Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:951

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
C18/168730 HA RK 16-210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil - ernstig letsel na duik in ondiep water van een recreatieplas - toepassing Kelderluikfactoren leidt tot aansprakelijkheid Meerschap - eigen schuld - billijkheidscorrectie - kosten begroting (en veroordeling) na matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0276
AR 2017/1426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/168730 / HA RK 16-210

Beschikking van 14 februari 2017

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. A. Kolder te Groningen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

MEERSCHAP PATERSWOLDE,

gevestigd te Haren Gn,

2. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweersters,

advocaat mr. W.H. Bouman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] , het Meerschap c.s. (verweersters gezamenlijk) of Meerschap en Reaal (verweersters afzonderlijk) genoemd worden.

1 De procedure

Op 14 juli 2016 heeft [verzoeker] een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ter griffie ingediend. Meerschap c.s. hebben zich bij verweerschrift, ontvangen ter griffie op 7 november 2016, tegen het verzoek verzet. [verzoeker] heeft op 9, 11 en 14 november 2016 producties in het geding gebracht. De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2016. Partijen (Meerschap deugdelijk vertegenwoordigd) en hun advocaten zijn ter zitting verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Kolder heeft daartoe zittingsaantekeningen in het geding gebracht. Van het verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden. Vervolgens is de behandeling gesloten en heeft de rechtbank beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Aan de zuidkant van de stad Groningen ligt een merengebied. De noordelijke uitloper van het meer draagt de naam Hoornsemeer. Het noordwestelijke deel van het meer heeft de naam Hoornseplas gekregen. Het zuidelijke deel van het meer draagt de naam Paterswoldsemeer. De Hoornseplas en het Hoornsemeer worden van elkaar gescheiden door een kunstmatig aangelegde dam genaamd de Nijdam. De Nijdam loopt door een deel van het meer van oever tot oever. Aan de westelijke zijde van de dam bevindt zich het water van de Hoornseplas, aan de oostelijke zijde is het Hoornsemeer gelegen. Op de Nijdam is een vrij toegankelijk voetpad aangebracht. De plaats waar de dam de oever bereikt is gelegen nabij de zandstranden van de Hoornseplas.

2.2.

Het beheer en de exploitatie van het merengebied is in handen van het Meerschap.

2.3.

Het Hoornsemeer en het Paterswoldsemeer worden gebruikt voor de pleziervaart. In het Hoornsemeer is een steiger van de plaatselijke waterskiclub gelegen. De oevers van het Hoornsemeer zijn grotendeels ondiep.

2.4.

Recreatiegebied Hoornseplas is een op zomerse dagen zeer druk bezocht recreatiegebied. Er zijn kunstmatige stranden, parkeerplaatsen, toiletten, speeltoestellen en ligweiden ingericht.

2.5.

Bij de toegangswegen naar recreatiegebied Hoornseplas heeft het Meerschap informatieborden geplaatst waarop (via een pictogram) kenbaar is gemaakt dat het niet is toegestaan om in de Hoornseplas te duiken en waarop de diepte van het water wordt vermeld. Langs de stranden van de Hoornseplas zijn zogenaamde drijflijnen in het water geplaatst die de ondiepe en diepere delen van de plas markeren.

2.6.

Bij toegangswegen naar het Hoornsemeer en het Paterswoldsemeer staan algemene informatieborden. Op deze borden is niet vermeld dat het verboden is in het water te duiken.

2.7.

In opdracht van het Meerschap heeft het bedrijf Risk Management Solutions B.V. een analyse gemaakt van risico’s waarmee het Meerschap gegeven haar bedrijfsvoering wordt geconfronteerd. In het beoordelingsrapport van 21 juni 2009 staat omschreven dat het

duiken vanaf de houten steigers [rechtbank: deze zijn gelegen in het Hoornsemeer] in het water gevaarlijk is gezien de diepte ter plaatse. In het rapport wordt als onaanvaardbaar risico omschreven dat het gevaar van duiken niet specifiek is aangegeven. Geadviseerd wordt een aanduidingsbord te plaatsen met de diepte van het water.

2.8.

Op 25 mei 2012 (rond 21.00) uur heeft [verzoeker] - toen 19 jaar oud - met een viertal vrienden recreatiegebied Hoornseplas bezocht. Op enig moment werd besloten te gaan zwemmen. [verzoeker] en zijn vrienden [A] en [B] zijn de Nijdam opgelopen. Zij zagen dat het water aan de zijde van de Hoornseplas ondiep was. Vervolgens zijn [verzoeker] en [B] aan de zijde van het Hoornsemeer (halverwege de Nijdam) het water ingedoken. [A] is het water ingesprongen. Het Hoornsemeer is langs de Nijdam eveneens ondiep (40 a 50 centimeter). Als gevolg van zijn duik heeft [verzoeker] een hoge dwarslaesie opgelopen.

2.9.

Bij schrijven van 25 januari 2013 heeft (de advocaat van) [verzoeker] het Meerschap op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoeker] vanwege het ongeval heeft geleden en zal lijden.

2.10.

Bij brief van 15 februari 2013 heeft Reaal, de verzekeraar van het Meerschap, aansprakelijkheid afgewezen. In deze brief heeft Reaal - voor zover hier van belang - aan de advocaat van [verzoeker] geschreven:

(…) Overigens is het gebeuren niet door een gebrek van de dam veroorzaakt, maar door een enigszins onbezonnen actie aan de zijde van uw relatie. Het water heeft een zwarte kleur en is troebel. Nu is het van algemene bekendheid dat men niet moet duiken in troebel water, vanwege het risico dat het water te ondiep is voor een duik dan wel dat er zich voorwerpen onder water kunnen bevinden waaraan men zich kan bezeren. (…)

2.11.

