Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:896

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie op grond van de Investeringspremieregeling Noord Nederland, Stuwendheid van de onderneming. Factuuradres is niet bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1204

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] ., te Assen, eiseres

(gemachtigde: mr. W. Dijkstra),

en

Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder

(gemachtigden: mr. S.E. van der Heijden en K. van Rosendal).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 aan eiseres verleende subsidie ingetrokken.

Bij besluit van 3 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Namens eiseres is [naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts zijn verschenen de heren [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

In de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 (hierna: IPR 2008) staat dat stuwende ondernemingen die zich gaan vestigen in bepaalde gebieden van Noord-Nederland worden gesteund. De regeling subsidieert in beperkte mate ook uitbreidingsprojecten. Er kan in dat kader een subsidie worden aangevraagd voor investeringen in bedrijfsgebouwen, duurzame bedrijfsuitrusting en immateriële activa, of voor de loonkosten van arbeidsplaatsen die rechtstreeks door het investeringsproject worden geschapen.

1.3

Op 7 november 2008 is namens eiseres een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de IPR 2008.

1.4

Bij besluit van 4 november 2009 is een subsidie verleend van maximaal

€ 121.199,00 voor de bouw van een bedrijfspand en duurzame bedrijfsuitrusting. Op 21 december 2012 is een verzoek om vaststelling van de subsidie ingediend.

1.5

Verweerder heeft in verband met het verzoek om de subsidie vast te stellen advies gevraagd aan Ernst & Young Accountants. Laatstgenoemde heeft onderzoek verricht en op 2 september 2013 een rapport uitgebracht. In het rapport is aangegeven dat in 2012 27,5 % van de omzet is gerealiseerd bij afnemers afkomstig van buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. Daarom is er geen sprake van een stuwende onderneming. In de omzetopgave van eiseres bedraagt de stuwende omzet 50,1 %, maar hierin zijn drie facturen opgenomen van de Nederlands Aardolie Maatschappij (NAM) in Assen; deze tellen niet mee bij de beoordeling of sprake is van een stuwende onderneming. Volgens Ernst & Young Accountants moet worden uitgegaan van het factuuradres van de opdrachtgever en dat is in dit geval Assen, gelegen binnen de drie noordelijke provincies. Voorts staat in het advies dat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 18a van de investeringspremieregeling, omdat de investeringen € 497.687,06 bedragen in plaats van tenminste € 500.000,00.

1.6

Bij brief van 25 februari 2014 heeft verweerder aan eiseres het voornemen bekend gemaakt de subsidie in te trekken, omdat het project niet in overeenstemming met de regeling is uitgevoerd en omdat de subsidiabele investeringen minder dan het vereiste bedrag van € 500.000,00 bedragen.

1.7

Eiseres heeft bij schrijven van 21 maart 2014 gereageerd. Eiseres heeft aangegeven dat zij werkzaamheden heeft verricht in het kader van het zogenoemde Onecall project (hierna: het project). Het gaat daarbij om engineering, alsmede het ontwerpen, testen en monitoren van zogenaamde hybride systemen voor boorplatformen op de Noordzee. Dit project heeft eiseres uitgevoerd voor Shell Rotterdam en voor het aan Shell Rotterdam gelieerde ingenieursbedrijf [bedrijf 2] te Leiden . Om praktische redenen is afgesproken dat de facturering via de NAM in Assen loopt. Het door eiseres in het kader van het project verrichte werk is uitgevoerd voor de bedrijven gevestigd in het westen van Nederland en op de Noordzee. Eiseres is om die reden van mening dat de onderneming stuwend is en dat verweerder ten onrechte uitgaat van het factuuradres. Verder bestrijdt eiseres de berekening door verweerder van de hoogte van de subsidiabele investeringen.

1.8

Bij besluit van 19 december 2014 heeft verweerder de verleningsbeschikking ingetrokken. Verweerder heeft de verleningsbeschikking ingetrokken omdat de onderneming van eiseres niet stuwend is. Hiermee voldoet eiseres niet aan de regeling. De afwijzingsgrond dat de subsidiabele investeringen minder dan het vereiste bedrag van

€ 500.000,00 bedragen, heeft verweerder laten vallen.

1.9

Eiseres heeft tegen het besluit waarbij de verleningsbeschikking is ingetrokken bezwaar gemaakt.

