Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:940

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
LEE 16/4
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

WW. Korting FLO-uitkering op WW-uitkering. De voor eiser gewijzigde gunstige regeling van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB is met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan gemaakt. Geen wettelijke grondslag ten tijde van het primaire besluit. Omissie wetgever. Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, zodat de ongunstige wijziging buiten toepassing dient te worden gelaten. Uitgaan van tekst van de wet en niet van de bedoeling van de wetgever. Gen uitzonder geval in de zin van artikel 176, derde lid, van de Aanwijzing voor de regelgeving. De wijziging was niet voorzienbaar. Zelf in zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de WW-uitkering wordt voortgezet tot de datum van het pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/63
RSV 2017/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van der Wal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Hoogeveen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 september 2015 beëindigd.

Bij besluit van 24 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

S.S. Wiltjer.

Naar aanleiding van een op de zitting aan verweerder gestelde vraag, is bij brief van

15 augustus 2016 een schriftelijke reactie van verweerder ontvangen. Bij brief van

23 augustus 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het geding is behandeld ter zitting van een meervoudige kamer op 12 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn van het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser was beroepsmilitair en hij is per 1 mei 2006 met functioneel leeftijdsontslag gegaan, waarvoor hij een uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (FLO-uitkering) ontvangt. Op 4 augustus 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat hij sinds 1 mei 2006 een FLO-uitkering ontvangt van het [ministerie] .

1.2.

Eiser is bij besluit van 6 augustus 2015 met ingang van 1 september 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Verweerder is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat artikel 3:5, zevende lid, van het Algemeen Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB), zoals dat per 1 juli 2015 is gaan luiden, door een omissie in het wijzigingsbesluit (Stb. 2015, 152) in werking is getreden. Doordat de omissie met terugwerkende kracht is gerepareerd (Stb. 2015, 374), is het zevende lid van artikel 3:5 van het AIB toch niet met ingang van 1 juli 2015 in werking getreden. Gelet hierop is eisers FLO-uitkering op goede gronden op zijn WW-uitkering in mindering gebracht. Omdat de FLO-uitkering hoger is dan eisers

WW-uitkering, leidt dit tot een beëindiging van zijn WW-uitkering per 1 september 2015.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij in dit verband in de gronden van beroep heeft aangevoerd, zal in het navolgende worden ingegaan.

4. Verweerder ziet in hetgeen in de gronden van beroep is aangevoerd geen aanleiding voor wijziging van het in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Aan de orde is allereerst de vraag of eiser een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.

5.2.

Eiser voert in dat verband aan dat hij is afgegaan op een (telefonische) toezegging van een medewerker van verweerder dat eiser naast de FLO-uitkering recht zou hebben op een WW-uitkering. Verweerder heeft hierover in zijn brief van 15 augustus 2016 uiteengezet dat niet is aangetoond dat aan eiser een toezegging is gedaan dat hij naast zijn FLO-uitkering aanspraak heeft op een WW-uitkering.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3882) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het is aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan.

5.4.

Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Voor dit oordeel is van belang dat uit het verslag van het gesprek op 16 maart 2015 met een medewerker van verweerder, zoals opgenomen in de zogeheten KCC contacthistorie, niet kan worden opgemaakt dat een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging aan eiser is gedaan dat hij naast de FLO-uitkering eveneens recht heeft op een WW-uitkering. Integendeel, blijkens dit verslag heeft de desbetreffende medewerker van verweerder, juist aangegeven dat het pensioen altijd van de WW-uitkering wordt afgetrokken tenzij sprake is van de daarin opgenomen situaties, van welke (twee) situaties (betreffende de regeling geldend tot – in elk geval – 1 juli 2015) onbetwist geen sprake is. Eiser heeft met het door hem aangevoerde dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende medewerker een toezegging heeft gedaan dat er naast de FLO-uitkering tevens aanspraak bestaat op een WW-uitkering. Daarbij verdient opmerking dat evenmin uit het verslag van gesprek van

23 november 2015 van eiser met een medewerker van verweerder blijkt dat een dergelijke uitdrukkelijke toezegging is gedaan, waaraan eiser een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij naast de FLO-recht ook recht had op een WW-uitkering. Zijn betoog ter zitting dat het besluit tot toekenning van 6 augustus 2015 van een WW-uitkering aan eiser als een toezegging moet worden gezien, slaagt niet. Hiertoe is van belang dat voor dat betoog van eiser geen enkele steun is te vinden in het besluit van 6 augustus 2015. Uit de inhoud van dat besluit volgt geenszins dat een WW-uitkering naast de FLO-uitkering betaald moet worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

6.1.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of verweerder de aan eiser toegekende

WW-uitkering terecht met terugwerkende kracht heeft beëindigd per 1 september 2015. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verweerder een voor eiser gunstige regeling met terugwerkende kracht ongedaan heeft kunnen maken.

