Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:987

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
18/730017-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 16 maart 2017 een 31-jarige man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden wegens aanranding van een vrouw in een zwembad. De rechtbank sprak de man vrij van verkrachting en aanranding van een andere vrouw.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730017-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]

thans verblijvende te [verblijfplaats] , [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. van Onna, advocaat te Franeker.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 11 op 12 juni 2016, te Leeuwarden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot

het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers

heeft verdachte haar vagina, schaamlippen en/of clitoris betast en/of heeft

hij (deels) zijn vinger(s) (deels) in haar vagina gebracht en/of heeft

verdachte zijn hand(en) in/bij haar onderkleding gestoken en/of over de

onderkleding haar vagina betast en bestaande dat geweld of een andere

feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid

hierin dat verdachte dit/deze gedragingen onverhoeds en zonder dat zij dit kon

verhinderen heeft verricht en/of haar heeft geblokkeerd en of haar heeft belet

de deur te openen door haar handen weg te duwen en/of heeft hij er bij haar op

aangedrongen te willen blijven en niet weg te willen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de nacht van 11 op 12 juni 2016, te Leeuwarden, door geweld

of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

een persoon, genaamd [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft verdachte

haar vagina, schaamlippen en/of clitoris betast en/of heeft hij (deels) zijn vinger(s)

(deels) in haar vagina gebracht en/of heeft verdachte zijn hand(en) in/bij haar

onderkleding gestoken en/of over de onderkleding haar vagina betast

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld

of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte dit/deze gedragingen onverhoeds en

zonder dat zij dit kon verhinderen heeft verricht en/of haar heeft geblokkeerd

en of haar heeft belet de deur te openen door haar handen weg te duwen en/of

heeft hij er bij haar op aangedrongen te willen blijven en niet weg te willen;

2.

hij op of omstreeks 4 mei 2016, te Leeuwarden, door geweld of een andere

feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, een

persoon, genaamd [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van

een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte

- die [slachtoffer 2] , met een/beide hand(en), bij de borsten vastgepakt en/of

- zijn kruis tegen de onderrug van die [slachtoffer 2] geplaatst, waarbij die [slachtoffer 2] (vervolgens) zijn erectie voelde

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte dit/deze gedragingen onverhoeds en zonder dat

zij dit kon verhinderen heeft verricht.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft ten aanzien van de onder 1. primair ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) het volgende aangevoerd. De verklaring van [slachtoffer 1] inhoudende dat verdachte met zijn vinger in haar vagina is gedrongen wordt ondersteund door de resultaten van DNA-onderzoek. [slachtoffer 1] kan zich weliswaar niet herinneren dat zij verdachte bij haar woning toegang tot haar wifi-netwerk heeft gegeven en dat er via Google Translate met de telefoon van verdachte is getracht te communiceren, maar dit maakt nog niet dat de verklaring van verdachte omtrent de gang van zaken juist is. De in Google Translate ingevulde teksten passen namelijk niet bij hetgeen verdachte hieromtrent heeft verklaard, namelijk dat [slachtoffer 1] hem binnen uitnodigde.

De onder 2. ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) kan bewezen worden op grond van de verklaringen van [slachtoffer 2] en haar schoonmoeder [getuige 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Zij heeft ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] (tegen haar wil) is binnengedrongen. De verklaringen van aangeefster bevatten te veel aantoonbare onjuistheden en lacunes om een bewezenverklaring op te baseren. Voorts rechtvaardigt het aantreffen van vaginale cellen van [slachtoffer 1] onder de nagel van verdachte niet zonder meer de conclusie dat verdachte met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] is geweest, laat staan dat hij [slachtoffer 1] hiertoe heeft gedwongen.

Voor de onder 1. subsidiair ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer 1] is evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs, nu er forse gebreken kleven aan de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte heeft ontkend [slachtoffer 1] tegen haar wil te hebben betast.

De raadsvrouw heeft subsidiair een verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige teneinde vast te stellen of het mogelijk is dat verdachte vaginale cellen onder zijn nagel heeft gekregen door contact met het corrigerende ondergoed van Hovenga. Tevens heeft de raadsvrouw -eveneens subsidiair- verzocht om getuige [getuige 2] te horen.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde bepleit nu hiervoor, gezien de ontkennende verklaring van verdachte, onvoldoende bewijs is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte, alsmede camerabeelden en de bevindingen van (de meldkamer van) de politie, de volgende gang van zaken vast.