1.10

Op 29 mei 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

1.11

Daarna hebben partijen over en weer nadere stukken overgelegd. Eiseres heeft bij schrijven van 28 juli 2015 een reactie met bijlagen aan de bezwaarschriftencommissie doen toekomen. Verweerder heeft bij e-mailbericht van 12 oktober 2015 hierop gereageerd. Verweerder heeft in dat e-mailbericht nader onderbouwd hoe het stuwende karakter van ondernemingen dient te worden beoordeeld. Verweerder heeft opgemerkt dat eiseres in de specificatie van de omzet heeft aangegeven dat een bedrag van € 263.783,53 als stuwend dient worden aangemerkt. Het bedrag bestaat uit 13 facturen, onder meer aan [bedrijf 1] te Schiedam en de NAM in Assen. De bedragen zoals neergelegd in de facturen gericht aan [bedrijf 1] zijn aangemerkt als stuwend. De facturen gericht aan de NAM in Assen zijn niet aangemerkt als stuwend.

1.12

Op 20 januari 2016 heeft de adviescommissie advies uitgebracht.

1.13

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres conform het advies van de adviescommissie ongegrond verklaard. De adviescommissie heeft geconstateerd dat de totale omzet € 525.642,50 bedraagt. In de omzet is een bedrag van

€ 119.408,70 opgenomen dat aan de NAM in Assen is gefactureerd en daarmee is minder dan 50 % aan omzet gemaakt buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. Volgens verweerder is daarbij het factuuradres bepalend. De gedachte achter de voorwaarde dat een onderneming stuwend moet zijn is dat subsidiemiddelen beperkt aanwezig zijn en alleen die bedrijvigheid gestimuleerd moet worden die met het verstrekken van subsidie geldstromen van buiten Noord-Nederland naar Noord-Nederland toehaalt. Het is niet de bedoeling die ondernemingen te stimuleren die geldstromen min of meer binnen Noord-Nederland rondpompen en dus een klantenkring binnen Noord-Nederland hebben. Anders dan eiseres heeft aangegeven is naar de mening van verweerder geen sprake van een puur factureeradres. Dat blijkt niet uit de stukken. De NAM is niet louter een doorgeefluik van facturen, het is geen factureringsmaatschappij, aldus het besluit van verweerder.

1.14

Het tegen het besluit van 3 februari 2016 ingestelde beroep ligt ter beoordeling van de rechtbank voor.

2 Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het factuuradres leidend is. In dit verband voert eiseres eerst aan dat niet in de IPR 2008, noch in de toelichting, staat dat het factuuradres bepalend is en dat verweerder ook anderszins dit “factuuradres-criterium” niet bekend heeft gemaakt, ook niet in de verleningsbeschikking. Ook ontbreekt het zogenoemde protocol aan de hand waarvan Ernst & Young Accountants de controle heeft uitgevoerd. Verder voert eiseres in dit verband aan dat verweerder dient te kijken naar waar de activiteiten hebben plaatsgevonden, namelijk buiten de drie noordelijke provincies. Slechts uit praktische overwegingen is ervoor gekozen om de NAM in Assen als factuuradres te gebruiken. Eiseres wijst in dit verband op de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder c, van de IPR 2008 waar staat dat de activiteiten zich in overwegende mate moeten uitstrekken tot buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. Daarvan is volgens eiseres sprake. Eiseres voert verder aan dat zij, met name in de persoon van [naam] , beschikt over zodanig specifieke kennis, dat eiseres nagenoeg de enige is die in staat is op het door Shell en [bedrijf 2] gewenste niveau adviezen uit te brengen. Het project is uitgevoerd in nauwe samenwerking met en onder regie van [bedrijf 2] te Leiden . [bedrijf 2] werkt uitsluitend voor de ontwikkeling van boorplatformen en daarmee uitsluitend voor onderdelen van de multinationale onderneming Shell (waaronder de dochteronderneming NAM). Duidelijk is dat het project is uitgevoerd voor onderdelen van de multinationale onderneming Shell (of de dochteronderneming daarvan). Het is onjuist dat verweerder de NAM als opdrachtgever aanmerkt. De NAM is een dochteronderneming van Shell en maakt daarom deel uit van een onderneming buiten de drie noordelijke provincies. Strikte handhaving van het factuuradres-criterium leidt tot rechtsongelijkheid en willekeur bij multinationale ondernemingen, aldus eiseres. Eiseres voert tenslotte aan dat verweerder het doel van de IPR 2008 uit het oog verliest. Het is de bedoeling dat geldstromen naar Noord-Nederland worden gehaald en dat is wat eiseres heeft gerealiseerd. De omzet is buiten de drie noordelijke provincies gerealiseerd. Dat de facturen naar de NAM in Assen zijn gegaan doet daar naar de mening van eiseres niet aan af. Anders dan verweerder stelt heeft eiseres niet in strijd met de achterliggende gedachte van de IPR 2008 gehandeld. Eiseres heeft immers geen geld binnen Noord-Nederland rondgepompt. Integendeel, door het uitvoeren van de opdracht heeft eiseres werkzaamheden naar de regio gehaald die anders buiten de regio of buiten Nederland hadden kunnen worden uitgevoerd.

