Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1008

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
18/840078-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij van de verweten geweldsdelicten. De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte bij de verweten feiten betrokken was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.840078-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.045925-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Pluijter, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam openlijk, te weten, op of aan de Spoorhavenweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het lichaam (waaronder het hoofd) te slaan en/of te schoppen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het lichaam (waaronder het hoofd) te slaan en/of te schoppen; art 301 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam openlijk, te weten, op of aan de Spoorhavenweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), te weten tegen (een) (personen)auto('s) (toebehorende aan [slachtoffer 2] / [slachtoffer 3] en/of (respectievelijk) [slachtoffer 4] / [slachtoffer 5] ), door een portier/autodeur (met kracht) tegen een/de andere portier/autodeur open te trekken (terwijl die (personen)auto's vlak naast elkaar stonden);

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (de portier(en) van) (een) (personen)auto('s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] / [slachtoffer 3] en/of (respectievelijk) [slachtoffer 4] / [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wel wettig doch niet overtuigend kan worden bewezen.

De officier van justitie heeft daartoe enerzijds gewezen op verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de feiten thuis was. Op basis van de verklaring van [getuige 4] van [bedrijf] zou kunnen worden aangenomen dat verdachte op 4 oktober 2017 van 17.45 uur tot 21.50 uur aldaar aanwezig was.

Anderzijds zijn er verklaringen van aangevers en de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte aanwezig was bij een geweldsincident op de kermis in Veendam rond 20.30 uur en ook bij de daarop volgende incidenten, zoals omschreven in de tenlastelegging, aanwezig is geweest..

Nu voornoemde verklaringen niet eenduidig zijn ontbreekt bij de officier van justitie de overtuiging dat verdachte betrokken is geweest bij het geweldsincident aan de Spoorhavenweg in Veendam op 4 oktober 2017. Verdachte dient daarom van de ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van de officier van justitie onderschreven. Er moet in hoge mate getwijfeld worden aan de verklaringen van de personen die belastend over verdachte hebben verklaard met betrekking tot de verweten feiten en verdachte ook plaatsen bij het geweldsincident dat op 4 oktober 2017 eerder op de avond heeft plaatsgevonden. De raadsman acht die verklaringen ongeloofwaardig. Dit vooral gezien in het licht dat verdachte een sluitend alibi heeft voor de tijdsspanne waarin de verweten feiten hebben plaatsgevonden. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] . Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 7] kan worden afgeleid dat verdachte heel kort voor het geweldincident elders was.

De raadsman is daarom met de officier van justitie van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het dossier op zich wettige bewijsmiddelen bevat op grond waarvan bewezen zou kunnen worden dat verdachte betrokken is geweest bij de geweldshandelingen aan de Spoorhavenweg in Veendam op 4 oktober 2017.

De rechtbank heeft echter uit die bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de verweten feiten.

Ter zake de bij de geweldshandelingen aan de Spoorhavenweg in Veendam op 4 oktober 2017 betrokken personen zijn de volgende verklaringen afgelegd:

Aangever [slachtoffer 2] geeft aan dat onder andere verdachte, [slachtoffer 1] heeft geslagen.

Aangever [slachtoffer 4] stelt dat een jongen met een rode jas als eerste [slachtoffer 1] heeft mishandeld en dat daarna een donkere jongen [slachtoffer 1] heeft gestompt en getrapt. Verdachte heeft aangegeven dat hij geen rode jas bezit. De politie heeft geen onderzoek gedaan naar de vraag wie mogelijk die avond een rode jas droeg.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij de jongens die [slachtoffer 1] mishandelden niet kent maar stelt niettemin dat verdachte er volgens hem ook bij was.

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] werd mishandeld door [medeverdachte] en nog een andere jongen.

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij één persoon goed heeft kunnen zien en dat zij de mensen op de chillplek de naam van verdachte hoorde zeggen. In haar verklaring noemt ze dan ook steeds de naam van verdachte.

Getuige [getuige 9] noemt de naam van verdachte niet en geeft aan dat [slachtoffer 1] alleen door [medeverdachte] werd mishandeld.

Van voornoemde personen is het alleen aangever [slachtoffer 2] die stelt te hebben gezien dat verdachte een van de personen is die [slachtoffer 1] hebben mishandeld.

Daarnaast zijn er de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] die stellen dat verdachte thuis was op het moment dat de mishandeling van [slachtoffer 1] plaatsvond. Voorts is er de verklaring van [getuige 3] die stelt dat zij met verdachte aan het videobellen was kort na 22.00 tot 22.13 uur en vanaf 22.50 uur, waarbij hij in de tussentijd een sigaretje zou hebben gerookt met [getuige 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij na 22.00 uur niet meer is weggeweest.

Door [getuige 4] is gesteld dat verdachte op 4 oktober 2017 tussen 18.00 uur en 21.45 uur bij [bedrijf] was. Hij heeft verdachte daar om 21.50 uur voor het laatst gezien. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij verdachte even voor 22.00 uur op de Middenweg naar huis zag fietsen.

Gelet op voormelde verklaringen, waarvan een gedeelte belastend en een gedeelte ontlastend is en er dus sprake is van tegenstrijdigheden in deze verklaringen, acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de mishandeling van [slachtoffer 1] op het terrein aan de Spoorhavenweg in Veendam op 4 oktober 2017.

De belastende verklaringen van de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] maken dat oordeel niet anders nu deze verklaringen niet passen in het tijdpad van de mishandeling van [slachtoffer 1] .

Het vorenstaande leidt er toe dat verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 juni 2017, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 juli 2017.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen gelet op de gevorderde vrijspraak van het ten laste gelegde.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen omdat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.045925-17:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Wolfert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Oostveen en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.