In de ochtend van 12 juni 2016 omstreeks 04:35 uur loopt [slachtoffer 1] vanaf het Zaailand in Leeuwarden naar haar woning aan de [straat] in Leeuwarden. Ze was onder invloed van alcohol en was zichtbaar onvast ter been. Op enig moment komt zij in contact met verdachte. Samen lopen ze naar de woning van [slachtoffer 1] .

Op enig moment verlaat verdachte de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] belt om 05:07 uur met 112. Verdachte wordt omstreeks 05:18 uur aangetroffen tussen de woning van [slachtoffer 1] en het opvangcentrum waar hij verblijft.

Over hetgeen in en bij de woning is gebeurd, staan de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 1] lijnrecht tegenover elkaar. De rechtbank zal de verklaringen van verdachte, [slachtoffer 1] en overige van belang zijnde bewijsmiddelen hieromtrent kort uiteen zetten.

Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de bewuste nacht dronken was, dat hij [slachtoffer 1] op straat is tegengekomen, dat zij erg dronken was, dat ze contact kregen en dat hij met haar is meegelopen naar huis. Ze konden niet goed communiceren omdat hij geen Nederlands en Engels spreekt. Eenmaal aangekomen bij haar woning voerde zij het wachtwoord van haar wifi-netwerk in op zijn telefoon, zodat ze via Google Translate konden praten. [slachtoffer 1] begon hem te zoenen en ze betastten elkaar. Verdachte kan niet uitsluiten dat hij daarbij ook haar blote vagina heeft aangeraakt en/of met zijn vinger in haar vagina is geweest. Hij herinnert zich dit echter niet, hetgeen, aldus verdachte, met zijn alcoholgebruik van die avond te maken kan hebben. [slachtoffer 1] wilde dat verdachte met haar mee naar boven kwam, maar verdachte wilde dat niet. Hij was bang dat hij daar haar familie zou treffen en wilde weg.

De eerste verklaring van [slachtoffer 1] , afgelegd op 12 juni 2016, komt kort gezegd op het volgende neer.

Ze kan zich weinig herinneren van het ontstaan van het contact met verdachte en de weg naar huis. Haar herinnering wordt weer helder op het moment dat ze in het halletje in haar huis staat. Verdachte was met haar meegelopen het huis in. Voor [slachtoffer 1] was duidelijk dat het hier stopte. Ze probeerde meerdere malen de voordeur te openen om verdachte eruit te laten, maar verdachte blokkeerde haar en duwde haar handen weg. Verdachte ging met zijn hand in haar (corrigerende en gewone) ondergoed en betastte haar, waarbij hij met zijn vinger in haar vagina ging. [slachtoffer 1] had haar telefoon al in haar hand tijdens het betasten door verdachte en had al meerdere keren aangegeven dat ze de politie ging bellen. Met haar ene hand probeerde ze verdachte weg te duwen en met haar andere hand probeerde ze de politie te bellen. Toen ze begon met bellen, vluchtte verdachte.

De tweede verklaring van [slachtoffer 1] , afgelegd op 22 juni 2016, komt kort gezegd op het volgende neer.

Er heeft ook een worsteling met verdachte plaatsgevonden. Toen verdachte na het vergrijp uit de woning probeerde te rennen, probeerde [slachtoffer 1] hem tegen te houden. Daarbij kwam ze met haar heup en vervolgens rug tegen de deurpost. Daar heeft ze een blauwe plek en een bult aan overgehouden.
Op de vraag of [slachtoffer 1] en verdachte ook een apparaat hebben gebruikt om te kunnen communiceren antwoordde [slachtoffer 1] ontkennend.

Ze heeft haar telefoon in haar tas gehouden en het is onmogelijk dat verdachte gebruik van haar beveiligde wifi-netwerk heeft gemaakt.

Bij haar derde verklaring op 19 juli 2016 gaf [slachtoffer 1] aan dat zij zich niet kan voorstellen dat ze verdachte het wachtwoord van haar wifi-netwerk heeft gegeven en dat ze zich niets kan herinneren van een gesprek met behulp van Google Translate. Voorts gaf ze aan dat dit mogelijk kwam door de toestand waarin ze verkeerde; ze had namelijk wel een paar borrels op.

