Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:1007

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
18/840077-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor een drietal geweldsdelicten tot 200 dagen jeugddetentie waarvan 100 dagen voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.840077-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.046018-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd in Juvaid, locatie Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.F.M. Mullaart, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met kracht en/of met zijn, verdachtes, hoofd in het gezicht te stoten, dan wel een kopstoot in het gezicht te geven;

2.

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam openlijk, te weten, op of aan de Spoorhavenweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen [slachtoffer 2], door die [slachtoffer 2] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het lichaam

(waaronder het hoofd) te slaan en/of te schoppen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het lichaam (waaronder het hoofd) te slaan en/of te schoppen; art 301 Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam openlijk, te weten, op of aan de Spoorhavenweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), te weten tegen (een) (personen)auto('s) (toebehorende aan [slachtoffer 3]/[slachtoffer 4] en/of (respectievelijk) [slachtoffer 5]/[slachtoffer 6]), door een portier/autodeur (met kracht) tegen een/de andere portier/autodeur open te trekken (terwijl die (personen)auto's vlak naast elkaar stonden);

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (de portier(en) van) (een) (personen)auto('s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]/[slachtoffer 4] en/of (respectievelijk) [slachtoffer 5]/[slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 7] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het gezicht/hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van de op de terechtzitting opgegeven bewijsconstructie, geconcludeerd dat het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie aangevoerd nu verdachte de naam van degene die hem mogelijk kan vrijpleiten van betrokkenheid bij deze feiten niet wil noemen, de stelling van verdachte dat hij niet bij bedoelde feiten betrokken is geweest, niet kan worden geverifieerd en dus zal worden gepasseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen voor de feiten 1 en 4 met dien verstande dat verdachte feit 4 alleen heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat naast verdachte nog een ander of anderen hebben bijgedragen aan de mishandeling van [slachtoffer 1].

De raadsman heeft aangegeven dat verdachte de betrokkenheid bij de feiten 2 en 3 ontkent. Verdachte is daar zeer stellig in.

Voor feit 3 geldt overigens dat slechts één persoon het autoportier heeft opengetrokken waardoor er schade is ontstaan aan dat voertuig en het er naast staande voertuig. Uit het dossier kan blijken dat verdachte het betreffende portier niet heeft opengetrokken. Voorts was het opentrekken van het portier niet gericht op het toebrengen van schade aan voertuigen. De opzet was immers gericht op het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 2].

Verdachte moet daarom van feit 3 worden vrijgesproken. Ook ter zake het onder twee ten laste gelegde is er geen sprake van wettig en overtuigend bewijs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht met de verdediging het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen nu niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die de autodeur heeft opengetrokken. Verdachte zal daarom van feit 3 worden vrijgesproken.

Feiten 1 en 4.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 08 maart 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 oktober 2017, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017282759 d.d. 25 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1].

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 mei 2017, opgenomen op pagina 4 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017241905 d.d. 11 september 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7].

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 oktober 2017, opgenomen op pagina 33 e.v. van het onder 2 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Vandaag, woensdag 4 oktober 2017 omstreeks 22.20 uur bevond ik mij aan de Spoorhaven-weg te Veendam. Ik zat op de bijrijdersstoel van een groene Mitsubishi Eclipse.

Ineens zag ik een rode VW Golf stoppen. Ik zag dat er wat personen uitstapten. Ik hoorde dat geroepen werd: "Waar is [slachtoffer 2], we zoeken [slachtoffer 2]". Ik herkende in ieder geval de stem van [verdachte].

Maar opeens stonden er personen naast mij en werd ik geslagen en geschopt.

Ik werd geraakt op mijn hoofd, mijn ribben, mijn arm. Ik voelde direct pijn op de plekken waar ik werd geraakt.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 oktober 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van het onder 2 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5].

Ik zag dat er 3 jongens uit de rode Golf stapten. Ik hoorde dat de jongens riepen: "waar is [slachtoffer 2]". Ik zag toen dat de jongens op de groene Mitsubishi Eclips afliepen.

Ik zag toen dat jongen met de opvallende rode jas met geweld de autodeur van de groene Mitsubishi opende.

Hierop zag ik dat de jongen gelijk op [slachtoffer 2] begon in te slaan. Ik zag dat de jongen met gebalde vuisten meerdere keren hard insloeg op het lichaam van [slachtoffer 2]. Ik zag ook dat de jongens hard inschopte op [slachtoffer 2].

Ik zag toen dat er een donkere jongen bij kwam staan en ik zag dat deze donkere jongen ook hard insloeg op [slachtoffer 2]. Ik zag dat de donkere jongen met gebalde vuisten hard stompte op het lichaam van [slachtoffer 2]. Ook zag ik dat de donkere jongen meerdere keren hard inschopte op [slachtoffer 2].

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 oktober 2017, opgenomen op pagina 53 e.v. van het onder 2 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

Omstreeks 22.20 uur bevond ik mij met dezelfde groep vrienden op de Spoorhavenweg te

Veendam.

Ineens zag ik een Rode VW Golf heel hard aan komen rijden.

Ik herkende [verdachte] en volgens mij zag ik [naam] ook weer.