Het gaat in dit geding om de periode van 1 september 2015 tot 17 januari 2016.

6.2.

Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, nu verweerder de eerdere toekenning van de WW-uitkering met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, hetgeen financieel nadelig uitpakt voor eiser. Eiser wijst er daarbij op dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 5 oktober 2015 het Besluit van 9 oktober 2015 tot wijziging van artikel 3:5 van het AIB nog niet was gepubliceerd en eerst op 30 oktober 2015 in werking is getreden. De WW-uitkering dient volgens eiser vanaf 1 september 2015 tot aan de datum van zijn pensioen, 17 januari 2016, te worden voortgezet.

6.3.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het nooit de bedoeling van de wetgever is geweest om de wijziging van het zevende lid van artikel 3:5 van het AIB al per 1 juli 2015 in werking te laten treden. Omdat bij het Besluit van 4 mei 2015 die wijziging per abuis niet van inwerkingtreding is uitgezonderd, heeft de wetgever die omissie hersteld. Bij het op 30 oktober 2015 gepubliceerde Besluit van 9 oktober 2015 tot wijziging van artikel 3:5 van het AIB is inwerkingtreding van genoemde wijziging met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan gemaakt. De reden om eerdergenoemde wijziging nog niet in werking te laten te treden, is gelegen in het feit dat de wetswijziging in de praktijk niet uitvoerbaar is voor het Uwv. Hiermee is volgens verweerder gegeven dat zich een uitzonderlijk geval voordoet in de zin van artikel 167, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Er dient daarom met terugwerkende kracht uitvoering te worden gegeven aan artikel 3:5 van het AIB, zoals dat behoorde te luiden vóór 1 juli 2015. Dit betekent dat het korten van eisers FLO-uitkering op de WW-uitkering op dezelfde wijze dient plaats te vinden als vóór 1 juli 2015. De FLO-uitkering is terecht op eisers WW-uitkering gekort en de WW-uitkering is op goede gronden met ingang van 1 september 2015 beëindigd, aldus verweerder.

6.4.

De rechtbank acht voor beantwoording van de vraag of verweerder de

WW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd met terugwerkende kracht per 1 september 2015, en meer specifiek of een voor eiser gunstige regeling met terugwerkende kracht in zijn nadeel ongedaan kan worden gemaakt, het wettelijk kader van vóór 1 juli 2015 en van na 1 juli 2015 van belang, zoals hieronder vanaf 6.6 uiteen zal worden gezet.

6.5.

Voorop dient te worden gesteld dat het besluit tot intrekking van de WW-uitkering een voor eiser belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als het onderhavige aan verweerder is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er met terugwerkende kracht per 1 september 2015 voor eiser geen aanspraak bestond op een WW-uitkering omdat zijn FLO-uitkering hoger was. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen recht had op een WW-uitkering, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

6.6.

Tot 1 juli 2015 was in artikel 34, eerste lid, van de WW bepaald dat inkomen geheel in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. Op grond van het tweede lid van artikel 34 wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Bij het AIB, zoals hieronder opgenomen, heeft die bepaling van het inkomen bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WW destijds plaatsgevonden.

In artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB was tot 1 juli 2015 de hoofdregel opgenomen dat een pensioenuitkering tot het inkomen wordt gerekend en in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. Op grond van het tweede lid van dat artikel was een uitzondering opgenomen, inhoudende dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet tot het inkomen wordt gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden vervuld. Op grond hiervan diende volgens het AIB het ouderdomspensioen, zoals een FLO-uitkering, geheel in mindering te worden gebracht op de WW-uitkering.

Met ingang van 1 juli 2015 is artikel 34 van de WW vervallen door inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid en daarvoor is in de plaats gekomen artikel 47 van de WW. In het eerste lid van dat artikel is bepaald op welke wijze de hoogte van de WW-uitkering wordt berekend. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen in verband met arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan. De in het tweede lid bedoelde maatregel van bestuur is het AIB.

6.7.

In het Besluit van 28 januari 2015 (Stb. 2015, 43) tot wijziging van het AIB is in

artikel I, onderdeel D, voor zover van belang, bepaald dat artikel 3:5, zevende lid, van het AIB zó komt te luiden dat in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot het inkomen in verband met arbeid wordt gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden vervuld.

In artikel I, onderdeel E, is bepaald dat artikel 3:5 als volgt wordt gewijzigd en dat artikel 3:5, zevende lid, zó komt te luiden dat in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot het inkomen in verband met arbeid wordt gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.

