Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:881

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 451
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exploiteren van een veilingwebsite waar aan verkopers de mogelijkheid wordt gegeven om – onder meer – sterke drank aan te bieden en te verkopen is niet in strijd met artikel 19, eerste lid, Drank-en Horecawet. Definitie begrip bestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2908
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/451

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 maart 2017 in de zaak tussen

Vereniging SlijtersUnie , te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. M.C.J. Houben),

en

De burgemeester van Assen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J. Reinders).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [plaats] , (gemachtigde: mr. D.M. Linders).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om jegens [derde belanghebbende] (hierna: [derde belanghebbende] ) handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 19, eerste lid, van de Drank-en Horecawet (DHW) afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 februari 2016 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen.

Eiseres heeft nadere gronden ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 november 2016. Voor eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor belanghebbende zijn haar gemachtigde alsmede [naam] en [naam] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor haar oordeelsvorming uit van de volgende – door partijen niet betwiste – feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres is de brancheorganisatie voor zelfstandige slijters in Nederland en heeft als doel het behartigen van de sociale en economische belangen van haar leden, voor zover die betrekking hebben op het slijtersbedrijf en het bestrijden van hetgeen deze belangen zou kunnen schaden. [derde belanghebbende] is gevestigd te [plaats] en exploiteert een aantal veilingwebsites, waar zij aan verkopers de mogelijkheid geeft om – onder meer – sterke drank aan te bieden en te verkopen. [derde belanghebbende] beschikt niet over een slijtersvergunning.

1.2

Op 25 februari 2015 heeft eiseres verweerder verzocht om handhaving wegens overtreding door [derde belanghebbende] van artikel 19, eerste lid, van de DHW.

1.3

Bij brief van 11 maart 2015 heeft verweerder [derde belanghebbende] verzocht de geconstateerde overtreding ongedaan te maken.

1.4

Bij mail van 21 april 2015 en 15 mei 2015 heeft eiseres herhaalde verzoeken om handhaving gedaan.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat geen sprake (meer) is van een overtreding.

1.6

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

1.7

Het bezwaarschrift is behandeld door de Algemene Commissie Bezwaarschriften (de commissie) op 27 oktober 2015. Op 11 november 2015 heeft de commissie advies uitgebracht. De commissie heeft samengevat overwogen dat geen sprake is van overtreding van artikel 19 van de DHW. Hoewel [derde belanghebbende] volgens de commissie gelegenheid biedt tot het doen van bestellingen van sterke drank, vindt geen levering daarvan plaats.

1.8

Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform het advies van de commissie beslist.

1.9

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

1.10

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen. Verweerder stelt zich hierin – samengevat – op het standpunt dat, anders dan de commissie heeft overwogen, [derde belanghebbende] gelet op de taalkundige uitleg van het begrip ‘bestelling’ met haar veilingsites geen gelegenheid biedt tot het doen van bestellingen voor sterke drank. Volgens verweerder wordt slechts gelegenheid geboden tot het doen van biedingen, hetgeen iets anders is dan het doen van een bestelling.

1.11

Eiseres heeft nadere gronden ingediend.

2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres als belanghebbende is aan te merken.

2.1

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ten aanzien van rechtspersonen worden ingevolge het derde lid van dit artikel als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2

Volgens artikel 3, eerste lid, van de statuten van eiseres is het doel van eiseres het behartigen van de sociale en economische belangen van haar leden, voor zover betrekking hebbende op het slijtersbedrijf en het bestrijden van al hetgeen deze belangen zou kunnen schaden. Het doel van eiseres is derhalve op te komen voor de belangen van haar leden, zijnde natuurlijke en rechtspersonen die het slijtersbedrijf uitoefenen. Eiseres wordt ook in dit geding geacht voor deze belangen op te komen. Eiseres komt op voor het belang van een correcte naleving van hetgeen is bepaald in de DHW. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om het tegengaan door eiseres van oneerlijke concurrentie doordat zonder een slijtersvergunning sterke drank door [derde belanghebbende] wordt aangeboden en verhandeld. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3454) overweegt de rechtbank dat dit een belang is dat eiseres zich kan aantrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit belang in de onderhavige zaak ook in het geding.