Na het ongeval is een rij houten palen langs de Nijdam in de bodem van het Hoornsemeer aangebracht. In de zomer van 2013 is op de plaats van deze palen ten behoeve van fietsverkeer een tweede dam (althans een constructie) met ijzeren hekwerk langs de Nijdam aangebracht. De houten paaltjes zijn toen verwijderd.

2.12.

Uit de in het geding gebrachte verklaringen van [verzoeker] en zijn vrienden [B] en [A] volgt dat zij de instructieborden van het Meerschap bij de ingang van de Hoornseplas zijn gepasseerd, dat zij de borden hebben waargenomen maar geen kennis hebben genomen van de opschriften. Uit de verklaringen volgt voorts dat de jongens er kort voor het ongeval door twee passerende fietsers op zijn gewezen dat het water van de Hoornseplas te ondiep was om in te springen en dat beter aan de zijde van het Hoornsemeer in het water kon worden gesprongen. Omtrent het tijdstip van het ongeval is (voor zover hier van belang) het volgende verklaard:

[verzoeker] :

(…) We zijn met z’n allen begin van de avond naar de Hoornseplas gegaan. Ik was zelf op de scooter en [A] zat bij mij achterop. Toen we er allemaal waren zijn we met z’n allen op het gras gaan zitten. Ik had nog een tas met circusattributen bij mij om wat te oefenen. Toen we alles hadden uitgepakt hebben we eerst wat met elkaar gedronken. We hadden een krat bier en wat zakken chips bij ons. We hebben net ons eerste biertje gepakt toen [B] zei dat hij wilde zwemmen. Ik en [A] hebben gezegd dat we wel mee wilden om te zwemmen. We wilden in één keer het water in, om dan direct door de kou te zijn.

[B] , [A] en ik zijn toen naar de dam gelopen. Toen we daar waren wilden we eigenlijk in de Hoornseplas duiken om zo naar het strand terug te zwemmen. Het was alleen duidelijk ondiep in de Hoornseplas. We konden de bodem zien. Daarna zijn we naar het midden van de dam gelopen om te kijken of het daar dieper was. Dit was bij de Hoornseplas niet zo. We hebben toen naar het Hoornsemeer gekeken of we daar in konden springen. In het meer kon je de bodem niet zien. Het water was troebel en er waren golven. Omdat ik wel eens op een banaan achter een speedboot in het Hoornsemeer heb gevaren, wist ik dat het daar wel diep was. Ik ben wel eens van zo’n banaan gevallen en kon toen niet bij de bodem. De steiger waar die boten vertrokken lag ook vlakbij bij de dam. Ook [A] en [B] hadden geen twijfel dat het er voldoende diep was. Ook kwamen er nog twee volwassenen op de fiets langs fietsen. De vrouw op de fiets zei tegen ons dat het beter was om in het Hoornsemeer te springen omdat het aan de plaskant te ondiep was. (…)

[B] :

(…) Op vrijdag 25 mei 2012 wilden we met een groepje vrienden gaan chillen en zwemmen bij de Hoornseplas te Groningen. We hadden rond 20:00 uur afgesproken bij de plas. Ik, [C] en [D] kwamen op de fiets. [verzoeker] en [A] kwamen op de scooter. Toen we er allemaal waren hebben we de fietsen en scooter neergezet en zijn we via het toegangspad richting het strand gelopen. Op weg naar het strand staat ook een bord met allerlei plaatjes. Hier ben ik onbewust langs gelopen zonder te kijken wat er precies op het bord staat.

Vervolgens hebben we met z’n allen een beschut plekje gezocht op het gras. Hier zijn we gaan zitten. We hadden eten en drinken bij ons. Ik had net mijn biertje geopend en een paar slokken genomen. Omdat het nog licht was heb ik toen tegen de jongens gezegd dat ik wilde gaan zwemmen voor het donker werd. Omdat [verzoeker] geen zwembroek had heb ik er één voor hem meegenomen. Ik vond dat hij daarom ook mee moest zwemmen. Uiteindelijk wilden [verzoeker] en [A] mee om te zwemmen. Omdat het redelijk frisjes was, wilden we in een keer in het water gaan. Vanaf het grasveld zijn wij toen met z’n drieën naar de dam gelopen. We waren van plan om vanaf het water bij de dam terug te zwemmen naar het strand. We zijn de dam opgelopen. De Hoornseplas was rechts en het Hoornsemeer was links. Aan het begin van de dam was de bodem van de Hoornseplas nog te zien. Daarom zijn we naar het midden van de dam gelopen omdat we dachten dat het daar dieper zou zijn. Midden op de dam was de bodem van de Hoornseplas nog steeds te zien. Daarom vond ik het niet leuk om er daar in te springen. Ik weet nog dat we ons toen omdraaiden en hebben overlegd over het Hoornsemeer. Aan die kant van de dam was het water troebel, onstuimig en konden we de bodem niet zien. Ook zag ik een aantal toppen van waterplanten. Ik weet dat die planten wel twee meter lang kunnen zijn en had het idee dat het aan de kant van het Hoornsemeer dus aardig diep moest zijn. Ook

heb ik wel eens gewindsurft op het meer. Toen ben ik ook wel eens in het water gevallen zonder de bodem te raken. Ik moest dan altijd watertrappelen. Er waren altijd wel boten en andere activiteiten op het water aan de kant van het Hoornsemeer. Naast de dam lag ook de steiger van de waterskiclub. Ik was er eigenlijk van overtuigd dat het diep genoeg moest zijn om erin te springen. Op dat moment kwam een man en een vrouw langs fietsen. Ik weet nog dat de vrouw zei dat als we vanaf de dam erin wilden springen we dit wel in het meer moesten doen.