3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de beoordeling van het criterium stuwend het factuuradres het uitgangspunt is, ervan uitgaande dat dat ook het adres is waar de klant, de afnemer, of opdrachtgever is gevestigd. Wanneer sprake is van een administratieve functie, puur een factuuradres dan wel louter een doorgeefluik, dan kan reden bestaan af te wijken van het uitgangspunt dat het factuuradres leidend is. Verweerder is echter van mening dat daar geen sprake van is, omdat uit de stukken niet blijkt dat enkel sprake is van een factuuradres. De NAM speelt volgens verweerder een andere rol dan louter die van doorgeefluik. Naar de mening van verweerder heeft eiseres niet onderbouwd dat slechts uit praktische overwegingen is gekozen om de NAM in Assen als factuuradres te gebruiken. Volgens verweerder dient de NAM dan ook te worden aangemerkt als opdrachtgever. Ter onderbouwing daarvan wordt door verweerder gewezen op de zich in het dossier bevindende e-mailberichten waaruit blijkt van inhoudelijke input in het project door de heer [naam] die te bereiken is op de vestiging van de NAM in Assen. Onder een e-mailbericht van de heer [naam] , staat vermeld: “Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V”. Daarnaast wordt er in een e-mailbericht besproken dat simulaties zijn uitgevoerd op een NAM-platform, hetgeen suggereert dat de NAM een andere rol speelt dan die van louter doorgeefluik van facturen, of een in het geheel niet (inhoudelijk) betrokken contactmakelaar. Weliswaar is er ook contact geweest met een meneer [naam] van de NAM in Den Haag, maar dit feit noch de inhoud van de overgelegde stukken geeft aanleiding aan te nemen dat het factureren aan de NAM in Assen alleen een papieren c.q. administratieve exercitie was, aldus verweerder. Verweerder volgt eiseres voorts niet in het betoog dat verweerder dient te kijken naar de plaats waar de activiteiten hebben plaatsgevonden. Naar de mening van verweerder maakt het enkele feit dat de werkzaamheden fysiek buiten Noord-Nederland hebben plaatsgevonden niet dat de omzet ook buiten Noord-Nederland is gerealiseerd. Ten overstaan van de adviescommissie heeft verweerder gemotiveerd waarom niet naar de plaats van de feitelijke werkzaamheden moet worden gekeken. Verweerder concludeert dat het een onbeheersbaar administratief probleem wordt, als gekeken moet worden naar de plaats waar de activiteiten hebben plaatsgevonden. Dit standpunt wordt door verweerder herhaald in het verweerschrift waarin staat dat mede in verband met de uitvoerbaarheid is gekozen voor een strakke uitleg van het begrip stuwendheid.

4.1

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.2

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de IPR 2008 wordt onder een stuwende onderneming verstaan een onderneming die naar aard niet aan enige plaats van vestiging is

gebonden, die de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert en

waarvan meer dan 50% van de omzet buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe

wordt gerealiseerd.

