Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:857

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
18/830315-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen, heeft een man vrijgesproken van meerdere mishandelingen en een poging tot doodslag, gepleegd in augustus 2016, nu zij van oordeel was dat sprake was van een ernstige stoornis bij verdachte die volledige onbewustheid tot gevolg had. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak hem ten tijde van het ten laste gelegde dan ook ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen, zodat het opzet op die gedragingen hem heeft ontbroken.

Zij heeft ten aanzien van een mishandeling en een bedreiging met een mes, gepleegd in juli 2016, verdachte veroordeeld nu zij van oordeel is dat, gezien de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, bij hem, met betrekking tot deze feiten, geen sprake was van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn gedragingen, zodat zij ‒ anders dan bij de voornoemde feiten het opzettelijk handelen wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is op basis van de rapportages tot de conclusie gekomen dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Zij heeft opgelegd de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 3, p. 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830315-16

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/162530-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te PPC Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/830315-16:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, zijn levensgezel, althans een persoon, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met

gebalde vuist(en) en/of de vlakke hand tegen de schouders en/of op de armen

en/of elders tegen het lichaam te slaan en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of een kniestoot te geven in de zij van die [slachtoffer] ;

2. primair

hij op of omstreeks 25 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel

althans een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met kracht de

keel van die [slachtoffer] heeft dicht geknepen en/of die [slachtoffer] in het gezicht

(tegen een oog) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, zijn levensgezel, althans een persoon, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of door die [slachtoffer] in het gezicht (tegen een oog) te slaan;

3. primair

hij op of omstreeks 26 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

met kracht met beide handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of

dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gezakt

en/of buiten adem was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel

althans een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met kracht

met beide handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of

dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gezakt

en/of buiten adem was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 26 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met kracht met beide handen de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen.

in de zaak met parketnummer 18/162530-16:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 21 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, zijn echtgenoot en/of levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of bij de keel vast te pakken en/of tegen de grond en/of de muur te duwen en/of te drukken;

2.

hij op of omstreeks 21 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente Stadskanaal, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes, in elk geval een scherp voorwerp; in de hand genomen en die [slachtoffer] daarmee benaderd en/of op die [slachtoffer] gericht en/of met de snijkant en/of scherpe zijde voor (het lichaam en/of de buik van) die [slachtoffer] gehouden.

In de zaak met parketnummer 18/830315-16

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling voldoende ondersteund wordt door de foto’s waarop het letsel van aangeefster te zien is. De blauwe plekken zijn zichtbaar op plaatsen van haar lichaam waarvan aangeefster heeft verklaard daar te zijn geslagen. De officier van justitie acht de onder 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling niet bewezen nu hij geen beschikking heeft over een forensische rapportage, zodat hij niet kan vaststellen hoe ernstig de mishandeling is geweest. Voor de subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling kan wel een bewezenverklaring volgen. De officier van justitie is van mening dat de onder 3 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden nu uit de bewijsmiddelen volgt dat hier sprake was van het enige tijd dichtknijpen van de keel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van voornoemde feiten opzet heeft gehad. Hij heeft aangegeven dat verdachte enig inzicht in zijn handelen heeft gehad, omdat verdachte telkens zelf is opgehouden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten aangegeven dat hij wil aannemen op grond van de aangifte, de melding van de buren, het proces-verbaal van bevindingen en de foto’s van aangeefster in het dossier dat de mishandelingen hebben plaatsgevonden, maar hij meent dat de vereiste opzet bij verdachte ontbreekt. Na zijn aanhouding was verdachte niet in staat een verklaring af te leggen. Hij was onaanspreekbaar en onbereikbaar. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij zich van de ten laste gelegde feiten niets kan herinneren. De raadsman heeft bepleit dat verdachte van deze feiten wordt vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat blijkens de rapportages van de deskundigen verdachte aan een ziekelijke stoornis lijdt. Er is sprake van schizofrenie en hij heeft waanbeelden. Volgens de deskundigen was verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld moet worden dat opzet een eigen juridische betekenis met normatieve en objectiverende aspecten heeft en waarin een element van aansprakelijkheidsstelling schuilt. In gevallen waarin het delict een activiteit van de dader vergt, met een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies, ligt het aannemen van een minimaal besef al snel voor de hand. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat bij de beoordeling of er sprake is van een zodanige ernstige psychische stoornis bij verdachte dat hij niet opzettelijk heeft gehandeld, de stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn handelingen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (ECLI:NL:HR:2010:BK9223).

Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte geen enkele herinnering heeft aan de mishandelingen van aangeefster zoals deze onder 1, 2 en 3 zijn ten laste gelegd. Uit de aangifte komt naar voren dat verdachte aangeefster telkens uit het niets begon te slaan of haar bij de keel vastpakte en deze vervolgens dichtkneep. De verbalisanten gaven aan dat verdachte een afwezige indruk maakte toen zij op 26 augustus 2016 de woning binnenkwamen: 'alsof hij in zijn eigen wereld zat'. Voorts was het niet mogelijk om verdachte te horen, omdat hij onaanspreekbaar bleef. Ook in de rapportages van de deskundigen wordt deze toestand van verdachte beschreven. De psychiater, F.P.J. van Soeren, meent dat sprake is van een recidiverende kortdurende psychotische stoornis bij een licht zwakzinnige man door een periode van stress. Hij geeft aan dat tijdens het trajectconsult in het PPC is geconstateerd dat verdachte slechts zeer beperkt macht had over zijn motoriek, zijn spraak en zijn contactuele vaardigheden. Volgens de verklaring van het slachtoffer was deze gesteldheid ook aanwezig in de periode van het ten laste gelegde, aldus de psychiater. Vanuit die toestand kwam hij impulsief tot zeer agressief gedrag. Er was geen contact met verdachte mogelijk. In die situatie had hij geen enkele macht om zijn gedrag te sturen. Het waren agressieve impulsdoorbraken vanuit een katatone toestand.

De psycholoog, H.R.J. ter Borg, heeft aangegeven dat verdachte tijdens zijn onderzoek met een starende blik voor zich uit staarde en nauwelijks reageerde op vragen. Verdachte maakte vanwege zijn voortdurend zwijgen een licht mutistische en ‒ gelet op zijn grimassen en agitatie ‒ ook katatone indruk. Hij meent op grond van de beschikbare informatie dat verdachte op het moment van het ten laste gelegde floride psychotisch was en er sprake was van ernstige waarnemingsstoornissen. De psychose met de daarbij behorende akoestische hallucinaties en oordeelsstoornissen hadden een allesomvattende doorwerking in zijn gedrag. Daarnaast vormden zijn cognitieve vermogens geen compenserende factor.

De rechtbank is van oordeel, gezien de wijze waarop de mishandelingen in de periode van 24 tot en met 26 augustus 2016 blijkens de aangifte zijn begaan, de in het proces-verbaal van bevindingen omschreven “onbereikbaarheid” van verdachte, alsmede de amnesie en de hiervoor uiteengezette bevindingen van de deskundigen, dat sprake was van een ernstige stoornis bij verdachte die volledige onbewustheid tot gevolg had. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak hem ten tijde van het ten laste gelegde dan ook ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen, zodat het opzet op die gedragingen hem heeft ontbroken. De rechtbank acht derhalve de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

in de zaak met parketnummer 18/162530-16

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat aangeefster aangifte heeft gedaan van mishandeling en ook zichtbaar blauwe plekken en verwondingen op haar lichaam heeft die passen bij haar beschrijving van de mishandeling. Daarnaast heeft ze aangifte gedaan van bedreiging met een mes. Verdachte heeft aangegeven dat hij denkt dat hij haar heeft mishandeld. Ook heeft hij bij de politie verklaard dat hij met een mes in zijn hand op aangeefster is afgelopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ‒ ook in onderdelen ‒ slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 juli 2016, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier met nummer 2016209168 d.d. 1 augustus 2016, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: [slachtoffer] heeft verklaard dat jij vanochtend een mes uit de keukenlade pakte. Klopt dat?

A: Ja. Ik ben inderdaad met het mes op [slachtoffer] afgelopen op een gegeven moment.

V: Ik heb foto's gezien van striemen in de nek en plekken op de armen van [slachtoffer] .

A: Dat was aan het begin van de week. Toen is de politie er ook geweest. We hadden toen woorden en ik heb haar bij de keel gepakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 juli 2016, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van bedreiging met een mes tegen [verdachte] , mijn vriend. Op 21 juli 2016 heeft hij mij bedreigd met een mes. Toen [verdachte] in de keuken was, hoorde ik dat hij de besteklade opende. Ik zag dat [verdachte] een mes uit de keukenlade had gepakt en deze in zijn hand tegen zijn buik aan drukte. Na die pogingen bij zichzelf, zag ik dat hij met het mes op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij het mes vasthield in zijn hand met de snijkant in mijn richting. Ik zag dat hij het mes voor mijn buik hield en ik trok mijzelf terug. Ik ben achterover op de bank gaan liggen, omdat ik zo bang voor hem was. Hij doet mij regelmatig pijn. Hij heeft me vaak geslagen of hard tegen de muur aan geduwd en grijpt me vaak bij de keel. Dat heeft hij vorige week ook nog gedaan. Hij heeft me met zijn vuisten in mijn buik geslagen en bij mijn keel gegrepen en op de grond gedrukt. U kunt wel zien dat ik striemen rondom mijn nek en keel heb. Ook is mijn elleboog stuk, omdat hij me hard tegen de muur heeft geduwd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van Politie Noord-Nederland d.d. 21 juli 2016, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij spraken als eerste met een vrouw, die ons opgaf te zijn genaamd: [slachtoffer] , [voornamen] . Zij verklaarde in het kort: " Mijn vriend, [verdachte] , heeft mij zojuist bedreigd met een mes. Hij kwam voor mij staan met het mes en zei dat hij me neer wilde steken. Hij zei dat hij ook zichzelf wilde steken met dat mes." Genoemde [verdachte] , ook aanwezig in de woning, werd door ons ter plaatse aangehouden. Wij, verbalisanten, zagen verse verwondingen in de nekstreek van [slachtoffer] . Dit waren rode striemen. Op onze vraag hoe die verwondingen daar kwamen, verklaarde zij dat deze van verleden week waren.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, bij hem met betrekking tot deze feiten geen sprake was van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn gedragingen, zodat zij ‒ anders dan bij de ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18/350315-16 ‒ het opzettelijk handelen wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 21 juli 2016 te [pleegplaats] zijn levensgezel
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en te stompen en bij de keel vast te pakken en tegen de grond en de muur te duwen en te drukken;