[A] :

(…) Op 25 mei 2012 ben ik samen met mijn vrienden [C] , [D] , [B] en [verzoeker] wezen zwemmen bij de Hoornseplas. Ik ben achter op de scooter bij [verzoeker] naar de Hoornseplas gereden. [C] , [D] en [B] kwamen op de fiets. Toen we er allemaal waren zijn we richting het strand gelopen. Toen we naar het strand liepen zijn we op het grasveld gaan liggen. Hier hebben we met z’n allen wat gegeten en gedronken. Toen ik mijn eerste biertje ongeveer half op had riep [B] dat hij wou gaan zwemmen. Omdat ik ook wel zin had heb ik gezegd dat ik meeging. Ook [verzoeker] ging uiteindelijk mee. We zijn vervolgens met z’n drieën richting de dam tussen de Hoornseplas en het Hoornsemeer gelopen. We wilden vanaf de dam in één keer in het water springen en vervolgens terug naar het strand zwemmen. Toen we bij de dam aankwamen zagen we dat het ondiep was aan de kant van de Hoornseplas. We zijn toen naar het midden van de dam gelopen. Ook daar was het aan de kant van de Hoornseplas nog ondiep. Ik kon de bodem nog zien. We hebben toen alle drie naar het Hoornsemeer gekeken of we daar misschien wel in konden duiken. Het water was heel troebel en onstuimig en ik kon de bodem niet zien. Het water was donker, bijna zwart van kleur. Ook zag ik vlakbij een steiger voor boten. Omdat ik wel vaker bij het Hoornsemeer kom weet ik dat er altijd veel watersportactiviteiten zijn op het meer. Ik had geen twijfel dat het water in het Hoornsemeer op het midden van de dam diep genoeg moest zijn om er daar in te springen. Op het moment dat we eigenlijk al wel besloten hadden om in het Hoornsemeer te springen kwamen er ook nog eens een man en een vrouw langs fietsen. Die vrouw riep nog naar ons dat we wel in het Hoornsemeer in plaats van de Hoornseplas moesten duiken. (…)

3 Het verzoek

[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. te bepalen dat het Meerschap op grond van artikel 6:162 BW ten volle aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het [verzoeker] op 25 mei 2012 overkomen ongeval;

II. het Meerschap en Reaal te veroordelen de nog nader vast te stellen aan het ongeval gerelateerde schade, zowel geleden als nog te lijden alsmede materieel en immaterieel, aan [verzoeker] te vergoeden;

III. het Meerschap en Reaal te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4 Het standpunt van [verzoeker]

4.1.

verzoekt de rechtbank middels onderhavig verzoekschrift ex artikel 1019w Rv te oordelen dat het Meerschap volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 25 mei 2012 is overkomen. Reaal is de verzekeraar van het Meerschap. Op grond van artikel 7:954 BW heeft [verzoeker] een directe actie jegens Reaal. Lid 3 van artikel 1019w Rv bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie als voornoemd bestaat in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken. Indien de discussie over de aansprakelijkheid in de onderhavige deelgeschilprocedure wordt beslecht, zal dat kunnen bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst.

4.2.

Als exploitant en beheerder van het recreatiegebied rust op het Meerschap een zorgplicht voor wat betreft de veiligheid van de particuliere gebruikers ervan. Het had op de weg van het Meerschap - als professionele partij - gelegen nabij de Nijdam te informeren omtrent het ondiepe water. Het Meerschap had ter voorkoming van springen en/of duiken vanaf de Nijdam in het ondiepe water maatregelen moeten treffen en dat heeft zij niet, althans op onvoldoende wijze, gedaan.

Door dat na te laten heeft het Meerschap op onvoldoende wijze invulling aan de op haar rustende zorgplicht gegeven. Vanwege onrechtmatige gevaarzetting is zij aansprakelijk voor schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal lijden.

4.3.

Gevaarscheppend gedrag is onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat men zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had behoren te onthouden dan wel maatregelen had behoren te treffen ter voorkoming van ongevallen. Aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde Kelderluikfactoren concludeert [verzoeker] op grond van na te noemen feiten en omstandigheden dat het gevaarscheppende gedrag van het Meerschap als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.

4.4.

De invulling van de op het Meerschap rustende zorgplicht is afhankelijk van de bij haar aanwezige kennis omtrent het aan de orde zijnde gevaar en de te treffen veiligheidsmaatregelen. Het Meerschap was op de hoogte van het gevaar, althans had dat behoren te zijn. Te voorzien was dat recreanten van het druk bezochte aangrenzende recreatiegebied Hoornseplas de dam zouden gebruiken om in het water te springen of duiken. In de gevarenanalyse die op 21 juni 2009 in opdracht van het Meerschap is gemaakt staat op pagina 13 uitdrukkelijk aangegeven dat het duiken vanaf de houten steigers in het water van het Hoornsemeer gevaarlijk is gezien de diepte ter plaatse, welk gevaar niet specifiek was aangegeven. Blijkens het rapport is als preventieve voorziening noodzakelijk informatieborden met de diepte van het water te plaatsen. Weliswaar is de Nijdam geen houten steiger maar de gelijkenis is treffend. In beide gevallen is sprake van een kunstmatige bouwwerk, aangelegd in het water, goed beloopbaar, waarbij geen afscheiding met het water bestaat en de afstand tot het wateroppervlak gering is. Beide kunstwerken nodigen uit er vanaf te springen en/of duiken.

4.5.