Uit bevindingen van de politie blijkt dat de telefoon van verdachte zonder het intoetsen van een wachtwoord verbinding kan maken met het beveiligde wifi-netwerk van [slachtoffer 1] . In de internethistorie van de GSM van de verdachte is te zien dat op 12 juni 2016 tussen 4:56:25 en 5:02:22 uur zes vertaalsessies te lezen zijn waarbij gebruik is gemaakt van Google Translate. Er werd onder meer vanuit het Farsi naar het Nederlands vertaald "ik ben verliefd" en "je bent mijn vriend". Om 05:07 uur belde [slachtoffer 1] met de meldkamer.

Op basis van het voorgaande constateert de rechtbank dat [slachtoffer 1] herinnering aan de gebeurtenissen van die nacht niet volledig is en dat haar verklaringen niet geheel consistent en op sommige punten verifieerbaar onjuist zijn. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op het verstrekken van het wifi-wachtwoord aan verdachte en het communiceren met of door verdachte via Google Translate. Voorts constateert de rechtbank dat [slachtoffer 1] eerst heeft verklaard dat ze bezig was om de politie te bellen terwijl ze verdachte haar woning uit probeerde te krijgen, terwijl [slachtoffer 1] later heeft verklaard dat ze haar telefoon in haar tas heeft gehouden. [slachtoffer 1] heeft bovendien niets verklaard over een gesprek met verdachte in of bij haar woning dat overeenkomt met de inhoud van de Google Translate opdrachten.

De rechtbank ziet zich voorts geconfronteerd met de uit de gegevens van Google Translate en uit het gesprek met de meldkamer af te leiden tijdspanne waarbinnen het contact tussen [slachtoffer 1] en verdachte in of bij haar woning heeft plaatsgevonden.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] valt op te maken dat een en ander snel moet zijn gegaan. Verdachte zou met [slachtoffer 1] mee de woning in zijn gegaan, waarop zij hem probeerde eruit te laten gaan en hij met zijn hand in haar onderbroek(en) ging, zijn vinger in haar vagina bracht en er vervolgens vandoor ging.

De rechtbank constateert dat uit de Google Translate-gegevens blijkt dat er ongeveer zes minuten zit tussen de eerste en de laatste vertaalopdracht, en ongeveer vijf minuten tussen de laatste vertaalopdracht en het moment dat [slachtoffer 1] 112 belde. Deze tijdspanne valt bezwaarlijk te rijmen met de verklaringen van [slachtoffer 1] .

De rechtbank stelt voorop dat van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht sprake is als de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Daarbij is vereist dat die dwang geschiedt door middel van geweld of een andere feitelijkheid, dan wel door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

De feitelijkheid waardoor [slachtoffer 1] is gedwongen tot het intieme contact met verdachte zou volgens [slachtoffer 1] hebben bestaan uit het beletten de voordeur open te doen en het onverhoeds betasten en binnengaan van de vagina.

De rechtbank overweegt dat in zedenzaken vaak sprake is van een één-op-één situatie, zo ook in deze zaak. Volgens vaste rechtspraak kan een bewijsconstructie in dergelijke zaken gemaakt worden door de regels van het bewijsminimum uit te leggen op zodanige wijze dat met een beperkte vorm van steunbewijs kan worden volstaan. Aangezien de rechtbank op basis van wettig bewijs de overtuiging moet hebben bekomen dat het feit is gepleegd, dient de verklaring van de aangeefster in een dergelijk geval boven iedere twijfel verheven te zijn.

Nu verdachte niet heeft ontkend dat er intiem contact tussen hem en aangeefster heeft plaatsgevonden, maar heeft aangegeven dat dit contact vrijwillig is geweest, is de rechtbank voor het vaststellen van de dwang volledig afhankelijk van de verklaringen van [slachtoffer 1] .

Zoals voortvloeit uit hetgeen reeds is overwogen omtrent de verklaringen van [slachtoffer 1] vormen deze naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende basis voor een bewezenverklaring.