Ik zag dat de gehele groep langs alle auto's renden. Ik hoorde hun zeggen: "Waar is [slachtoffer 2]".

Ik zag dat [slachtoffer 2] werd geslagen op zijn hoofd door sowieso [verdachte] en nog een andere

jongen.

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 oktober 2017, opgenomen op pagina 63 van het onder 2 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2].

Opeens kwam een rode VW-Golf in onze richting rijden . Deze auto stopte voor ons en er stapten een drietal jongens uit. Twee van deze jongens herkende ik als [naam] en de

andere jongen was ene [verdachte].

[verdachte] rende wat rond en liep naar [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] zat in zijn groene auto.

Toen zag ik dat deze [verdachte], [slachtoffer 2] meerdere klappen gaf.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 04 oktober 2017 te Veendam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met kracht een kopstoot in het gezicht te geven;

2.

hij op 04 oktober 2017 te Veendam openlijk, te weten, aan de Spoorhavenweg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen [slachtoffer 2], door die [slachtoffer 2] meermalen en met kracht tegen het lichaam, waaronder het hoofd, te slaan en te schoppen;

4.

hij op 20 mei 2017 te Veendam [slachtoffer 7] heeft mishandeld door hem meermalen met kracht tegen het gezicht te slaan en eenmaal tegen het lichaam te schoppen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mishandeling.

2. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

4. Mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden toezicht van de jeugdreclassering en verblijf en behandeling bij Xperanza.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in modaliteit van de door de officier van justitie gevorderde straf. Naar het standpunt van de raadsman dient nog enige matiging plaats te vinden omdat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een drietal geweldsdelicten gepleegd. Verdachte heeft [slachtoffer 1] een kopstoot gegeven en verdachte heeft [slachtoffer 7] geslagen en geschopt.

Daarnaast heeft verdachte openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2].

Uit het dossier valt af te leiden dat de geweldshandelingen lijken voort te komen uit onenigheid tussen twee groepen jongeren in Veendam. Verdachte lijkt het geweld op momenten bewust op te zoeken. Vooral de openlijke geweldpleging had duidelijk dat karakter. Verdachte is met anderen naar de Spoorhavenweg gegaan om de confrontatie met [slachtoffer 2] aan te gaan. Dat geldt in zekere zin ook voor de kopstoot die verdachte aan [slachtoffer 1] heeft gegeven. Verdachte heeft ook [slachtoffer 1] opgezocht om met hem de confrontatie aan te gaan.

Het betreffen nare feiten en het past niet om op die wijze meningsverschillen op te lossen. Verdachte heeft door geweld te plegen inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van drs. M.E. de Wit, GZ-psycholoog, d.d. 17 december 2017.

Uit dat rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld in de vorm van de normoverschrijdend-gedragsstoornis met beperkte prosociale emoties (gebrek aan berouw of schuld gevoel, gebrek aan empathie, vlak of deficiënt affect, matig, met begin in de kindertijd).

Gesteld kan worden dat vanwege het op zich goede morele oordeelsvermogen (de cognitieve kant van de gewetensontwikkeling), verdachte vooraf en ten tijde van het ten laste gelegde besef gehad heeft van het wederrechtelijke van zijn voornemen en handelen. Ook kan gesteld worden dat er vanuit zijn gebrekkige agressieregulatie in combinatie met de zwak ontwikkelde (affectieve kant van de) gewetensfunctie onvoldoende tegenwicht en rem was op zijn agressieve gevoelens en impulsen. Op grond hiervan wordt geadviseerd het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over zal hiermee bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 22 februari 2018 en op het strafblad van verdachte waaruit naar voren komt dat hij vaker voor strafbare feiten is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met hetgeen de deskundigen op de terechtzitting hebben opgemerkt over de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. De deskundigen hebben aangegeven dat het stellen van de bijzondere voorwaarde ITB-harde kern bij verdachte contraproductief zal werken gelet op het niveau en de problematiek van verdachte. Zij hebben geadviseerd af te zien van het stellen van deze bijzondere voorwaarde.

De rechtbank acht, ondanks dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 3 en dus minder bewezen acht dan de officier van justitie, gezien de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de door de officier van justitie voorgestelde straf passend en geboden. Daarbij is het met het oog op het recidiverisico van belang dat verdachte wordt behandeld en begeleid om te bewerkstelligen dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Die behandeling en begeleiding kunnen het beste worden uitgevoerd door Xperanza zo blijkt uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting. Verdachte heeft aangegeven hieraan zijn medewerking te zullen verlenen.

Gelet hierop zal de rechtbank aan een voorwaardelijke jeugddetentie de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbinden.

De rechtbank zal het voorwaardelijk deel bepalen op 100 dagen nu verdachte ook met betrekking tot feit 4 nog twee dagen in verzekering heeft doorgebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 juni 2017, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 50 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 juli 2017.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 9 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 26 juni 2017 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen met één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 300, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 200 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 100 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde zal verblijven bij Xperanza te Groningen tot een door de jeugdreclassering te bepalen datum en tijdstip en dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in dat kader door of namens de instelling zullen worden gegeven;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van Xperanza, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven.

Draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord te Groningen op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.046018-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 26 juni 2017, te weten: 30 uren werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Wolfert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Oostveen en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.