklaard dat [slachtoffer 1] heeft gezegd dat [slachtoffer 4] niet is misbruikt omdat de kinderen werden geroepen door de moeder van [slachtoffer 1] en de man daarom de kinderen liet gaan.

De rechtbank acht voorts het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde ‘het door verdachte betasten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de schaamstreek met verdachtes geslachtsdeel’ niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. De rechtbank overweegt hierbij dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hierover in hun verhoren niet hebben verklaard en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] beiden hebben verklaard dat verdachte zijn kleding heeft aangehouden.

De rechtbank past voor het overige de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2015, opgenomen op pagina 73 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016214676 d.d. 26 juli 2016, inhoudende de verklaring van [moeder van slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte namens mijn dochter [slachtoffer 1] . Ze kwam bij me. Ze moest huilen en ze had pijn onder. Ze zei dat ze in de zaal zat en dat een jongen haar had aangehouden in een toiletruimte of badruimte. Ik heb een wond gezien bij het urinegedeelte. Het was een open wond, zonder bloed, maar rood van kleur. Ze zei: “die jongen heeft mij verwond van onderen”. Ze zei dat die jongen haar met zijn vinger van onderen betast heeft. Ik bedoel hiermee in het geslachtsgedeelte.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2016, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [moeder van slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte namens mijn dochter [slachtoffer 2] . Ik trof de kinderen aan op het speelterrein. Ze waren een beetje angstig. In het ziekenhuis heb ik mijn dochter gevraagd wat er gebeurd was. Ze zei letterlijk: “papa we gingen naar het toilet. Hij heeft mijn broek uitgedaan en ook de onderbroek”. De vrouwelijke arts zei dat er wel lichte penetratie of bewegingen waren geweest.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 september 2015, opgenomen op pagina 107 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [vader van slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte namens mijn zoon [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft tegen me gezegd dat die man had gevraagd zijn broek uit te doen. [slachtoffer 3] heeft mij verteld dat [verdachte] hem naar het toilet heeft gebracht.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2015, opgenomen op pagina 123 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [ouder van slachtoffer 4] :

[slachtoffer 4] heeft gezegd dat de man had gevraagd aan de kinderen om de kleren uit te doen en dat [slachtoffer 2] en de andere twee kinderen door de man geknuffeld zijn.

Aan [ouder van slachtoffer 4] worden 4 foto’s getoond (deze foto’s zijn opgenomen op pagina 126 tot en met 129 van voornoemd dossier). [ouder van slachtoffer 4] zegt dat op foto 2 alle vier de kinderen te zien zijn. Van links naar rechts zijn dit [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Op foto 3 herkent ze [slachtoffer 1] . Op foto 4 zegt [ouder van slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] te zien. Zij zijn aan het zoenen. [ouder van slachtoffer 4] denkt op foto 5 [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] te zien.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2015, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

[slachtoffer 2] was in badkamer met de kleine kinderen. De man is gekomen. Daarna deed hij dingen die niet aangepast zijn.

V:Wie is [slachtoffer 3] ?

A: Die was ook in Hamam.

V: Wie was nog meer in Hamam?

A: [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] .

V: Jij was in de Hamam en die man deed onaangepast gedrag, wat deed hij?

A: [slachtoffer 2] is meteen naar binnen gegaan.

V: Waar is [slachtoffer 2] naar binnen gegaan?

Naar de wc, naar binnen. Ze zei ook nog dat hij de deur op slot deed.

V: Wie waren in het toilet?

A: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en die oude man. Wij hebben aan de deur geklopt, maar we konden de deur niet open doen. Hij trok hun broeken uit. Ik zag dat. Ik lag op de grond en zag van onder naar boven. Ik had een rozetrui met spider men erop en een roze broek en die moest ik uitdoen. Die man trok mijn broek uit.

V: Wat deed die man daarna?

A: Ongepast dingen. Hij dwong met zijn handen binnen.

V: Wat zag je dat die man deed?

A: Eerst deed hij dat met [slachtoffer 2] en daarna met mij, dat ongepaste gedrag.

V: Hoe was het met je onderbroek?

A: Dat trok hij uit.

V: Waar bleven die kleren?

A: Hij trok niet alle kleding uit. Hij trok het niet helemaal uit, hij trok het naar beneden.

V: Toen die man het bij jou deed, was dat voor dat hij met [slachtoffer 2] in de wc was of daarna?

A: Eerst was ik aan de beurt.

V: waarmee deed hij ongepast gedrag?

A: met zijn handen. Met deze.

O: [slachtoffer 1] steekt haar wijsvinger omhoog.