In de nota van toelichting bij deze wetswijziging is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Onderdeel E

Onderdeel E zal echter op een later tijdstip inwerking treden omwille van de uitvoerbaarheid.

In het zevende lid is een derde uitzondering opgenomen op het vierde lid, onderdeel a. Ouderdomspensioen dat al werd ontvangen voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, wordt niet aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. De reden dat dergelijk ouderdomspensioen niet verrekend wordt met de WW-uitkering is dat er in dat geval, anders dan bij de hoofdregel wordt verondersteld, geen aanleiding is geweest voor betrokkene om zich volledig uit het arbeidsproces terug te trekken.”

6.8.

In het Besluit van 4 mei 2015 (Stb. 2015, 173) is, voor zover van belang, per 1 juli 2015 in werking getreden het Besluit van 28 januari 2015 tot wijziging van het AIB, met uitzondering van artikel I, onderdeel G, onder 1, en onderdeel H.

6.9.

In het op 30 oktober 2015 door publicatie in werking getreden Besluit van 9 oktober 2015 (Stb. 2015, 374) tot wijziging van artikel 3:5 van het AIB is in artikel 1, onderdeel A, bepaald dat het zevende lid van artikel 3:5 wordt gewijzigd en als volgt komt te luiden:

“In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot het inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden vervuld.”

In onderdeel B is bepaald dat het zevende lid van artikel 3:5 als volgt wordt gewijzigd en als volgt komt te luiden:

“In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.

In artikel II, tweede lid, van dat Besluit is bepaald dat artikel I, onderdeel A, in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 juli 2015.”

6.10.

In de nota van toelichting bij het Besluit van 9 oktober 2015 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

‘In de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel E, van het Besluit van 28 januari 2015 tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in verband met het introduceren van inkomensverrekening in de Werkloosheidswet (Stb. 2015, 43) is opgenomen dat artikel I, onderdeel E, dat een wijziging van artikel 3:5 van het AIB bevat, omwille van de uitvoerbaarheid voor het UWV - vanwege de grote hoeveelheid wetswijzigingen het UWV niet in staat is om deze wijziging per 1 juli 2015 in de praktijk uit te voeren - pas later in werking zal treden. In het inwerkingtredingsbesluit van 4 mei 2015 is dit onderdeel niettemin per abuis niet uitgezonderd van inwerkingtreding per 1 juli 2015. Om deze omissie te herstellen wordt de in artikel I, onderdeel E, opgenomen wijziging van artikel 3:5 van het AIB met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt, zodat de tekst van dat artikel met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015 komt te luiden zoals oorspronkelijk was bedoeld. In artikel 3:5, vierde lid, van het AIB wordt bepaald wat voor de Werkloosheidswet onder inkomen uit arbeid moet worden verstaan. In de daarop volgende leden zijn uitzonderingen op dat begrip opgenomen. De wijziging in artikel I, onderdeel A, van onderhavig besluit heeft als gevolg dat het zevende lid per 1 juli 2015 komt te luiden zoals opgenomen in artikel I, onderdeel D, van het Wijzigingsbesluit AIB. (..)’

6.11.

Uit wat is overwogen in 6.7 leidt de rechtbank af dat de (aanvankelijke) wijziging van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB een voor eiser gunstige regeling bevat. Uitgaande van de letterlijke tekst van de wijziging van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB, zoals dat luidde vanaf 1 juli 2015, gelezen in samenhang met artikel 47 van de WW, diende de FLO-uitkering niet in mindering te worden gebracht op de per 1 september 2015 aan eiser toegekende WW-uitkering. Uit de nota van toelichting, zoals hiervoor onder 6.10 is weergegeven, volgt echter dat vanwege de praktische uitvoerbaarheid voor het Uwv, het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de (gunstige) wijziging al in werking te laten treden. Met het Besluit van 9 oktober 2015 heeft de wetgever de (voor eiser gunstige) wijziging van artikel 3:5, zevende lid, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan gemaakt.

6.12.

De beroepsgrond van eiser dat de voor hem gewijzigde ongunstige regeling ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 5 oktober 2015 niet met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 had mogen worden toegepast, slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het onder 6.9 genoemde Besluit van 9 oktober 2015 eerst op 30 oktober 2015 in werking is getreden en door publicatie is bekendgemaakt. Dit betekent dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 5 oktober 2015 een wettelijke grondslag ontbrak om de

