Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:830

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
18/850074-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:832 en 833

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850074-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2014, te Groningen en/of Hoogkerk, althans in de

gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden,

immers is hij verdachte en/of zijn mededader(s) met een of meer auto's naar de

woning van die [slachtoffer] gereden/gegaan en/of heeft/hebben hij verdachte en/of

zijn mededader(s) die [slachtoffer] geslagen, bij de hals gepakt en/of vastgegrepen

en/of meegetrokken naar en/of in een auto en/of (vervolgens) die [slachtoffer] naar

meerdere locaties vervoerd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 19 juli 2014, te

Groningen en/of Hoogkerk, althans in de gemeente Groningen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers is die [medeverdachte] en/of een of meer anderen met een of meer auto's naar de

woning van die [slachtoffer] gereden/gegaan en/of heeft/hebben die [medeverdachte] en/of een of

meer anderen die [slachtoffer] geslagen, bij de hals gepakt en/of vastgegrepen en/of

meegetrokken naar en/of in een auto en/of (vervolgens) die [slachtoffer] naar meerdere

locaties vervoerd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 juli

2014, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is

geweest door met die [medeverdachte] en/of een of meer anderen naar de woning

van die [slachtoffer] te gaan en/of aldus hen getalsmatig heeft versterkt en/of die

[slachtoffer] heeft bewaakt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het verhaal van aangever op de belangrijkste punten wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Deze verklaringen zijn afgelegd door objectieve getuigen en volstrekt helder en ondubbelzinnig. Daarnaast wordt de aangifte, ook ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van [getuige 3] . Dat aangever bij de rechter-commissaris niet zonder haperingen en met tegenzin zijn verhaal heeft gedaan, komt voort uit angst voor de verdachten. Dit blijkt ook uit de relatering van verbalisanten dat aangever tijdens de aangifte en het verhoor een zeer angstige indruk maakte en regelmatig moest huilen.

Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn medeverdachten continue bij de gebeurtenissen aanwezig zijn geweest. Alleen al door hun aanwezigheid hebben zij ervoor gezorgd dat aangever niet durfde te vluchten of tegen medeverdachte [medeverdachte] in durfde te gaan. Dit impliceert een zodanige betrokkenheid van alle verdachten dat dit een bewuste en nauwe samenwerking oplevert en het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrouwbaarheid van aangever ernstig in twijfel moet worden getrokken nu hij aanwijsbaar tegenstrijdig verklaard over belangrijke details, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een wapen. Deze verklaring kan dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. Verder heeft de raadsman opgemerkt dat de vraag moet worden beantwoord of aangever op 19 april 2014 vrijwillig in de auto plaats heeft genomen en mee is gegaan, en zo niet, of verdachte hierbij een rol heeft gespeeld. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geven beiden aan dat zij de indruk hadden dat aangever onvrijwillig is meegegaan, maar onduidelijk is waar zij dit objectief uit hebben afgeleid. Wellicht hebben ze deze indruk gekregen, omdat de aangever even daarvoor een paar klappen van medeverdachte [medeverdachte] had gekregen. De getuigen zeggen echter niets over het aandeel van de andere verdachten hierin en of zij zich er zelfs maar mee bemoeiden. Verder past het feit dat de stoel naar voren moest worden geschoven zodat aangever in de auto kon stappen, ook niet bij het vermeende onvrijwillige karakter van het instappen. Deze verklaringen en omstandigheden sluiten in dat opzicht goed aan bij de verklaring van verdachte dat hij niets van verzet van aangever of geweld door de medeverdachten heeft gemerkt. Overigens is ook de verklaring van verdachte dat hij op 19 juli 2014 enkel in de auto bij medeverdachte [medeverdachte] en aangever heeft gezeten, dat hij geen enkele rol heeft gehad bij de vermeende strafbare gebeurtenissen en dat hij van dergelijke gebeurtenissen ook niets heeft gemerkt, niet in tegenspraak met deze objectieve getuigenverklaringen. Getuige [getuige 1] heeft immers alleen gezien dat aangever en medeverdachte [medeverdachte] in de [auto] stapten,1 terwijl getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij niet weet of er nog meer mensen in deze [auto] zaten.2 Verdachte kan niet worden verweten dat hij zich niet aan een situatie heeft onttrokken waarvan hij niet wist dat die bestond. Concluderend moet dan ook gesteld worden dat nergens uit blijkt dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de vermeende strafbare handelingen en dat hij zich zelfs niet bewust is geweest dat er strafbare handelingen zouden zijn gepleegd, zodat het ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid aangever

