Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1009

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
18/930069-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor driemaal openbare schennis van de eerbaarheid tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 120 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 239
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930069-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 september 2016, althans in of omstreeks de maand september 2016, in de gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2002) van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van een of meer seksuele handelingen, hebbende/zijnde verdachte daartoe in een door hem bestuurde auto (Audi)

(meermalen) naast en/of langs die (fietsende) [slachtoffer 1] gereden waarbij verdachte zich, zichtbaar voor die [slachtoffer 1] , aan het aftrekken was, althans handelingen verrichtte aan/bij zijn ontblote penis;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 september 2016, althans in of omstreeks de maand september 2016, in de gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, (ten overstaan van [slachtoffer 1] ) met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

2.

hij op of omstreeks 2 februari 2017, in de gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2002) van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van een of meer seksuele handelingen, hebbende/zijnde verdachte daartoe in een door hem bestuurde auto (Seat) naast en/of langs en/of achter die (fietsende) [slachtoffer 1] gereden waarbij verdachte zich, zichtbaar voor die [slachtoffer 1] , aan het aftrekken was, althans handelingen verrichtte aan/bij zijn ontblote penis;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 02 februari 2017 in de gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, (ten overstaan van [slachtoffer 1] ) met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

3. hij op of omstreeks 02 februari 2017 in de gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, (ten overstaan van [slachtoffer 2] ) met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van de op de terechtzitting opgegeven bewijsconstructie, geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten 1 en 2 aangegeven dat verdachte alvorens hij de seksuele handelingen heeft verricht, een aantal malen langs aangeefster is gereden en op die wijze voldoende heeft kunnen inschatten dat het om een meisje ging dat jonger was dan zestien jaren. Ook het gegeven dat hij bewust op zoek was naar een reactie op zijn gedrag maakt het onwaarschijnlijk dat hij zich niet bewust is geweest van de leeftijd van aangeefster. Verdachte heeft door zo te handelen dan ook redelijkerwijs moeten vermoeden dat aangeefster de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. De officier van justitie heeft daarbij nog gewezen op de verklaring van getuige [getuige] die ter zake feit 2 heeft aangegeven dat het slachtoffer een ‘brugpieper’ was.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Verdachte heeft bij de politie aangegeven dat hij tot zijn gedrag kwam wanneer hij dacht dat het een jonge vrouw betrof. Het ging hem om meisjes van zijn eigen leeftijd. Verdachte schatte de leeftijd van aangeefster tussen de 16 en 18 jaren of ouder. Daarbij komt dat het dossier geen informatie bevat over hoe aangeefster [slachtoffer 1] eruit zag op de momenten dat de feiten werden gepleegd.

Naar het standpunt van de raadsman kan derhalve niet bewezen worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangeefster de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Voor het overige kan het tenlastegelegde bewezen worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ontkend dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangeefster [slachtoffer 1] , op de momenten dat hij haar confronteerde met zijn seksueel gedrag, jonger was dan zestien jaar. In dit verband is van belang in hoeverre het proces-verbaal informatie bevat op grond waarvan verdachte tot een zodanig(e) wetenschap of vermoeden had moeten of kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt die informatie. Het dossier bevat geen beschrijving hoe [slachtoffer 1] er uit zag in september 2016 dan wel in februari 2017, op grond waarvan de leeftijd van [slachtoffer 1] zou kunnen worden geschat. De enkele verklaring van getuige [getuige] dat het om een brugpieper zou gaan is daartoe onvoldoende, nu dit op geen enkele wijze is geconcretiseerd.

Verdachte zal daarom van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 08 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 februari 2017, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2017037859 d.d. 11 februari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2017, opgenomen op pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ,

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 september 2016 in de gemeente Tynaarlo, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, ten overstaan van [slachtoffer 1] , met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

2.

hij op 02 februari 2017 in de gemeente Tynaarlo, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, ten overstaan van [slachtoffer 1] , met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

3.

hij op 02 februari 2017 in de gemeente Tynaarlo, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg, de Groningerstraat, ten overstaan van [slachtoffer 2] , met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden: een meldplicht en een behandelverplichting.

