Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:910

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
18/930171-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging diefstal met geweld in vereniging. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930171-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 januari 2016 en 02 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 september 2014, te Assen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in

uit een woning gelegen aan de [straat] , perceelnummer [nummer] , weg te nemen drugs en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welke poging tot diefstal werd voorafgegaan

en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of een of meer van zijn

mededader(s) de/een voordeur(ruit) van voornoemde woning heeft/hebben

ingetrapt en/of aldus met geweld die woning zijn binnengedrongen, en/of

verdachte en/of zijn verdachtes mededader(s) een (vuur)wapen in

zijn/hun hand(en) heeft/hebben gehouden en/of dat (vuur)wapen vervolgens

gericht op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) één of meer

kogel(s) heeft/hebben afgevuurd in de richting van de/het licha(a)m(en) van

voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of die voornoemd(e) perso(o)n(en) meermalen,

althans éénmaal heef/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 02 september 2014, te Assen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met

- openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen en/of

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

- zware mishandeling

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) de/een voordeur(ruit)

van voornoemde woning ingetrapt en/of is hij / zijn zij aldus met geweld die

woning binnengedrongen, en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) een (vuur)wapen in zijn/hun hand(en) gehouden en/of

dat (vuur)wapen vervolgens gericht op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

(vervolgens) één of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd in de richting van

de/het licha(a)m(en) van voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of die voornoemd(e)

perso(o)n(en) meermalen, althans éénmaal heef/hebben geslagen en/of

gestompt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het onderzoek twee scenario’s naar voren komen. Enerzijds het scenario van de gebroeders [slachtoffers] , inhoudende dat ze, in de woning waar zij verbleven, zijn geript door de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], waarbij de medeverdachte [medeverdachte] een pistool heeft getrokken en waarbij vervolgens in de worsteling tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte] het pistool is afgegaan. Binnen dit scenario heeft [slachtoffer 1] messen uit de keuken gepakt en zijn de verdachte en zijn medeverdachte de woning uit gewerkt. Eenmaal buiten de woning, heeft de verdachte [verdachte] het pistool op de broers gericht en de trekker meermalen overgehaald. Het pistool is toen niet afgegaan, doordat het magazijn er al eerder uit was gevallen. Anderzijds is er het scenario van de verdachte en zijn medeverdachte, te weten dat zij, in de woning, plotseling door de gebroeders [slachtoffers] zijn aangevallen, tegen welke aanval zij zich hebben verdedigd. Binnen dat scenario is de verdachte naar buiten gevlucht en heeft hij vervolgens de ruit van de voordeur ingetrapt om weer naar binnen te komen om de medeverdachte [medeverdachte], die was achtergebleven in de woning en die daar ernstig werd belaagd, te ontzetten.

De officier van justitie acht de verklaringen van de gebroeders [slachtoffers] het meest geloofwaardig. De officier van justitie acht de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] dat hij niet heeft geschoten, maar dat misschien een pistool achter zijn rug is afgegaan, terwijl hij zich verdedigde tegen één van de broers, zeer ongeloofwaardig. Hierbij neemt zij in aanmerking dat naast de gebroeders [slachtoffers] ook de verdachte heeft verklaard een schot te hebben gehoord. Tevens zijn er in de woning een schotinslag in de vloer en een magazijn gevonden. Bovendien heeft het NFI schiethanden geconstateerd bij de medeverdachte [medeverdachte], hetgeen erop duidt dat hij, [medeverdachte], zeer dichtbij het schot moet zijn geweest. Daarnaast acht zij het zeer onwaarschijnlijk dat de gebroeders [slachtoffers] de agressors zouden zijn, omdat het incident plaatsvond in de woning van de vriendin van één van de broers en zijn kind boven in de woning was. Voorts ontkennen de verdachte en zijn medeverdachte dat er een derde persoon bij was, terwijl de gebroeders [slachtoffers] en getuigen anders verklaren. Ook verklaren de verdachte en zijn medeverdachte niet dat er buiten de woning een wapen is gepakt, in tegenstelling tot de verklaringen van verschillende getuigen. Daarnaast ontkent [medeverdachte] dat de intentie van de ontmoeting een drugsdeal was, terwijl de verdachte meerdere malen bij de politie heeft verklaard dat dit wel de intentie van de ontmoeting was. Het voorgaande maakt dat de officier van justitie de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte ongeloofwaardig en tegenstrijdig acht.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde acht de officier van justitie de opzet op de diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen. Indien de rechtbank het opzet niet bewezen acht, dan stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het subsidiaire, een bedreiging, kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Uit het onderzoek komen twee scenario’s naar voren. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het scenario als door de gebroeders [slachtoffers] is verklaard, onjuist is. Het Openbaar Ministerie heeft vanaf het begin gekozen voor het uitgangspunt van de gebroeders [slachtoffers]. Welk scenario geloofwaardig is, is onbekend. Er is bewijs voor beide scenario’s, maar in de woning zijn geen onafhankelijke getuigen geweest. De verklaringen van de gebroeders [slachtoffers] zijn niet consistent en moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Bovendien is nergens naar voren gekomen hoe [slachtoffer 1] schiethanden kan hebben. De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor voorwaardelijk opzet op de diefstal met geweld. Niet staat vast wie een wapen bij zich heeft gehad en niet is duidelijk wie met welke intentie wat heeft gedaan. De verdachte had geen enkele opzet op welk geweld dan ook. Subsidiair stelt de verdediging dat er geen sprake is van medeplegen. Meer en uiterst subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweer en noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat niet kan worden vastgesteld wat zich op 2 september 2014 precies in de woning aan de [straat] heeft afgespeeld. Het materiaal in het dossier maakt verschillende scenario’s denkbaar voor hetgeen zich in de woning heeft voorgedaan, waaronder de scenario’s die de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat daarnaast nog andere mogelijkheden openblijven.