De rechtbank verwerpt het verweer betreffende de betrouwbaarheid van de aangifte en de overige verklaringen van aangever. Naar het oordeel van de rechtbank is aangever op de belangrijkste punten consequent in zijn aangifte en hetgeen hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Bovendien worden de verklaringen van aangever in belangrijke mate ondersteund door de onafhankelijke en objectieve getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 februari 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik word wel [verdachte] genoemd. Ik was op 19 juli 2014 met [medeverdachte] , die ik [medeverdachte] noem, op pad. Ik zat bij [medeverdachte] in de auto steeds voorin op de passagiersstoel. Ik ben met [medeverdachte] ook op een industrieterrein in Hoogkerk geweest. [getuige 3] was daar ook bij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 augustus 2014, opgenomen op pagina 277 e.v. van dossier nr. 2014080310 PL01 d.d. 27 november 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Op 19 juli 2014 kwamen twee auto’s de [straatnaam] waar ik woonachtig ben, inrijden. Een donkere en een witte kleine hatchback. Er stapten vijf personen uit de auto's. Ik herkende een als [naam] , een als [naam] , een als [getuige 3] en een als [naam] . [naam] wordt ook [naam] genoemd.

Voordat ik iets kon zeggen begon [naam] te meppen. Ik kreeg vuistslagen in mijn gezicht en daarna pakte hij mij bij de hals. Na de klappen werd ik door [naam] meegesleurd in de donkere auto. [naam] zat op de passagiersstoel. Ik werd op de achterbank gesmeten en [naam] nam plaats achter het stuur. De andere drie mannen gingen in de witte auto. We zijn toen gaan rijden. We zijn naar een loods in de buurt van de grote nieuwe flat, de [naam flat] , gereden. Iedereen stapte uit, behalve [naam] en ik. Daarna stapte iedereen weer in dezelfde auto's en gingen we naar een andere loods. Ook daar stapte iedereen uit met uitzondering van [naam] en ik. Tijdens het rijden mocht ik niet praten en niets vragen. Nadat we in Hoogkerk gestopt waren, stapte [naam] uit en pakt me bij de kleding en sleurde me uit de auto. Ondertussen kreeg [getuige 3] woorden met de twee blanke personen. Daarbij werd ook geduwd en getrokken. Ik ben toen weg gaan lopen. [getuige 3] schreeuwde nog tegen [naam] en mij dat wij het moesten regelen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 19 juli 2014, opgenomen op pagina 512 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de getuigenverklaring van [getuige 1] :

Vandaag stond ik met mijn vriend op het balkon van mijn woning aan de [straatnaam] , toen ik zag dat er op straat schuin voor onze deur een ruzie gaande was. Een man had ruzie met een groep van 4 of 5 personen. Het slachtoffer werd omringd door de groep. Eén man viel het slachtoffer aan en gaf hem meerdere vuistslagen, waarna het slachtoffer naar de grond werd gewerkt waar hij van de dader ook nog enkele klappen kreeg. Het slachtoffer probeerde weg te komen. Hij probeerde zich om te draaien en weg te gaan. Dit werd hem belemmerd doordat de dader hem beetpakte. Ik hoorde de dader zeggen: "Meekomen, meekomen, de auto in". De dader sleurde de man mee richting de auto en opende het voorste portier. De dader pakte het slachtoffer bij zijn arm en trok hem de auto in. Ik zag dat de dader de auto vervolgens bestuurde. De rest van de groep stapte in een tweede auto die achter de auto van de dader stond. Dit was een witte auto.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 augustus 2014, opgenomen op pagina 514 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de getuigenverklaring van