Bij de ingang van het recreatiegebied Hoornseplas staan borden die de waterdiepte van de Hoornseplas vermelden en aangeven dat het niet is toegestaan in de Hoornseplas te duiken. In de Hoornseplas zijn zogenaamde drijflijnen geplaatst die de diepte van het water markeren. Het op de borden kenbaar gemaakte duikverbod is niet van toepassing op het Hoornsemeer. De drijflijnen ontbreken in het Hoornsemeer. Deze situatie kan bij recreanten de indruk wekken dat het water in het Hoornsemeer voldoende diep is om in te duiken.

4.6.

Bij de beoordeling dient te worden meegewogen dat de veelal jongere recreanten niet steeds de ideale mate van zorgvuldigheid betrachten ter voorkoming van ongevallen. Bij de invulling van haar zorgplicht diende het Meerschap een zekere mate van onvoorzichtigheid aan de zijde van de bezoekers van het recreatiegebied mee te wegen. Ook als het potentiele slachtoffer bekend is met bepaalde gevaren ontslaat dat het Meerschap niet van het nemen van maatregelen ter voorkoming van ongevallen.

4.7.

Het gevaar voor duiken in ondiep water brengt een zeer groot risico met zich terwijl sprake is van ernstige gevolgen die met weinig bezwaarlijke maatregelen voorkomen hadden kunnen worden. Het Meerschap diende zodanig te waarschuwen dat te verwachten viel dat dit daadwerkelijk zou leiden tot gevaar mijdend gedrag van de groepen uitgelaten jongeren. [verzoeker] stelt dat de informatieborden bij de ingang van recreatiegebied Hoornseplas een onvoldoende waarschuwing vormen voor de risico’s van duiken vanaf de Nijdam in het Hoornsemeer. Van een voldoende indringende en rechtstreekse presentatie van risico’s was geen sprake. De borden staan te ver verwijderd van de plaats waar gevaar dreigt. De kans is niet groot dat de jeugdige bezoekers op die borden letten. De informatieborden nabij het Hoornsemeer en het Paterswoldsemeer vermelden in het geheel geen verbod om te duiken.

Uit de overgelegde producties volgt dat in de periode van 2004 tot en met 2010 maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bord met het opschrift niet duiken dat in het water nabij de Nijdam heeft gestaan.

Na het ongeval heeft het Meerschap ter beveiliging een rij palen langs de Nijdam in het Hoornsemeer geplaatst. Van deze palen gaat een waarschuwende/signalerende werking uit. Vaste rechtspraak luidt dat wanneer na een ongeval blijkt dat de situatie veiliger kan, dit een aanwijzing oplevert voor aansprakelijkheid wegens onvoldoende veiligheidsmaatregelen ten tijde van het ongeval. Gelet op voornoemde specifieke feiten en omstandigheden stelt [verzoeker] dat het Meerschap volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

4.8.

De plicht om maatregelen te treffen strekt mede tot bescherming van slachtoffers die - achteraf - wellicht beter hadden moeten weten. Indien een ongeval ontstaat doordat het slachtoffer niet die oplettendheid heeft betracht waarmee de laedens juist rekening had moeten houden, bestaat geen ruimte voor het beperken van de aansprakelijkheid op grond van 6:101 BW. In dat verband verwijst [verzoeker] naar Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042, waarin aansprakelijkheid van een Skeelervereniging voor dodelijk letsel dat een niet helm dragende cursist opliep onderwerp van geschil was.

Uit de jurisprudentie en de literatuur volgt dat van eigen schuld slechts sprake kan zijn indien dit is gelegen op een ander vlak dan het vlak dat de laedens ex artikel 6:162 BW zelf veronachtzaamd heeft.

4.9.

Zo er al sprake is van eigen schuld dan hoort de billijkheidscorrectie ten gunste van [verzoeker] te strekken. In dat licht wordt verwezen naar de jonge leeftijd van [verzoeker] , de ernst van het letsel en de wederzijdse verzekeringspositie. [verzoeker] is niet verzekerd voor de gevolgen van het ongeval en het Meerschap is dat wel. [verzoeker] meent aan de hand van de billijkheidscorrectie dat het Meerschap alsnog 100% aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval.

4.10.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank voorts de kosten van het onderhavige verzoek te begroten, zulks ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv en het Meerschap c.s. te veroordelen in de kosten. Daarbij dienen alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te worden genomen. Als productie 7 heeft [verzoeker] het overzicht van de kosten van rechtsbijstand ad € 11.419,25 overgelegd (inclusief btw en kantoorkosten). Voorts is een aanvullende kostenbegroting van € 2.061,82 (inclusief btw en kantoorkosten) in het geding gebracht. Ter nadere toelichting geldt dat door de raadsman van [verzoeker] een uurtarief van € 245,00 wordt gehanteerd. [verzoeker] meent dat ter zake van de onderhavige deelgeschilprocedure de reeds gemaakte en verder nog te maken kosten aan zijn zijde voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets als bedoeld in art. 6:96 BW en derhalve voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

5 Het verweer

5.1.