V: Wat deed hij dan?

A: Hij drong met zijn hand binnen.

O: [slachtoffer 1] prikt met de vinger op haar been.

V: Deed hij dat daar of ergens anders?

A: Ergens anders.

O: [slachtoffer 1] wijst naar haar kruis.

V: Hoe noem jij dat?

A: kut. Hij drong zijn hand binnen. Met zijn hand zo.

V: Toen hij binnengedrongen was, wat deed zijn hand toen?

A: Hij bewoog zijn vinger.

V: Bij wie deed hij het eerst onaangepast gedrag?

A: Eerst met mij, daarna met [slachtoffer 2] . En ik zei tegen mama dat de man gekrulde haren had.

V: Wat heb jij gezien wat die man met [slachtoffer 2] heeft gedaan?

A: Net als met mij. Hij deed zijn handen hier. Haar kleren waren uitgetrokken.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2015, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] :

Er waren vier kinderen bij, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en ik. Bij de computer wc waren wij en hij heeft ons allemaal geroepen. Hij zei kom we gaan spelen. Hij heeft toen ons met onze handen gepakt en meegenomen. Geroepen en aan onze handen getrokken en toen moesten wij mee naar de wc van de computer. Die heet [verdachte] .

V: Waar waren jullie dan voordat hij jullie mee trok?

A: Wij moesten naar de wc hij heeft ons gevraagd om onze kleding uit te doen. We moesten onze boven kleding uit doen en onze onderkleding.

Hij heeft toen gezegd: "Jullie moeten je kleren uitdoen". Dat hebben we gedaan en toen moest ik als eerste. Eerst heeft [slachtoffer 4] zijn kleren uitgedaan, daarna [slachtoffer 2] , daarna [slachtoffer 1] en daarna ik. Alle kleren uit.

V: Waar zat jij dan?

A: Op de grond. [verdachte] stond. [slachtoffer 1] zat hier.

V: Waar waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] dan?

A: [slachtoffer 4] zat op de grond en [slachtoffer 2] zat ok hier.

V: Had [verdachte] ook een telefoon?

A: ja

V: Waar was die telefoon?

A: in de wc.

V: Wat deed [verdachte] met die telefoon op de computer wc?

A: Hij belt sluit hem af, hij belt sluit hem af, hij belt sluit hem af.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 augustus 2015, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

Omstreeks 19:45 uur kwam een man met dochter aan de balie. Hij vertelde dat zijn dochter is misbruikt door een bewoner van het AZC. Terwijl ik met de man in gesprek was kwam er een vrouw met haar dochter aanlopen en vertelde dat haar dochter ook was misbruikt.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 september 2015, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

Er is gevraagd aan [slachtoffer 1] of zij kon aanwijzen welke man het was geweest. [slachtoffer 1] wijst dan een man aan in het systeem. [slachtoffer 1] heeft [verdachte] aangewezen als persoon die het gedaan heeft bij haar.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 oktober 2015, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte] :

U vraagt mij wie er gebruik maakten van de telefoon die in [pleegplaats] in beslag is genomen. Ik gebruik hem alleen, niemand anders. Sinds ik een [pleegplaats] ben heb ik altijd die telefoon. U zegt mij dat er op mijn telefoon meerdere foto’s van kinderen zijn aangetroffen en dat het lijkt alsof deze foto’s stiekem zijn genomen. Ik heb die foto’s nooit teruggekeken. De mogelijkheid bestaat, maar ik weet het niet. Ik ken [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] nog van Ter Apel.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 181 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verslaglegging van verbalisant:

Onder verdachte, [verdachte] , is inbeslaggenomen een mobiele telefoon, Nokia RM-944. Het proces-verbaal is voorzien van het registratienummer PL0100-2015250880.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 187 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verslaglegging van verbalisant:

Onder het slachtoffer, [slachtoffer 2] , is inbeslaggenomen een onderbroek, goednummer: PL0100-2015250880-593053.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2015, opgenomen op pagina 195 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisanten, met bijbehorende fotobijlage’s op pagina 197 tot en met 201:

Door ons, verbalisanten, is onderzoek verricht naar de telefoon van verdachte (het proces-verbaal is voorzien van het nummer PL0100-2015250880). Op de gegevens van de telefoon van verdachte troffen wij diverse foto’s aan van minderjarige kinderen. 5 Foto’s zijn toegevoegd aan het dossier. Bij foto 1 is de datum 26 augustus 2015 en de tijd 19:33 uur zichtbaar. Op deze foto is een ruimte met twee wasbakken aan de muur zichtbaar. Tussen deze wasbakken hangt een kind. Dit kind heeft met beide armen een wasbak vast en hangt achterover. Achter dit kind is nog een ander persoon te zien, vermoedelijk een kind. Op foto 2 is de datum 26 augustus 2015 en de tijd 19:34 uur zichtbaar. Op deze foto’s zijn 4 kinderen zichtbaar die zijn herkend als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Op foto 3 is de datum 26 augustus 2015 en de tijd 19:34 uur zichtbaar. De jongen en het meisje op de foto zoenen elkaar. Het meisje kijkt met haar ogen naar de maker van de foto Dit meisje is herkend als [slachtoffer 1] . Op foto 4 is de datum 26 augustus 2015 en de tijd 19.35 uur zichtbaar. De jongen en het meisje zoenen met elkaar. Het meisje kijkt naar de maker van de foto. Deze twee kinderen zijn herkend als [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] . Op foto 5 zoenen een jongen en een meisje met elkaar. Op de achtergrond is een toiletbril te zien. Het meisje is herkend als [slachtoffer 2] .

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 juni 2016, opgenomen op pagina 261 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Er is bij [slachtoffer 2] wangslijmvlies afgenomen. De afnameset werd voorzien van SIN:RABG0905NL. Er is bij [verdachte] wangslijmvlies afgenomen. De afnameset werd voorzien van SIN:RABG0409NL. De inbeslaggenomen onderbroek, voorzien van goednummer PL0100-2015250880-593053 is voorzien van SIN:AAID7736NL.

14. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, opgenomen op pagina 279 e.v. van voornoemd dossier, zaaknummer 2015.10.09.090 (aanvraag 002), d.d. 25 januari 2016, opgemaakt door dr. I.E.P.M. Blom, op de door de deskundige van het NFI afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende de bevindingen:

De onderbroek AAID7736NL van [slachtoffer 2] is bemonsterd van #01 tot en met #08 om biologische contactsporen te verzamelen van degene(n) die de kledingstukken heeft (hebben) aangeraakt. Het DNA-profiel van de getuige en het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (RABG0409NL) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonstering AAID7736NL#03 (de tailleband van de onderbroek) zijn DNA-mengprofielen verkregen waarbij een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van verdachte.

15. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, opgenomen op pagina 290 e.v. van voornoemd dossier, zaaknummer 2015.10.09.090 (aanvraag 003 en 004), d.d. 6 juni 2016, opgemaakt door dr. I.E.P.M. Blom, op de door de deskundige van het NFI afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende de bevindingen:

Er is aanvullend DNA-onderzoek uitgevoerd aan het DNA in de bemonstering AAID7736NL #03. De DNA-profielen van het referentiemonster en de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer 2] (RABG0905NL) en de verdachte [verdachte] (RABG0409NL) zijn vergeleken met de DNA-profielen van het celmateriaal in de bemonstering AAID7736NL #03. Het celmateriaal kan afkomstig zijn van [slachtoffer 2] , [verdachte] en minimaal één andere persoon. Bij het vergelijkend DNA-onderzoek is uitgegaan van twee hypotheses. Hypothese I luidt: de bemonstering bevat celmateriaal van [slachtoffer 2] , [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon. Hypothese II luidt: de bemonstering bevat celmateriaal van [slachtoffer 2] en twee willekeurige onbekende personen. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn minimaal 1.000.000 keer waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan wanneer hypothese II waar is.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten van de raadsman overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op het ontkleden en laten ontkleden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , het door verdachte met zijn vingers betasten van de schaamstreek van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het laten zoenen van de genoemde kinderen met elkaar in wisselende samenstelling en daar foto’s van maken, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Op 26 augustus 2015 omstreeks 19:45 uur kreeg een medewerker van het AZC een melding van twee ouders dat hun kind zou zijn misbruikt. De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij door een man werden meegenomen naar een toiletruimte en daar hun kleding uit moesten doen. Daarnaast is door [slachtoffer 1] verklaard dat de man haar en [slachtoffer 2] bij hun schaamstreek zou hebben betast. Door de raadsman is betoogd dat de verklaringen die zijn afgelegd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geen bewijswaarde hebben nu deze op essentiële punten strijdig zijn met elkaar en daarmee geen bijdrage kunnen leveren aan wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen wél bruikbaar zijn voor het bewijs. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ondersteunen elkaar en het dossier bevat een aantal bewijsmiddelen die hun verklaringen ondersteunen. Zo is er op de mobiele telefoon van verdachte een vijftal foto’s aangetroffen, die op 26 augustus 2015 tussen 19.33 uur en 19.35 uur, vlak vóórdat er een melding van misbruik bij een medewerker van het AZC werd gedaan, zijn gemaakt. Op deze foto’s – die kennelijk in een toiletruimte zijn gemaakt – zijn de slachtoffers, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] – allen herkend en in wisselende samenstelling – zoenend te zien. Op twee van deze foto’s kijkt een van de slachtoffers naar de maker van de foto. Verdachte heeft verklaard dat alleen hij gebruik maakte van deze mobiele telefoon zodat de rechtbank aanneemt dat hij deze foto's heeft gemaakt en op dat moment dus met de kinderen in de toiletruimte is geweest. De door slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] afgelegde verklaringen worden tevens ondersteund door het aangetroffen DNA van verdachte op de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer 2] . Het aantreffen van DNA vormt een bevestiging van hetgeen door [slachtoffer 1] is verklaard en hetgeen [slachtoffer 2] tegen haar moeder heeft gezegd. De rechtbank schuift het argument van de raadsman, dat DNA van verdachte mogelijkerwijs door onschuldig spelen met de kinderen op de broeksband is terechtgekomen terzijde, nu uit geen van de afgelegde verklaringen volgt dat verdachte met de kinderen heeft gespeeld en verdachte hierover zelf ook niets heeft verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het korte tijdsbestek tussen de melding van het misbruik bij een medewerker van het AZC, de tijdstippen waarop de foto’s zijn genomen en het feit dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] beide verdachte aanwijzen als de man die de ontuchtige handelingen bij hen heeft gepleegd, de verklaring van [slachtoffer 3] dat verdachte in het toilethokje met zijn mobiel aan het spelen was en het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte bij één van de slachtoffers, het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die de vier slachtoffers heeft meegenomen naar de toiletruimte en daar bij alle vier de kinderen ontuchtige handelingen heeft verricht en laten verrichten.