[getuige 2] :

Op 19 juli 2014 zag ik vanaf het balkon van mijn vriendin in de [straatnaam] in Groningen beneden op straat 5 of 6 personen. Een dunne negroïde man werd door een brede negroïde man, de agressor, vastgehouden en een aantal keren geslagen. De agressor had de dunnere man met zijn linkerhand vast, hief zijn rechtervuist gebald boven zijn hoofd en maakte vervolgens een aantal malen een slaande beweging naar het hoofd van de dunnere man. Deze werd hierbij naar de grond gewerkt. Daarna werd de dunnere man de auto ingewerkt. De man werd aan de linkerkant achterin de auto gezet. Het was een driedeursmodel, want de agressor moest de stoel naar voren doen om de man achterin te zetten. De agressor stapte in op de bestuurderszijde. Er was ook nog een witte auto bij betrokken, deze reed achter de [auto] aan.

Het was duidelijk dat de mannen bij elkaar hoorden. De mannen die erbij stonden zijn niet tussenbeide gekomen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 september 2014, opgenomen op pagina 33 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] :

Ik werd op 19 juli 2014 in [plalatsnaam] opgehaald nadat ik een dag eerder had afgesproken dat ik het huis van [slachtoffer] in Groningen zou aanwijzen. Er kwamen twee auto's aan, een blauwe en een witte. In de witte zaten twee blanke mannen, in de blauwe twee getinte mannen. Ik ben in de blauwe auto gestapt. Ik heb de weg naar de woning van [slachtoffer] gewezen. We zijn allemaal uitgestapt. Er ontstond een woordenwisseling tussen [slachtoffer] en een van de getinte mannen. Daarna begonnen ze te vechten. Ik moest in de witte auto gaan zitten, bij de blanke mannen en [slachtoffer] werd in de blauwe auto geduwd. Op een terrein bij Hoogkerk moest ik uitstappen. De blanke mannen stapten ook uit. Ik zag dat [slachtoffer] en de getinte mannen uit de andere auto stapten. Ik heb niet gezien wat er met [slachtoffer] gebeurde omdat ik zelf veel klappen kreeg. Er werd gezegd dat we een maand de tijd hadden om onze schulden te betalen.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank als vaststaand af dat verdachte op 19 juli 2014 met drie anderen in twee auto’s naar [getuige 3] in [plalatsnaam] is gereden. Ze zijn vervolgens gezamenlijk naar de [straatnaam] in Groningen gereden, waar ze allemaal uit de auto’s zijn gestapt toen ze aangever zagen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft aangever aangesproken waarna ruzie ontstond. Medeverdachte [medeverdachte] heeft aangever vervolgens met de vuist geslagen. Verdachte en de anderen stonden hieromheen en hebben niets gedaan om medeverdachte [medeverdachte] tegen te houden. Aangever probeerde weg te komen maar werd beetgepakt door medeverdachte [medeverdachte] en meegenomen naar de donkerblauwe auto. Deze auto betrof een driedeursmodel waarin aangever op de achterbank moest gaan zitten. De auto’s zijn achter elkaar aan, met twee tussenstops onderweg, naar Hoogkerk gereden. Verdachte is tijdens deze tussenstops steeds op de bijrijdersstoel in de auto bij aangever blijven zitten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze feiten, in onderling verband bezien, worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] in de [straatnaam] te Groningen de confrontatie met aangever heeft opgezocht. Verdachte en de anderen hebben gedurende deze confrontatie alleen al met hun aanwezigheid ervoor gezorgd dat aangever niet kon vluchten of zich anderszins aan de klappen van medeverdachte [medeverdachte] kon onttrekken, en zich gedwongen heeft gevoeld om in de auto plaats te nemen. Dat verdachte niets zou hebben meegekregen van de confrontatie, het door medeverdachte [medeverdachte] tegen aangever gepleegde geweld en het onder dwang meenemen van aangever naar de auto, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de verschillende getuigenverklaringen waaruit volgt dat verdachte op dat moment buiten de auto was en met de anderen om medeverdachte [medeverdachte] en aangever heen stond. Uitgaande van de omschrijving die de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van het gebeuren in de [straatnaam] hebben gegeven, moet het ook voor verdachte zonder meer duidelijk zijn geweest dat aangever tegen zijn wil werd meegenomen in de auto. De dreigende sfeer, die voor aangever is ontstaan door het gepleegde geweld in combinatie met de aanwezigheid van de - ver in de meerderheid zijnde - verdachten, is ook na het instappen in de auto door aangever blijven bestaan, onder andere doordat verdachte en de andere personen allen, verdeeld over twee auto’s, de rit door de stad hebben gemaakt en de groep getalsmatig zijn blijven versterken. Uit de omstandigheid dat aangever tijdens de gemaakte tussenstops niet de auto is ontvlucht, kan niet de conclusie worden getrokken dat aangever vrijwillig in de auto zat. Vast staat immers dat verdachte voortdurend in de nabijheid van aangever bleef, nu hij steeds voorin de auto op de bijrijdersstoel bleef zitten. De auto waarin aangever werd vervoerd betrof een driedeursmodel, zodat het voor aangever die op de achterbank zat, welhaast onmogelijk was om snel voorbij verdachte te komen. Indien dit aangever wel zou lukken, zouden hem bovendien buiten de auto de medeverdachten staan te wachten. Gezien het eerder tegen hem gepleegde geweld kon niet van aangever worden verwacht dat hij een dergelijke vluchtpoging zou ondernemen.