Immers, het gelegenheid bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank en het leveren daarvan is slechts toegestaan vanuit het slijtersbedrijf of partijen-cateringbedrijf, waarvoor men dient te beschikken over een slijtersvergunning en moet voldoen aan de voor de uitoefening van een slijtersbedrijf gestelde eisen. Nu [derde belanghebbende] daar onweersproken niet aan voldoet is sprake van een niet correcte naleving van de DHW, alsmede oneerlijke concurrentie. Derhalve worden de leden van eiseres rechtstreeks in hun belangen geraakt door de weigering van verweerder om handhavend op te treden jegens [derde belanghebbende] .

Weliswaar ziet de veilingsite van [derde belanghebbende] met name op zogeheten collectorsitems, maar naar het oordeel van de rechtbank zijn exclusieve sterke drank en/of collectorsitems evenzeer producten die in slijterijbedrijven te koop worden aangeboden en waarvan de verkoop door de DHW wordt gereguleerd.

Gelet op het voorgaande is eiseres als belanghebbende aan te merken bij haar verzoek om handhaving.

3. Inhoudelijk wordt vervolgens het volgende overwogen.

3.1

Eiseres stelt dat belanghebbende gelegenheid biedt tot het doen van bestellingen van sterke drank en reeds daarmee handelt in strijd met artikel 19 van de DHW. Anders dan verweerder in het gewijzigde besluit stelt, wordt, slechts indien de wet of de toelichting geen uitsluitsel biedt, toegekomen aan een taalkundige uitleg van een in de wet gebezigd begrip. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake nu uit het wettelijk systeem volgt dat sterke drank uitsluitend in de uitoefening van het slijtersbedrijf op bestelling verstrekt mag worden. Indien een bestelling per definitie tot verstrekking leidt valt niet in te zien waarom de wetgever niet heeft volstaan met het opnemen van een verbod tot afleveren of doen afleveren. Verweerder miskent voorts dat het gelegenheid bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank tevens omvat het faciliteren van een bestelling.

Volgens eiseres blijkt uit de wetsgeschiedenis en de redactie van meerdere artikelen uit de DHW dat artikel 19 van de DHW geen cumulatieve vereisten bevat. De vraag of ook sprake is van levering van sterke drank is daarom niet relevant. Een alternatieve uitleg zou dit artikel zinledig maken omdat een ieder zonder vergunning een van de activiteiten zou kunnen voeren, mits niet in combinatie. Dit zou haaks staan op de bedoeling van de wetgever.

3.2

Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat volgens verweerder geen sprake is van overtreding van artikel 19, eerste lid, van de DHW. [derde belanghebbende] biedt geen gelegenheid tot het doen van bestellingen van sterke drank, nu een bestelling per definitie leidt tot aflevering. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever een koppeling heeft willen aanbrengen tussen het doen van een bestelling en het verstrekt of geleverd krijgen van sterke drank. [derde belanghebbende] biedt slechts gelegenheid tot het doen van biedingen op haar veilingwebsite. De koop komt tot stand tussen de aanbieder van sterke drank (aangeduid als een kavel) en degene die het hoogste bod heeft gedaan. [derde belanghebbende] levert niet zelf sterke drank op bestelling af, aldus verweerder.

3.3

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de DHW, is het verboden, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of van het partijen-cateringbedrijf gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren.

Onder partijen-catering wordt verstaan het, gepaard gaande met dienstverlening, bedrijfsmatig verstrekken van gerechten en dranken voor gebruik bij besloten partijen op een door een opdrachtgever te bepalen plaats, die slechts incidenteel beschikbaar is voor dergelijke partijen.