In dit verband overweegt de rechtbank dat zij vaststelt dat in de woning een drugsdeal zou plaatsvinden. Tevens neemt zij als vaststaand aan dat in de woning met een vuurwapen is geschoten, hetgeen onder meer volgt uit de perforaties (een in- en uitschot) in het laminaat in de woonkamer. Dit strookt ook met verklaringen dat één knal is gehoord. Bij medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zijn zogeheten schiethanden afgenomen. Een deskundige van het NFI heeft op 3 december 2014 een rapport opgemaakt met daarin de conclusies van het schotrestenonderzoek. Daarin wordt geconcludeerd dat -voor zover hier van belang- bij [slachtoffer 1] 42 zogeheten categorie B-deeltjes zijn aangetroffen, waarmee volgens de deskundige een vrijwel zekere relatie is aangetoond met een schietproces. De rechtbank is van oordeel dat deze conclusie vragen oproept over een mogelijke rol van [slachtoffer 1] bij het schietproces. Deze constatering van schotresten op de handen van [slachtoffer 1] strookt immers niet met de laatste verklaringen van de gebroeders [slachtoffers] waarin zij aangeven dat het schot is afgegaan op het moment waarop [slachtoffer 2] (en niet [slachtoffer 1]) in gevecht was met medeverdachte [medeverdachte], die volgens hen op het moment van het schot het pistool in de hand had. In elk geval kan met deze conclusie niet worden vastgesteld wat er is gebeurd in de woning. Wie heeft geschoten en met welke intentie dit is gebeurd, kan dientengevolge niet worden vastgesteld.

Voorts staat vast dat de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanvankelijk een geheel andere verklaring hebben afgelegd over hetgeen zich precies in de woning aan de [straat] heeft voorgedaan. Zo hebben beide broers aanvankelijk verklaard dat zij beiden in de woning waren, dat zij plotseling glasgerinkel hoorden, dat drie mannen de woning binnenkwamen met (een) wapen(s) en dat meteen daarop een vechtpartij/worsteling ontstond waarbij een wapen afging. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben deze verklaring later gewijzigd, in die zin dat zij (thans) verklaren dat, op het moment waarop in de woning de drugstransactie plaatsvond, zij aldaar zijn overvallen door de verdachte en zijn medeverdachte, waarbij de medeverdachte [medeverdachte] een pistool heeft getrokken terwijl de verdachte de zak met drugs vasthield. Vervolgens is het pistool afgegaan in de worsteling tussen [slachtoffer 2] en de medeverdachte [medeverdachte], waarna de broers zich met keukenmessen hebben verdedigd en hebben geprobeerd de verdachte en zijn medeverdachte het huis uit te krijgen. Eenmaal buiten de woning heeft de verdachte het pistool op de broers [slachtoffers] gericht en de trekker meerdere malen overgehaald. Het pistool is evenwel niet afgegaan, doordat het magazijn er in de woning op een eerder moment al uit was gevallen, aldus de latere verklaring van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Tegenover de lezing van het gebeuren van de broers [slachtoffers] staan de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte, die erop neerkomen dat zij in de woning plotseling door de beide broers zijn aangevallen, nadat onenigheid was ontstaan over de hoeveelheid en kwaliteit van de af te nemen drugs, waarbij één van de broers grote keukenmessen heeft gebruikt en tegen welke aanval de verdachte en zijn medeverdachte zich hebben verdedigd.

Gelet op het gegeven dat de verdachte en zijn medeverdachte enerzijds, en de broers [slachtoffers] anderzijds elk een afzonderlijk belang hebben om anders dan de waarheid te verklaren, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verklaringen van de ene partij betrouwbaarder zijn dan die van de andere partij. Het overige voorhanden zijnde bewijs geeft evenmin de doorslag. Derhalve bestaat er gerede twijfel ten aanzien van het daderschap van de verdachte (en zijn medeverdachte). Nu zulks het geval is, komt de rechtbank wegens gebrek aan overtuigend bewijs niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en zal de verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank acht, mede gelet op het voorgaande, tevens het subsidiair ten laste gelegde (bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht) niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte de gebroeders [slachtoffers] hebben bedreigd, op de wijze zoals ten laste gelegd. De rechtbank kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet uitsluiten dat de gebroeders [slachtoffers] zichzelf in enige (be)dreigende situatie hebben gebracht. Daar komt bij dat, zo wordt uitgegaan van de verklaring van de broers dat op enig moment buiten de woning, het pistool op (één van) hen was gericht en de trekker één of meerdere keren werd overgehaald, de rechtbank niet bewezen acht dat bij de broers de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Uitgaande van hun eigen verklaringen terzake, wisten de broers op dat moment immers dat het pistool geen magazijn meer bevatte. De verdachte zal daarom van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

mr. R. Depping en mr. M. van der Veen, rechters,

bijgestaan door mr. M.T. Bos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2017.

Mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.