Voor de vaststelling van de door [slachtoffer 1] omschreven feitelijkheid biedt het dossier ook overigens onvoldoende aanknopingspunten, hetgeen ertoe leidt dat de rechtbank de voor een bewezenverklaring noodzakelijke dwang niet bewezen acht en verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank merkt nog op dat het DNA-rapport met betrekking tot het aantreffen van (vaginaal) celmateriaal van aangeefster onder de nagels van verdachte weliswaar steunt biedt aan de verklaring van aangeefster met betrekking tot het binnendringen in de vagina

- hetgeen verdachte overigens ook niet heeft uitgesloten - maar dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet kan bijdragen aan de vaststelling van de voor een bewezenverklaring vereiste dwang/onvrijwilligheid.

Dit geldt eveneens voor het gegeven dat verdachte op enig moment is weggerend van de woning van [slachtoffer 1] .

Nu verdachte integraal wordt vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de subsidiaire verzoeken van de raadsvrouw.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 2 maart 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 4 mei 2016 in zwembad [naam] in Leeuwarden. Ik liet twee kinderen en een vrouw voorgaan van de glijbaan. Toen ik van de glijbaan ging, kwam ik in aanraking met de vrouw.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 mei 2016, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier met nummer 2016128402 d.d. 17 MEI 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ging op 4 mei 2016 met de kinderen van de glijbaan in [naam] in Leeuwarden. Een man liet ons voorgaan. Toen ging hij gelijk achter mij aan, pakte me meteen hard bij mijn borsten beet. Hij pakte met beide handen vol op beide borsten. Hij omklemde me met beide armen om mijn borsten en deed zijn benen om mij heen. Hij klemde meteen met zijn benen en zijn armen om me heen en trok me tegen zich aan. Ik voelde zijn piemel zitten, onder aan mijn rug. Ik voelde dat hij wat stijf was.

De badmeester sprak met de man. Hij ontkende eerst, maar toen de badmeester begon over een camera krabbelde hij terug en zei dat het waar was. Ik hoorde dat de man “sorry” zei.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 6 mei 2016, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer 2] kwam geschrokken en overstuur terug. Ze vertelde dat ze van de glijbaan af ging en dat er een man pal achter haar ging zitten. De jongens zaten voor haar. Toen pakte die man haar bij de borsten. [naam] kwam er ook aan en hij vertelde mij ook wat er gebeurd was.

Hij vertelde “Oma, er is iets heel raars gebeurd.” Ik vroeg “Wat dan?” Hij zei “Ik zat voor mama. We gingen naar beneden. Ik draaide me om. Ik zag dat een man de borsten van mama pakte.”

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 4 mei 2016, te Leeuwarden door een feitelijkheid een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] , met beide handen, bij de borsten vastgepakt en

- zijn kruis tegen de onderrug van die [slachtoffer 2] geplaatst, waarbij die [slachtoffer 2] zijn erectie voelde

en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte deze gedragingen onverhoeds en zonder dat zij dit kon verhinderen heeft verricht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte nog niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 januari 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op de glijbaan van het zwembad in Leeuwarden een voor hem onbekende vrouw aangerand, terwijl zij met haar kinderen van de glijbaan wilde gaan, door haar uit het niets bij de borsten te pakken en zijn onderlichaam tegen haar aan te drukken.

Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijke gebeurtenis brengt voor het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid mee. Verdachte heeft zich in zijn handelen enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft daarbij geen enkel respect getoond voor zijn slachtoffer. Uit een in het dossier opgenomen proces-verbaal van bevindingen van politie over een gebeurtenis op 28 mei 2016 komen eveneens aanwijzingen naar voren voor enigszins seksueel ontremd gedrag van verdachte, hetgeen de rechtbank zorgen baart.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel een forse taakstraf op zijn plaats is voor een dergelijk vergrijp. Gelet op de vreemdelingenrechtelijke situatie van verdachte is de uitvoering van een taakstraf problematisch en de rechtbank acht derhalve oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie.

De op te leggen gevangenisstraf valt aanzienlijk lager uit dan geëist door de officier van justitie, nu de officier van justitie tevens uitging van een bewezenverklaring van de onder 1. primair ten laste gelegde verkrachting en de rechtbank verdachte vrijspreekt van dit feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. R.T. Terpstra, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2017.

Mrs. Terpstra en Van der Woude zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.