4.3

In de toelichting bij deze definitiebepaling staat: “Tot de categorie stuwende ondernemingen worden ondernemingen gerekend die naar hun aard niet aan enige vestigingsplaats zijn gebonden en waarvoor dus een keuze tussen een aantal reële vestigingsplaatsen bestaat. Hiervan is geen sprake indien door het kiezen voor een andere vestigingsplaats de beoogde respectievelijk gerealiseerde klantenkring grotendeels vervalt. Ook moeten de activiteiten zich in overwegende mate uitstrekken tot buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. Dat betekent dat meer dan de helft van de omzet moet worden behaald buiten de drie noordelijke provincies. Te onderscheiden van stuwende ondernemingen zijn verzorgende ondernemingen. Deze ondernemingen behalen hun omzet in overwegende mate binnen de regio van vestiging. De keuze van de vestigingsplaats wordt bij deze ondernemingen voor een belangrijk deel bepaald door de nabijheid van de klantenkring.”

4.4

In artikel 2 van de IPR 2008 is bepaald dat de subsidieregeling als doel heeft de subsidiëring van investeringen aan stuwende ondernemingen die een vestigings- dan wel een uitbreidingsproject uitvoeren in de gebieden, die op basis van de door de Europese Commissie op 27 juni 2007 goedgekeurde "Nationale regionale steunkaart: Nederland" voor regionale steun in aanmerking komen. De aanvrager heeft daarbij de keuze om de subsidie te laten berekenen op basis van de kosten van de investeringen of op basis van de kosten van loon.

4.5

In artikel 3 van de IPR 2008 is bepaald dat investeringsprojecten ter vestiging of uitbreiding van een stuwende onderneming voor subsidie in aanmerking komen.

4.6

Op grond van artikel 17, aanhef en onder a, van de IPR 2008 kan een subsidie worden ingetrokken indien het project niet voldoet aan de voorschriften van deze regeling of de subsidieontvanger in strijd handelt met die voorschriften.

4.7

Op grond van artikel 17, aanhef en onder b, van de IPR 2008 kan een subsidie worden ingetrokken indien het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres een onderneming is die naar aard niet aan enige plaats van vestiging is gebonden. In zoverre is sprake van een onderneming die de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de IPR 2008. Voorts is niet in geschil dat de werkzaamheden in overwegende mate buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe hebben plaatsgevonden. In die zin is sprake van activiteiten die zich uitstrekken buiten de drie noordelijke provincies zoals omschreven in de toelichting bij voornoemde definitiebepaling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de onderneming van eiseres meer dan 50% van de omzet buiten de drie provincies heeft gerealiseerd en in het verlengde daarvan de vraag of de omzet ter hoogte van meergenoemd bedrag van € 119.408,70 dat aan de NAM in Assen is gefactureerd als niet stuwend dient te worden aangemerkt.

5.2

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of meer dan 50% van de omzet buiten de drie noordelijke provincies is gerealiseerd, het uitgangspunt hanteert dat het factuuradres leidend is, tenzij reden bestaat daarvan af te wijken. De rechtbank volgt eiseres in het betoog dat dit uitgangspunt niet in de IPR 2008 valt terug te vinden, noch in de toelichting daarop. Evenmin is dit uitgangspunt terug te vinden in een (beleids)protocol dat door verweerder bekend is gemaakt. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat het uitgangspunt dat het factuuradres leidend is - zo is ter zitting aangegeven- slechts een hulpmiddel is waarmee in veel gevallen op eenvoudige wijze kan worden beoordeeld of is voldaan aan het criterium zoals neergelegd in artikel 1, aanhef en onder c, van de IPR 2008. Die werkwijze neemt echter niet weg dat daarvan in sommige gevallen moet worden afgeweken. Indien, zoals ook door verweerder is aangegeven, het factuuradres louter om administratieve redenen is gehanteerd en louter als zijnde een doorgeefluik moet worden beschouwd, dan kan reden bestaan af te wijken van het uitgangspunt dat het factuuradres in beginsel leidend is.

De rechtbank wijst in vorenstaand verband ook naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4157) waaruit blijkt dat het stuwende karakter van een onderneming ook kan worden aangetoond door middel van enquêtes.

Beslissend voor de stuwendheid is daarom uiteindelijk het antwoord op de vraag of de door eiseres behaalde omzet voor meer dan 50% buiten de noordelijke provincies is behaald.