Door de raadsman is verder betoogd dat de foto’s geen ontuchtig karakter hebben. De rechtbank is echter van oordeel dat hetgeen op de foto’s is te zien in samenhang met de context waarin deze foto’s zijn gemaakt, maakt dat de foto’s een ontuchtig karakter hebben. Immers zijn de jonge kinderen meegenomen naar een toiletruimte zonder dat de ouders van de kinderen hier wetenschap van hadden, hebben de kinderen hun kleding (deels) uit moeten trekken en hebben de kinderen in wisselende samenstelling met elkaar gezoend. De rechtbank gaat er, gelet op het feit dat op twee foto's een slachtoffer tijdens de zoen recht in de camera kijkt, van uit dat er geen sprake is van een spontane zoen, maar dat de zoen door de fotograaf is geregisseerd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Bellingwedde, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 en met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 en met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2009 en met [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 2009 die elk toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het ontkleden en laten ontkleden van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en

- het betasten met zijn, verdachtes, vinger(s), van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de schaamstreek en

- het laten zoenen van de kinderen met elkaar in wisselende samenstelling en daar foto's van maken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De officier van justitie acht het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, nu er sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de 4 slachtoffers. Voorts heeft de officier van justitie bij het bepalen van de strafeis zwaar laten meewegen dat verdachte ontucht heeft gepleegd met 4 slachtoffers die – vanwege hun jonge leeftijd en het feit dat zij al op jonge leeftijd vanwege een oorlogssituatie uit hun land van herkomst zijn gevlucht en naar Nederland zijn gekomen ter bescherming van hun eigen veiligheid – erg kwetsbaar waren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met oplegging van een taakstraf indien de rechtbank tot bewezenverklaring van het feit of een deel daarvan komt. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat nu verdachte 7 dagen in voorarrest heeft gezeten, er wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het grote tijdsverloop tussen de aanhouding en de berechting en het feit dat verdachte niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met 4 jonge kinderen. Verdachte heeft de slachtoffers meegetrokken naar een toiletruimte, uit het zicht van hun ouders, en heeft daar verschillende ontuchtige handelingen bij de kinderen verricht en door hen laten verrichten. Hij heeft hiermee op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van deze zeer jonge slachtoffers geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Temeer nu het hier slachtoffers betreft die al op jonge leeftijd vanwege een oorlogssituatie uit hun land van herkomst hebben moeten vluchten, met hun ouders naar Nederland – een voor hen vreemd land – zijn gereisd om een veiliger heenkomen te zoeken en in Nederland in ongewone leefomstandigheden terecht zijn gekomen. Deze slachtoffers waren naast hun jonge leeftijd daarom extra kwetsbaar. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en heeft zijn impulsen niet onder controle gehouden. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het grote tijdsverloop tussen de aanhouding en de berechting.