3.4

De rechtbank stelt voorop dat uit het in artikel 19 van de DHW neergelegde verbod moet worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de burger sterke drank betrekt vanuit een verkooppunt dat niet over een slijtersvergunning beschikt.

In de onderhavige zaak is aan de orde de vraag of [derde belanghebbende] met haar veilingwebsite handelt in strijd met artikel 19 van de DWH. Niet aan de orde is de vraag of degene die een bieding heeft geplaatst in strijd handelt met dit artikel.

Gelet op de beroepsgronden gaat het in de onderhavige zaak om twee in het kader van artikel 19 van de DHW te onderscheiden rechtsvragen.

De eerste rechtsvraag betreft de vraag of [derde belanghebbende] gelegenheid biedt tot het doen van bestellingen voor sterke drank.

De tweede rechtsvraag betreft de vraag of de in artikel 19 van de DHW neergelegde vereisten, te weten het gelegenheid geven tot het doen van een bestelling van sterke drank en het afleveren of het doen afleveren daarvan op bestelling, los van elkaar of slechts in onderlinge samenhang gelden.

3.4.1

Ten aanzien van de eerste rechtsvraag overweegt de rechtbank als volgt.

Niet betwist is dat in de DHW geen definitie is opgenomen van het begrip ‘bestelling’. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat dient te worden aangesloten bij hetgeen daaronder in het dagelijkse spraakgebruik wordt verstaan. Volgens Van Dale Groot Woordenboek wordt onder ‘bestelling’ verstaan ‘opdracht tot levering en bezorging’.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen [derde belanghebbende] met haar veilingwebsite bewerkstelligt, gelet op de gegeven definitie, niet worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot het doen van een bestelling. Daarvoor is van belang dat het niet [derde belanghebbende] zelf is die sterke drank aanbiedt op haar site, maar individuele particuliere aanbieders die daarvoor gebruik maken van de site van [derde belanghebbende] . [derde belanghebbende] biedt slechts een platform of technische faciliteit waar aanbieders sterke drank in de vorm van zogenoemde kavels, ter veiling kunnen aanbieden. De aanbieder bepaalt wat hij aanbiedt en in welke vorm, tegen welke prijs, in welk land en onder welke voorwaarden. [derde belanghebbende] heeft hier geen invloed op. Belangstellenden kunnen vervolgens biedingen plaatsen om de kavel te kunnen kopen. Slechts degene die het hoogste bod heeft geplaatst kan een aangeboden kavel kopen, waarbij overigens soms nog aan nadere voorwaarden moet worden voldaan, zoals bijvoorbeeld het betalen van een minimumprijs.

De koopovereenkomst wordt vervolgens gesloten tussen de aanbieder van een kavel en degene die een bod daarop heeft gedaan. [derde belanghebbende] is daarbij geen partij. [derde belanghebbende] heeft de goederen voorts niet onder zich en speelt geen enkele rol bij de levering van een kavel bestaande uit sterke drank. De aanbieder levert een kavel na betaling aan de koper.

Nu het doen van een bieding op een aangeboden kavel niet rechtstreeks leidt tot koop en levering of bezorging daarvan is, gelet op de gegeven definitie van het begrip ‘bestelling’, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het gelegenheid geven tot het doen van een bestelling als bedoeld in artikel 19 van de DHW. Hetgeen eiseres hieromtrent overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.4.2

Niet in geschil is dat [derde belanghebbende] geen sterke drank op bestelling aflevert of doet afleveren. Nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen [derde belanghebbende] ook geen gelegenheid geeft tot het doen van bestellingen van sterke drank, komt de rechtbank aan de vraag of de in artikel 19 van de DHW neergelegde voorwaarden afzonderlijk of enkel in onderlinge samenhang gelden, niet toe.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Aan de beoordeling van de vraag of het in artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht neergelegde relativiteitsvereiste aan gegrondverklaring van het beroep in de weg staat komt de rechtbank niet toe.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, mr. L. Mulder en mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.