2.

hij op 21 juli 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes in de hand genomen en die [slachtoffer] daarmee benaderd en op die [slachtoffer] gericht en met de snijkant voor de buik van die [slachtoffer] gehouden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 16 februari 2017, opgemaakt door F.P.J. van Soeren, psychiater, en op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 15 februari 2017, opgemaakt door H.R.J. ter Borg, psycholoog. Deze rapportages zijn opgemaakt naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten van augustus 2016 in de zaak met parketnummer 18/350315-16. De rechtbank vindt in deze rapportages evenwel voldoende aanknopingspunten om deze -zij het niet geheel- van toepassing te laten zijn op de psychische toestand van verdachte in de daaraan voorafgaande periode in juli 2016, waarin de feiten, ten laste gelegd in de gevoegde zaak met parketnummer 18/162530-16, zich afspeelden.

Blijkens het onderzoek van de psychiater lijdt verdachte aan een recidiverende psychotische stoornis. Verdachte is in de periode voor en na het ten laste gelegde wisselend psychotisch geweest. Ook lijdt hij aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van lichte zwakzinnigheid. Verdachte kon zijn gedragskeuzes niet in vrijheid bepalen. Dit leidt tot het advies om verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Blijkens het onderzoek van de psycholoog kan gesproken worden (met het voorbehoud dat betrokkene slechts in beperkte mate tot medewerking in staat was) van een ziekelijke stoornis, te weten schizofrenie, en een gebrekkige ontwikkeling, te weten een licht verstandelijke beperking. De ziekelijke stoornis en in mindere mate zijn gebrekkige ontwikkeling beïnvloeden alle domeinen van zijn functioneren. De psycholoog is ondanks voornoemd voorbehoud van mening dat de schizofrenie verdachtes keuzevrijheid zeer beperkte. Ook de psycholoog adviseert verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte blijkens de rapportages van de deskundigen lijdt aan een psychische stoornis, zodat hem zijn handelen niet strafrechtelijk kan worden toegerekend. Verdachte moet worden behandeld in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inziet dat hij behandeling en begeleiding nodig heeft en heeft zich wat betreft het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft onder invloed van een stoornis zijn levensgezel mishandeld en bedreigd met een mes. Hem worden deze feiten echter niet toegerekend omdat hij handelde onder invloed van een psychische stoornis. Er kan hem om die reden geen straf worden opgelegd; wel kan de rechtbank bepalen dat er een maatregel zal worden toegepast.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op het psychiatrisch onderzoeksrapport van F.P.J. van Soeren en het psychologisch onderzoeksrapport van H.R.J. ter Borg.

Uit de bovengenoemde Pro Justitia-rapportages volgt dat sprake is van een hoog recidivegevaar en dat behandeling noodzakelijk is.

De psychiater heeft aangegeven dat verdachte baat kan hebben bij een behandeling in een klinisch psychiatrische setting voor licht verstandelijk gehandicapten, zoals Trajectum, waar nadere diagnostiek verricht kan worden naar de precieze diagnose, intelligentie, draagkracht en beperkingen. Een delictscenario kan worden opgesteld, verdachte kan worden ingesteld op medicatie en er kan worden gewerkt aan psycho-educatie over de stoornis. Vooralsnog lijkt een klinische periode niet langer dan een jaar te hoeven duren.

De psycholoog heeft aangegeven dat de belangrijkste risicofactor verdachtes psychotische kwetsbaarheid is. Op dit moment lijkt mede daardoor, maar ook door zijn verstandelijk beperkte mogelijkheden, elke vorm van ziekte-inzicht bij hem te ontbreken. Het behandelingsbeleid kan in eerste instantie gericht zijn op verzorging, ondersteund door anti-psychotische medicijnen. De psycholoog adviseert verdachte op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te nemen in een psychiatrische kliniek.

Ook de reclassering heeft in navolging van bovengenoemde adviezen geadviseerd verdachte voor de maximale duur van een jaar in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank is op basis van de rapportages tot de conclusie gekomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eist. De rechtbank zal daarom gelasten dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/830315-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij is voldoende onderbouwd, zodat deze kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Indien het ten laste gelegde leidt tot een bewezenverklaring refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37, 39, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/830315-16 onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/162530-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de termijn van één jaar.

in de zaak met parketnummer 18/830315-16:

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Smeets, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2017.