Ten aanzien van de toedracht van het ongeval aanvaardt het Meerschap c.s. de inhoud van de daartoe opgemaakte verklaringen van [verzoeker] en zijn vrienden [B] en [A] . Het (exacte) tijdstip van het ongeval blijft echter onduidelijk. Kennelijk is [verzoeker] rond 21.00 uur bij de Hoornseplas aangekomen, waarna de vrienden enige tijd op het grasveld hebben doorgebracht. Het Meerschap c.s. houdt het voor mogelijk dat de schemering al haar intrede had gedaan toen het plan om te gaan zwemmen postvatte. Uit het medisch dossier kan niet worden opgemaakt op welk tijdstip [verzoeker] in het ziekenhuis is opgenomen. Bij gebrek aan wetenschap betwist het Meerschap c.s. dat het nog licht was op het moment van het ongeval. Vlak voor het ongeval zouden de vrienden met 2 fietsende voorbijgangers hebben gesproken (waarvan één, zo volgt uit de verklaringen, de ambulancedienst heeft ingeschakeld). Een verklaring van deze getuigen, wellicht kunnen zij verklaren omtrent het tijdstip van het ongeval, ontbreekt in het dossier, evenals een onderbouwd tijdstip van de 112-melding. Voor bewijslevering is in een procedure als de onderhavige weinig ruimte, hetgeen een reden moet zijn [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek te verklaren.

5.2.

De Hoornseplas is een door de provincies Groningen en Drenthe aangewezen zweminrichting. De provincie heeft borden bij de Hoornseplas geplaatst waarop het duikverbod via een pictogram is aangegeven. Buiten de aangewezen zwemgelegenheden wordt door de provincie en het Meerschap ter plaatse geen voor zwemmers bedoelde informatie gegeven over veiligheid en gezondheid. Het Meerschap is daartoe ook niet gehouden. Op de website wordt wel gewaarschuwd voor het duiken in onbekend water en wordt geadviseerd alleen te zwemmen in de aangewezen zwemlocaties. Uit de enkele omstandigheid dat geen waarschuwingsborden bij het Hoornsemeer zijn geplaatst mocht [verzoeker] niet afleiden dat het water geschikt is om in te duiken.

5.3.

Voor de beoordeling is van belang in welke mate het waarschijnlijk was dat [verzoeker] in het ondiepe water zou duiken. De vraag of het Meerschap zich ervan bewust had moeten zijn dat dit risico aanwezig was moet ontkennend worden beantwoord. Uit de overgelegde verklaringen van [verzoeker] en zijn vrienden volgt dat zij vanaf de Nijdam hebben waargenomen dat het water aan de zijde van de Hoornseplas zeer ondiep was en dat waterplanten zichtbaar waren. Langs alle oevers van het Hoornsemeer groeit riet. Deze omstandigheden hadden voor wat betreft duiken in het Hoornsemeer een krachtige contra-indicatie moeten zijn. [verzoeker] heeft zeer roekeloos gehandeld door in het troebele water van het Hoornsemeer te duiken terwijl hij niet op de hoogte was van de diepte ter plaatse. Ondanks de in het meer aanwezige pleziervaart is het Hoornsemeer ongeschikt om in te duiken. Dat [verzoeker] door de aanwezigheid van waterrecreatie er op mocht vertrouwen dat de diepte voldoende was, wordt door het Meerschap c.s. betwist. De omstandigheid dat [verzoeker] de in de Hoornseplas ter markering van de diepte aanwezige drijflijnen was gepasseerd is evenmin een omstandigheid op basis waarvan hij er op mocht vertrouwen dat het water voldoende diep was om in te duiken. Het Meerschap c.s. betwist dat de Nijdam uitnodigt om daar van af te duiken. De randen van het stenen oppervlak van de dam zijn gekarteld zodat het - indien men van grote waterdiepte uitgaat - niet eenvoudig is op die plaats uit het water te geraken.

5.4.

Het Meerschap c.s. betwist dat het Meerschap naast de bestaande waarschuwingsborden gehouden was een duikverbod nabij de Nijdam bekend te maken. De feitelijke situatie is zodanig dat niet aannemelijk of te voorzien was dat recreanten van de dam in het water zouden duiken. Dat is ook niet het geval indien een zekere mate van onvoorzichtigheid aan de zijde van de jeugdige bezoekers van het recreatiegebied wordt meegewogen. Van een kenbaar risico was geen sprake, bovendien kan van het Meerschap, dat een grote oppervlakte aan water beheert, niet worden gevergd dat zij overal voor alle aan zwemmen verbonden risico’s waarschuwt.

5.5.

In opdracht van het Meerschap heeft Risk Management Solutions B.V. op 21 juni 2009 gerapporteerd en geadviseerd over de risico’s van de bedrijfsvoering van het Meerschap. In het rapport is gesignaleerd dat de houten steigers in de Hoornseplas een risico inhielden waarvoor gewaarschuwd moest worden. In de rapporten is het gevaar van duiken vanaf de Nijdam niet aan de orde gesteld. Het Meerschap was op de hoogte van het ondiepe water langs de Nijdam maar is in het rapport niet gewezen op het risico dat recreanten daarvan in het Hoornsemeer zouden duiken. Haar medewerkers hebben ook nimmer geconstateerd dat de Nijdam aldus werd gebruikt door recreanten.

5.6.

Het Meerschap c.s. betwist dat de paaltjes langs de Nijdam kort na het ongeval zijn geplaatst. Het heeft enige maanden geduurd voordat het Meerschap toevalligerwijze op de hoogte raakte van het ongeval. De bewuste paaltjes zijn acht maanden na het ongeval langs de Nijdam geplaatst met als doel de locatie van de pijlers van de later aangelegde fietsbrug te markeren. Ze zijn niet geplaatst met als doel om de diepte van het water te markeren.

5.7.

Eendachtig de kelderluikfactoren concludeert het Meerschap c.s. dat zij niet aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen.

5.8.

Indien de rechtbank aansprakelijkheid van het Meerschap aanwezig acht bestaat - anders dan [verzoeker] heeft bepleit - geen dogmatisch bezwaar tegen het aannemen van eigen schuld aan zijn zijde. [verzoeker] is in een water gedoken waarvan de diepte hem niet bekend was. Uit de verklaringen van [verzoeker] en zijn vrienden volgt dat zij waterplanten in het Hoornsemeer langs de Nijdam hebben waargenomen, dat het water aan de andere zijde van de dam en langs de oevers zichtbaar ondiep was en dat zij geen acht hebben geslagen op de informatieborden bij de ingang van de Hoornseplas.