De rechtbank heeft het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de parlementaire geschiedenis van dit artikel bij haar beoordeling betrokken, nu de onderhavige zaak een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van 6 jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij de toepassing van dit artikel en het daarin neergelegde taakstrafverbod uitdrukkelijk over de ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval van een ernstige inbreuk kan worden gesproken, nu sprake is geweest van het betasten van de schaamstreek van twee zeer jonge kinderen, terwijl zij ontbloot waren. Om die reden acht de rechtbank artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Alles afwegende acht de rechtbank, hoewel een minder groot gedeelte van het ten laste gelegde is bewezenverklaard dan de officier van justitie heeft gevorderd – vanwege de ernst van de zaak en het feit dat het hier om bijzonder kwetsbare kinderen gaat – een gevangenisstraf van langere duur dan door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. De rechtbank zal hiervan een deel voorwaardelijk opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. De proeftijd zal worden vastgesteld op 2 jaar.

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de inbeslaggenomen mobiele telefoon verbeurd te verklaren, nu verdachte een deel van het ten laste gelegde met behulp van deze mobiele telefoon heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon, merk Nokia, kleur rood, vatbaar voor verbeurdverklaring nu een deel van het strafbare feit met dit voorwerp is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 78,24 ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
3. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 42,50 ter vergoeding van materiële schade en € 600,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de door benadeelde partij Idris gevorderde immateriële schade, bestaande uit de door het ten laste gelegde ontstane psychische schade, toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,- en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de door benadeelde partij [slachtoffer 2] ingediende vordering heeft de officier van justitie gevorderd dat de gestelde materiële schade en immateriële schade zijnde psychische schade ten gevolge van het ten laste gelegde, geheel kan worden toegewezen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] , bestaande uit materiële schade en immateriële schade bestaande uit de psychische gevolgen van het ten laste gelegde, geheel toe te wijzen.

De officier van justitie heeft verzocht ten aanzien van alle drie de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, nu hij ten aanzien van het ten laste gelegde, vrijspraak heeft bepleit. De raadsman heeft, indien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, subsidiair verzocht de vordering van benadeelde partij Idris te matigen, nu het gevorderde schadebedrag is gebaseerd op een uitspraak die niet vergelijkbaar is met hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde – de door benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde immateriële schade van € 600,- kan worden toegewezen en dat ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] hetzelfde bedrag moet worden toegekend, nu bij beide vorderingen dezelfde uitspraak wordt aangehaald en de vordering hierop is gebaseerd en dat zij voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. De rechtbank is van oordeel dat er – gezien het feit dat het hier om een zeer kwetsbaar slachtoffer gaat en de uit de slachtofferverklaring blijkende gevolgen die het ten laste gelegde voor dit slachtoffer heeft gehad – sprake is van dergelijke ernstige psychische gevolgen.

De rechtbank ziet onvoldoende onderbouwing voor de hoogte van het gevorderde bedrag en zal de te vergoeden schade in redelijkheid en billijkheid bepalen op € 1.000,-.

De rechtbank wijst de door benadeelde partij Idris ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook toe tot een bedrag van € 1.000,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die als een gevolg van het bewezen verklaarde is geleden, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade, bestaande uit reiskosten, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook toewijzen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft tevens vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. De rechtbank is van oordeel dat er – gezien het feit dat het hier om een zeer kwetsbaar slachtoffer gaat en de uit de slachtofferverklaring blijkende gevolgen die het ten laste gelegde voor dit slachtoffer heeft gehad – sprake is van voldoende ernstige psychische gevolgen. De rechtbank wijst de door de benadeelde partij ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook geheel toe.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die als een gevolg van het bewezen verklaarde is geleden, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade, bestaande uit reiskosten, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook toewijzen.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft tevens vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. De rechtbank is van oordeel dat er – gezien het feit dat het hier om een zeer kwetsbaar slachtoffer gaat en de uit de slachtofferverklaring blijkende gevolgen die het ten laste gelegde voor dit slachtoffer heeft gehad – sprake is van voldoende ernstige psychische gevolgen. De rechtbank wijst de door de benadeelde partij ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook geheel toe.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 2015.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die als een gevolg van het bewezen verklaarde is geleden, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen mobiele telefoon, merk Nokia, kleur rood.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.078,24 (zegge: duizend achtenzeventig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 1.078,24 (zegge: duizend achtenzeventig euro en vierentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 78,24 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 642,50 (zegge: zeshonderdtweeënveertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 642,50 (zegge: zeshonderdtweeënveertig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 42,50 aan materiële schade en

€ 600,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. M.B.W Venema en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.