5.3

Uitgaande van vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omzet ter hoogte van een bedrag van € 119.408,70 als niet stuwend dient te worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt daartoe, gelet ook op het verhandelde ter zitting, dat is komen vast te staan dat de NAM de hoofdopdrachtgever is van het project en dat de NAM de werkzaamheden ten behoeve van het project heeft uitbesteed aan het bedrijf [bedrijf 2] te Leiden. [bedrijf 2] had de leiding over het project en heeft eiseres ingehuurd vanwege onder meer de specifieke kennis van [naam] . De NAM heeft eiseres niet ingehuurd en is daarmee niet de opdrachtgever van eiseres. Niet is in geschil dat eiseres geen werkzaamheden heeft verricht voor en bij de NAM in Assen. Eiseres heeft voor en onder leiding van [bedrijf 2] te Leiden werkzaamheden verricht. De werkzaamheden hebben voor het overgrote deel plaatsgevonden op het kantoor van [bedrijf 2] in Leiden.

5.4

Er is om voornoemde reden in het onderhavige geval geen sprake van een situatie dat het factuuradres ook het adres is waar de klant, de afnemer, of opdrachtgever is gevestigd.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat reden om af te wijken van het uitgangspunt dat het factuuradres leidend is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de zich in het dossier bevindende stukken geen aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat de NAM een andere rol heeft gespeeld dan enkel die van een om administratieve redenen gehanteerd factuuradres. De door verweerder onder rechtsoverweging 3. genoemde e-mailberichten acht de rechtbank onvoldoende om een andere rol in vorenbedoelde zin aan te nemen. Weliswaar blijkt uit die e-mailberichten dat de NAM betrokken is bij het project, maar daarmee is niet gezegd dat de NAM ten opzichte van eiseres een andere rol heeft vervuld, zoals verweerder voor ogen staat. Zoals hiervoor is overwogen heeft de NAM de werkzaamheden ten behoeve van het project uitbesteed aan [bedrijf 2] en is de NAM in de hoedanigheid van opdrachtgever van [bedrijf 2] betrokken bij het project.

5.6

Voor de vraag of reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat het factuuradres leidend is acht de rechtbank voorts van belang dat is gebleken dat [naam] in een eerder stadium aan het zelfde project voor [bedrijf 1] de Schiedam heeft gewerkt. De uit die werkzaamheden behaalde omzet, zoals neergelegd in de facturen van eiseres aan [bedrijf 1] , heeft verweerder als stuwend aangemerkt. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de uit de werkzaamheden behaalde omzet, zoals neergelegd in de facturen van eiseres aan de NAM, niet stuwend zijn. Het betreffen facturen in het kader van hetzelfde project, met dezelfde onderlinge verhoudingen waarbij de NAM (hoofd)opdrachtgever is en waar [naam] vanwege zijn specifieke kennis door [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 1] is ingehuurd om in het kader van het project werkzaamheden te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de NAM niet louter -om administratieve redenen- als factuuradres heeft gefungeerd. Het standpunt van verweerder met betrekking tot de uitvoerbaarheid van de in geding zijnde regelgeving doet aan het voorgaande niet af en maakt het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders.

5.7

Ten slotte is de rechtbank met eiseres van oordeel dat de doelstelling van de subsidieregeling is gerealiseerd. Die doelstelling is immers dat bedrijvigheid in de noordelijke provincies wordt gestimuleerd en dat geldstromen van buiten Noord-Nederland naar Noord-Nederland worden toegehaald. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat geldstromen binnen Noord-Nederland zijn rondgepompt en dat eiseres een klantenkring binnen Noord-Nederland heeft.

5.8

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een onderneming waarvan meer dan 50% van de omzet buiten de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe wordt gerealiseerd als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de IPR 2008. Van intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder a en b, van de IPR 2008 is geen sprake. Verweerder heeft ten onrechte de verleende subsidie ingetrokken.

5.9

Gezien vorenstaande overwegingen behoeft thans niet te worden toegekomen aan de vraag of de NAM als rechtspersoon statutair in Assen of elders is gevestigd en evenmin aan de vraag of deze rechtspersoon deel uitmaakt van een andere rechtspersoon met een statutaire vestiging buiten Noord-Nederland.

6.1

Het beroep van eiseres is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en het primaire besluit van 19 december 2014, waarbij de verleende subsidie is ingetrokken, te herroepen.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 495,00 en wegingsfactor 1).

6.3

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaarschrift van eiseres gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit van 19 december 2014, waarbij de verleende subsidie is ingetrokken;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,00;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, en mr. L. Mulder en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.