5.9.

Het Meerschap c.s. maakt bezwaar tegen de verzochte kostenveroordeling. Het gedeclareerde bedrag dat is gebaseerd op (ten minste) 36 uur voorbereiding is exorbitant hoog. Het Meerschap c.s. acht (onder verwijzing naar het PIV-Bulletin van oktober 2016, pagina 13 e.v., waaruit blijkt dat gemiddeld 14,8 uur toewijsbaar wordt geacht) voor een procedure als de onderhavige een totale tijdsbesteding van in totaal 25 uur gerechtvaardigd.

6 De beoordeling

6.1.

Hetgeen [verzoeker] en het Meerschap c.s. verdeeld houdt, betreft - kort gezegd - de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid. Op zichzelf beschouwd valt dit verzoek binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Met een oordeel over de aansprakelijkheid en de omvang ervan kán de impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden onderhandelingen kunnen worden gevoerd omtrent de afwikkeling van door [verzoeker] geleden schade.

6.2.

Het Meerschap c.s. heeft weliswaar aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat omtrent het tijdstip van het ongeval en dat daartoe (nader) bewijs noodzakelijk is, maar - zo oordeelt de rechtbank - de omstandigheid dat mogelijk bewijslevering nodig is, maakt niet zonder meer dat een verzoek niet als deelgeschil kan worden aangemerkt. Of bewijslevering noodzakelijk is, wordt in de regel eerst duidelijk na een inhoudelijke beoordeling van het voorgelegde verzoek, waarna, in voorkomend geval, het verzoek alsdan op de voet van artikel 1019z Rv zal worden afgewezen.

6.3.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] , waarbij zij allereerst zal beoordelen of en zo ja, in hoeverre, de toedracht van het ongeval dat hem is overkomen, vaststaat. Op basis van de in het geding gebrachte en hiervoor onder rechtsoverweging 2.12. opgenomen schriftelijke verklaringen kan daarbij van het volgende worden uitgegaan.

6.4.

[verzoeker] en zijn vriend [A] zijn rond 21.00 uur bij recreatiegebied Hoornseplas aangekomen. Zij hebben een plek in het gras nabij de Hoornseplas gevonden alwaar [C] , [D] en [B] zich reeds bevonden. Na het drinken van enkele slokken bier besloten [verzoeker] , [A] en [B] te gaan zwemmen. De gedachte ontstond om vanaf de Nijdam (ineens) in het water te springen of duiken. Halverwege de dam constateerden de jongens - zo volgt eensluidend uit de verklaringen - dat het water aan de zijde van de Hoornseplas zo ondiep was dat de bodem zichtbaar was. Aan de zijde van het Hoornsemeer was het water troebel, onstuimig en was geen bodem zichtbaar. Vervolgens zijn de jongens in het Hoornsemeer gesprongen en/of gedoken. Als gevolg van deze duik heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen.

6.5.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de verklaringen dat het ongeval zich voor zonsondergang heeft voorgedaan. [verzoeker] en zijn vrienden hebben zich (voorzien van zwemkledij) richting de Hoornseplas begeven. Kort na aankomst van [verzoeker] (hij arriveerde rond 21.00 uur) is - zo volgt genoegzaam uit de verklaringen - besloten te gaan zwemmen. In de overgelegde verklaringen worden verschillende omgevingsfactoren beschreven die er op wijzen dat het ongeval zich heeft voorgedaan toen het nog niet donker was. Zo volgt uit de verklaringen dat [verzoeker] en zijn vrienden hebben waargenomen dat het water langs de Nijdam aan de zijde van de Hoornseplas te ondiep was om in te duiken en dat de bodem zichtbaar was en voorts dat het water van het Hoornsemeer troebel was en dat zij waterplanten langs de dam in het Hoornsemeer hebben geconstateerd. Het Meerschap c.s. heeft geen relevante omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de in het geding gebrachte verklaringen in twijfel moeten worden getrokken. Naar het oordeel van de rechtbank dient het er derhalve voor te worden gehouden dat [verzoeker] het water van het Hoornsemeer is in gedoken op een moment dat het nog voldoende licht was. Het exacte tijdstip is voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang. Anders dan het Meerschap c.s. aanvoert is de rechtbank derhalve van oordeel dat de toedracht van het ongeval kan worden vastgesteld zonder dat (nadere) bewijslevering noodzakelijk is.

6.6.

Bij beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt - en of derhalve het achterwege laten van die maatregelen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed - moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de omvang van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 Kelderluik; en voorts onder meer ECLI:NL:HR:2004:AO4224 Jetblast en ECLI:NL:HR:2013:47). Verder is voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden (vgl. het hiervoor aangehaalde Jetblast arrest).

6.7.

Tegen de achtergrond van deze maatstaf geldt in de onderhavige zaak het volgende. Het Meerschap is een organisatie die zorg draagt voor het beheer en de exploitatie van het merengebied. Op zonnige dagen bezoeken duizenden recreanten de Hoornseplas.

Op een professionele partij als het Meerschap rust - partijen zijn daarover niet verdeeld - de zorgplicht recreanten te wijzen op de risico’s ten aanzien van het gebruik van de op vele plaatsen ondiepe zwemplas. Het Meerschap heeft invulling aan die op haar rustende zorgplicht gegeven. Op de informatieborden langs de toegangswegen naar het recreatiegebied informeert het Meerschap recreanten over de diepte van water in de Hoornseplas en wordt via een pictogram een duikverbod kenbaar gemaakt. Langs de stranden in het water heeft het Meerschap zogenaamde drijflijnen aangebracht die de

diepte markeren.