Voorts is een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie voorgestelde strafmodaliteit. Naar het standpunt van de raadsman is de kans op herhaling dusdanig laag dat een behandeling bij de AFPN niet aangewezen is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op een drietal momenten schennis van de eerbaarheid heeft gepleegd. Verdachte heeft daarbij in twee gevallen hetzelfde slachtoffer met zijn gedrag geconfronteerd.

Verdachte maakte proefritten in auto’s in onderhoud bij het bedrijf waar hij werkte en tijdens die proefritten maakte hij zich schuldig aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Verdachte ging naast de slachtoffers rijden en confronteerde op die momenten de slachtoffers met zijn ontbloot geslachtsdeel en trok zich daarbij soms af. De slachtoffers zijn daardoor ongewild van het handelen van verdachte getuige geweest.

De slachtoffers waren jonge meisjes en uit de aangiften blijkt dat zij erg zijn geschrokken van het gedrag van verdachte. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] die zij op de terechtzitting heeft voorgelezen.

Verdachte heeft met zijn seksueel gedrag ontuchtig gehandeld en in het bijzonder inbreuk gemaakt op het psychische welbevinden van de slachtoffers.

Net als de officier van justitie houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte bij de op te leggen straf rekening met de omstandigheid dat verdachte opening van zaken heeft gegeven en dat hij door zijn gedrag zijn baan is kwijtgeraakt.

De rechtbank ziet, ondanks dat de rechtbank anders dan de officier van justitie niet bewezen acht dat verdachte wist of had moeten weten dat een van de slachtoffers ten tijde van de ten laste gelegde handelingen jonger dan 16 jaar was, gelet op de ernst van de normschending waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, geen aanleiding om ten gunste van verdachte van de eis van de officier van justitie af te wijken.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte niet kan aangeven waarom hij tot bedoeld gedrag is gekomen. Ook ter terechtzitting heeft verdachte deze vraag niet kunnen beant-woorden.

Verdachte heeft hulp gezocht bij een praktijkondersteuner van de huisartsenpraktijk in de woonplaats van verdachte. In dit contact was onder andere het seksueel afwijkende gedrag van verdachte onderwerp van gesprek. Verdachte heeft aangegeven dat deze hulp inmiddels positief is afgerond.

De rechtbank acht deze vorm van hulp echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat de kans op herhaling laag is. Verdachte heeft immers ondanks die gesprekken niet kunnen aangeven waarom hij tot zijn gedrag is gekomen.

De rechtbank zal daarom naast de meldplicht ook als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zal meewerken aan diagnostiek en zo nodig aan de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling.

Benadeelde partij

[vader van slachtoffer 1] heeft zich namens zijn dochter [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 18,71 ter vergoeding van materiële schade en € 150,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar met oplegging van de schadever-goedingsmaatregel.

Namens verdachte is betoogd dat in een geval als het onderhavige, waarbij geen sprake is van lichamelijk letsel, artikel 6:106 BW slechts dan toewijzing van immateriële schade mogelijk maakt, indien dit valt onder de noemer aantasting van de persoon. Daarvoor is nodig dat er geestelijk letsel is opgelopen, terwijl dit letsel naar objectieve maatstaven moet kunnen worden vastgesteld. Dat is in dit geval niet aan de orde, aldus de advocaat van verdachte.

De rechtbank is echter van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een zodanig ernstige normschending en van zodanige gevolgen voor het slachtoffer dat gezegd moet worden dat de strafbare feiten een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht maken, dat dit in zichzelf al als “aantasting van de persoon op andere wijze”, als bedoeld in artikel 6:106, lid 1 sub b, moet worden gezien. (zie onder meer HR 9-7-2004 ECLI 2004:AO7721). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte aangeefster niet eenmaal maar meerdere malen heeft geconfronteerd met vergaande seksuele handelingen en haar daarbij hevige angst heeft aangejaagd. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking de zeer jeugdige leeftijd van aangeefster, die 14 jaar oud was toen haar dit overkwam.

De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 22c, 22d, 36f, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering zal melden bij Reclassering Nederland op de locatie te Groningen en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven;

2. dat de veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan diagnostiek aangaande het delictgedrag en indien geïndiceerd, aan behandeling bij de AFPN of vergelijkbare forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 168,71 (zegge: honderdachtenzestig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 168,71 (zegge: honderdachtenzestig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 18,71 aan materiële schade en € 150,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.