FLO-uitkering in mindering te brengen op de aan eiser per 1 september 2015 toegekende WW-uitkering. Dat, zoals namens verweerder zitting is betoogd, verweerder erop heeft geanticipeerd dat de gunstige regeling nog niet in werking zou gaan treden, verandert daaraan niets. Hiertoe is van belang dat uit de nota van toelichting bij de wetswijziging blijkt dat de wetgever is vergeten de voor eiser gunstige regeling uit te zonderen van inwerkingtreding en dat er voor is gekozen om de omissie te herstellen door het zevende lid van artikel 3:5 per 1 juli 2015 te laten luiden, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel D, van het Wijzigingsbesluit AIB van 28 januari 2015. De rechtbank is van oordeel dat die toelichting geen rechtvaardiging is om in de zaak van eiser voorrang te geven aan de bedoeling van de wetgever, en niet aan de tekst van de wet. Hiertoe is met name van belang dat door de gunstige regeling met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan te maken eiser in een slechtere financiële positie is komen te verkeren, in die zin dat hij per

1 september 2015 geen recht meer heeft op een WW-uitkering. Dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van 24 november 2015 inmiddels wel een wettelijke grondslag was, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat in deze zaak immers om de datum waarop aan eiser een WW-uitkering is toegekend, te weten 1 september 2015 (de datum in geding).

6.13.

Bij het voorgaande overweegt de rechtbank voorts dat op grond van artikel 167, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving aan belastende regelingen, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht wordt toegekend. In de toelichting bij dat artikel is opgenomen dat bij belastende regelingen terugwerkende kracht in beginsel een aantasting betekent van de rechtszekerheid van de burger. Hieruit volgt analoog redenerend dat een (voor eiser) gunstige regeling niet zo maar met terugwerkende kracht ongedaan kan worden gemaakt, maar dat daartoe alleen kan worden overgegaan in het geval zich bijzondere redenen voordoen. Indien zich bijzondere redenen voordoen, dient dat echter wel deugdelijk door verweerder te worden gemotiveerd. Van belang is of in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, een voldoende rechtvaardiging bestaat voor het toekennen van terugwerkende kracht aan een (voor eiser) ongunstige regeling. Daarnaast is van belang of het met terugwerkende kracht ongedaan maken van een gunstige regeling voor eiser op enig moment voorzienbaar is geweest. Het gaat er daarbij in de onderhavige zaak om of in dit specifieke geval redelijkerwijs van eiser kon worden gevergd dat hij, reeds voorafgaande aan de inwerkingtreding, met de voor hem ongunstige verandering in de regelgeving rekening heeft kunnen houden.

6.14.

Verweerder stelt zich op het standpunt – zoals ter zitting nader is toegelicht – dat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in het derde lid van artikel 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Voor dit oordeel is van belang dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheid voordoet om een uitzondering te maken op het uitgangspunt om de eerdere voor eiser gunstige regeling met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan te maken. Dit klemt temeer nu de reden om de in artikel 3:5, zevende lid, van het AIB neergelegde gunstige regeling met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 ongedaan te maken, enkel en alleen is gelegen in het feit dat – zoals in de nota van toelichting bij het Besluit van 9 oktober 2015 is uiteengezet – vanwege de grote hoeveelheid wetswijzigingen het Uwv niet in staat is om deze wijziging per 1 juli 2015 in de praktijk uit te voeren. De rechtbank acht dit geen uitzonderlijk geval als bedoeld in het derde lid van artikel 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Hierbij verdient opmerking dat de terugwerkende kracht van de gunstige regeling financieel zeer nadelig uitpakt voor eiser. Hij heeft daar bij de toekenning van de WW-uitkering geen rekening mee kunnen houden. Ook kan niet worden gezegd dat de reparatie in bedoelde wetswijziging voor eiser op enigerlei wijze voorzienbaar was. Dat in het Besluit van 28 januari 2015 is opgenomen dat Onderdeel E (zie onder 6.7) op een later tijdstip in werking zal gaan treden omwille van de uitvoerbaarheid, leidt niet tot een ander oordeel.

7. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de slotsom dat artikel 3:5, zevende lid, van het AIB, zoals dat met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 luidt, wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in eisers geval buiten toepassing dient te worden gelaten. Aangezien verweerder het bestreden besluit op deze bepaling heeft gebaseerd, kan dit besluit in rechte geen stand houden. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 5 oktober 2015, waarbij de WW-uitkering met ingang van 1 september 2015 is beëindigd, te herroepen en te bepalen, gelet op het verhandelde ter zitting, dat de WW-uitkering van eiser wordt voortgezet tot de datum van het pensioen, te weten 17 januari 2016. Daarbij dient te worden aangetekend dat de gunstige regeling van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB tot op heden nog steeds niet in werking is getreden.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.732,50 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat de WW-uitkering van eiser doorloopt tot 17 januari 2016;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 45,- aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van
    € 1.732,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, mr. H.R. Bracht en

mr. A.M. Klingenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.