6.8.

Aan de oostzijde grenzen de stranden van de Hoornseplas direct aan de plaats waar de door het meer lopende Nijdam en het daarop gelegen vrij toegankelijke voetpad is gesitueerd. Achter de dam (bezien vanaf de Hoornseplas) is het Hoornsemeer gelegen. Specifiek aan zwemmers gerichte waarschuwingsborden zijn hier niet geplaatst.

6.9.

De rechtbank volgt het Meerschap c.s. in haar verweer dat de zichtbaar ondiepe en begroeide oevers langs de Hoornseplas en de omstandigheid dat de bodem van de Hoornseplas vanaf de Nijdam goed zichtbaar is, recreanten zal weerhouden vanaf de dam in de aangrenzende Hoornseplas te duiken. Weliswaar is het water aan de Hoornseplas zijde zichtbaar ondiep maar - zo volgt uit de stellingen van partijen - het water aan de zijde van het Hoornsemeer is troebel, zodat de bodem daar niet zichtbaar is. Onder die omstandigheden is niet ondenkbaar dat bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid van ten dele jeugdige (uitgelaten) bezoekers van het strand, de dam door één van hen wordt gebruikt om in het Hoornsemeer te duiken. Bij de invulling van haar zorgplicht diende het Meerschap een zekere mate van onvoorzichtigheid aan de zijde van de bezoekers van het recreatiegebied mee te wegen ten aanzien van het recreatieve gebruik van het aan de Nijdam grenzende Hoornsemeer. De rechtbank betrekt in dit oordeel de omstandigheid dat de Nijdam is gelegen in een zeer druk bezocht recreatiegebied. Uit de overgelegde beleidsvisie 2012 van het Meerschap volgt dat bij de Hoornseplas op drukke dagen soms 20.000 bezoekers aanwezig zijn. Dat een enkele onvoorzichtige bezoeker van het recreatiegebied via de dam het meer in zou springen of duiken was - anders dan het Meerschap c.s. heeft bepleit - niet onvoorzienbaar. Ook als potentiële slachtoffers bekend mogen worden verondersteld met het gevaar van duiken in water waarvan men de diepte niet kent, ontslaat dat het Meerschap niet van het nemen van maatregelen ter voorkoming van ongevallen.

6.10.

Uit de analyse die medio 2009 in opdracht van het Meerschap is gemaakt volgt dat de houten steigers/vlonders die (ten behoeve van het waterskiën) in ondiepe delen van het water van het Hoornsemeer zijn gelegen een risico van duiken met zich brengen. Blijkens het rapport is als preventieve voorziening noodzakelijk aanduidingsborden met de diepte van het water te plaatsen. De rechtbank volgt [verzoeker] in zijn stelling dat de Nijdam niet als vlonder (of steiger) kan worden gekwalificeerd maar dat een vergelijking op gaat met andere zich in of op het ondiepe water bevindende werken die zich lenen er van af te springen of duiken. Ook in zoverre had het Meerschap op de hoogte kunnen zijn van de risico’s van duiken en springen vanaf de in of op het meer gelegen kunstmatig aangelegde objecten.

6.11.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het duiken in ondiep water zeer ernstig letsel tot gevolg kan hebben. Bij een als zwemplas ingericht recreatiegebied met ondiep zwemwater zijn derhalve veiligheidsmaatregelen noodzakelijk ter voorkoming van ernstige personenschade. De rechtbank volgt het Meerschap c.s. in haar verweer dat haar zorgplicht niet zover sterkt dat zij langs iedere ondiepe oever dient te waarschuwen. In het voorliggende geval heeft het ongeval zich echter voorgedaan in het voor recreatieve doeleinden aangewezen Hoornsemeer dat direct grenst aan de kunstmatig aangelegde Nijdam in een (zeer) druk bezocht recreatiegebied/strand. Onder die omstandigheden strekte de zorgplicht van het Meerschap zover dat zij nabij de kunstmatig aangelegde Nijdam voor het aan de Nijdam grenzende ondiepe water in het Hoornsemeer had moeten waarschuwen. Het nemen van veiligheidsmaatregelen - bijvoorbeeld door een duikverbod bij de Nijdam te vermelden of een bord met de diepte van het water ter plaatse - was ook weinig bezwaarlijk.

6.12.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de waarschuwingsborden die bij de toegangswegen naar het recreatiegebied Hoornseplas zijn geplaatst geen betrekking hebben op het Hoornsemeer. Daarop vermelde waarschuwingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen het specifieke gevaar van duiken vanaf de Nijdam in het Hoornsemeer. Niet te verwachten viel dat die waarschuwingen zouden leiden tot een handelen of nalaten waardoor genoemd gevaar wordt vermeden (vgl. het hiervoor aangehaalde Jetblast arrest).

6.13.

Resumerend heeft het Meerschap door nabij de Nijdam niet te waarschuwen voor het ondiep zijn van het water in het Hoornsemeer een situatie laten voortbestaan, althans in het leven geroepen die voor recreanten bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is. De kans dat daaruit ongevallen met ernstige gevolgen zouden ontstaan was aanzienlijk, terwijl het nemen van veiligheidsmaatregelen niet bezwaarlijk kon worden geacht. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat het Meerschap c.s. ten opzichte van [verzoeker] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 25 mei 2012 is overkomen.

6.14.

Het Meerschap c.s. doet een beroep op eigen schuld van [verzoeker] . De rechtbank overweegt daarover als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook [verzoeker] onzorgvuldig gehandeld door vanaf de Nijdam in het water te duiken terwijl hij niet bekend was met de diepte ter plaatse. Uit de schriftelijke verklaringen volgt dat [verzoeker] en zijn vrienden bekend waren met het ondiepe water aan de Hoornseplas zijde van de Nijdam. Ook blijkt daaruit dat zij gezien hebben dat het water van het Hoornsemeer troebel was en dat zij waterplanten hebben geconstateerd langs de zijde van het Hoornsemeer. Onder die omstandigheden heeft [verzoeker] een groot risico genomen door in het water te duiken, hetgeen hem valt toe te rekenen. [verzoeker] mocht bekend worden verondersteld met de mogelijke gevolgen van dergelijk handelen. Hierbij betrekt de rechtbank ook het gegeven dat [verzoeker] ten tijde van het ongeval 19 jaar oud was en in staat moet zijn geweest om zich een beeld te vormen van de door hem te nemen risico’s.

6.15.

Ten aanzien van het beroep van het Meerschap c.s. op artikel 6:101 BW stelt [verzoeker] dat de op het Meerschap rustende zorgplicht om maatregelen te treffen mede strekt tot bescherming van slachtoffers die (achteraf beredeneerd) wellicht beter hadden moeten weten. In het geval - aldus [verzoeker] - een ongeval ontstaat doordat het slachtoffer niet die oplettendheid heeft betracht waarmee het Meerschap juist rekening had moeten houden, bestaat geen ruimte voor het beperken van haar aansprakelijkheid op grond van 6:101 BW. In dat verband verwijst [verzoeker] naar Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005: AU4042 (Skeeler arrest).

6.16.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. In het door [verzoeker] aangehaalde Skeelerarrest klaagden eisers tot cassatie over de verwerping, althans het voorbijgaan aan het in de feitelijke instanties gedane beroep op eigen schuld van gelaedeerde (verweerster in cassatie). Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting - welke ontbreekt - niet uit dit arrest af te leiden dat het niet nakomen van de op het Meerschap rustende zorgplicht een beroep op eigen schuld onder de gegeven omstandigheden in de weg staat. Indien wordt geoordeeld dat de laedens (het Meerschap) onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve aansprakelijk is, kan het feit dat het slachtoffer ( [verzoeker] ) uit vrije wil in water is gedoken waarvan de diepte hem onbekend was onder omstandigheden een rol spelen bij het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding; deze omstandigheid kan dan (afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval) als "eigen schuld" aan het slachtoffer worden toegerekend.

6.17.

Waar, zoals hiervoor in r.o. 6.14 is overwogen, vaststaat dat aan [verzoeker] toe te rekenen gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en daarmee aan het ontstaan van de schade, dient op grond van artikel 6:101 BW in beginsel een deel van de schade voor rekening van [verzoeker] te blijven. Een verdeling van de schade op basis van de mate waarin de gedragingen van [verzoeker] enerzijds en de schending van de zorgplicht van het Meerschap anderzijds debet zijn aan het ontstaan van het ongeval leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de schadevergoedingsplicht van het Meerschap met 50 % dient te worden verminderd. In de aard en de ernst van het blijvende letsel dat [verzoeker] op jonge leeftijd heeft opgelopen, alsmede het feit dat het Meerschap voor dergelijke schade is verzekerd, ziet de rechtbank evenwel aanleiding voormelde causaliteitsverdeling op grond van de billijkheid te corrigeren, zodanig dat de omvang van aansprakelijkheid van het Meerschap c.s. op 80 % wordt vastgesteld en het Meerschap c.s. derhalve dit deel van de materiële en immateriële schade van [verzoeker] dient te vergoeden. In zoverre zal de rechtbank het eerste en tweede verzoek toewijzen.

6.18.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Deze kosten dienen evenwel te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. [verzoeker] maakt op basis van een tijdsbesteding van 42,5 uur aanspraak op een bedrag van (in totaal) € 13.481,07. Het Meerschap c.s. stelt zich op het standpunt dat een totale tijdsbesteding van 25 uren acceptabel en redelijk is en dat voor een kwestie als de onderhavige een uurtarief van € 245,00 per uur als een redelijk uurtarief moet worden beschouwd. De rechtbank volgt het Meerschap c.s. dat een begrote tijdsbesteding van 25 uur voor een deelgeschil als het onderhavige voor een gespecialiseerde letselschadeadvocaat redelijk moet worden geacht. Voorts acht de rechtbank een uurtarief van € 245,00, (inclusief kantoorkosten en BTW € 317,20) redelijk, gezien de complexiteit van het verzoek en de specialisatie en ervaring van de raadsman van [verzoeker] . De rechtbank begroot de kosten dan ook op (25 x € 317,20 + griffierecht € 267,00 =) € 8.197,00 en veroordeelt het Meerschap tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] .

6.19.

Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening openstaat, zal de rechtbank de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

bepaalt dat het Meerschap op grond van artikel 6:162 BW voor 80 % aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoeker] op 25 mei 2012 overkomen ongeval,

7.2.

veroordeelt het Meerschap c.s. - met in acht name van hetgeen onder 7.1. is beslist - de nog nader vast te stellen ongeval gerelateerde schade, zowel geleden als nog te lijden alsmede materieel en immaterieel, aan [verzoeker] te vergoeden,

7.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.197,00 (inclusief kantoorkosten, BTW en griffierecht) en veroordeelt het Meerschap c.s. tot betaling daarvan aan [verzoeker] ,

7.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen, mr. J.A. Werkema en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken door mr. L.T. de Jonge op 14 februari 2017.

rh