Gelet op bovenstaand samenstel van feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan de vrijheidsberoving van zodanig gewicht is geweest dat dit een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten oplevert. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 juli 2014 te Groningen en Hoogkerk, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers zijn verdachte en zijn mededaders met auto's naar de woning van die [slachtoffer] gereden en hebben verdachte en/of zijn mededaders die [slachtoffer] geslagen, bij de hals gepakt en vastgegrepen en meegetrokken naar en in een auto en vervolgens die [slachtoffer] naar meerdere locaties vervoerd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in geval van een bewezenverklaring gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, naast de overschrijding van de redelijke termijn, rekening moet worden gehouden met het feit dat de vermeende vrijheidsberoving kennelijk maar een uur heeft geduurd en dat verdachte geen gewelddadige handelingen worden verweten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering. Verdachte en zijn mededaders zijn naar de woning van het slachtoffer gereden en hebben hem, nadat medeverdachte [medeverdachte] hem eerst een paar flinke vuistslagen had verkocht, gedwongen om in een auto plaats te nemen en mee te gaan. Dit alles heeft zich afgespeeld op klaarlichte dag, op straat onder het toeziend oog van geschokte omstanders. De aanleiding hiertoe was gelegen in een niet naar tevredenheid verlopen wapendeal tussen het slachtoffer enerzijds en verdachte en een van de mededaders anderzijds als gevolg waarvan zij vonden dat het slachtoffer hen nog geld schuldig was. Het slachtoffer is na ongeveer een uur weer met het nodige geweld uit de auto gezet, waarna hij verder aan zijn lot is overgelaten.

Dit betreft een ernstig feit waarmee verdachte inbreuk heeft gemaakt op het gevoel van veiligheid dat mensen in hun directe leefomgeving zouden moeten hebben. Door het slachtoffer van zijn vrijheid te beroven hebben verdachte en zijn mededaders inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van een mens; de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. Dat dit voor het slachtoffer een zeer ingrijpende ervaring is geweest blijkt uit het feit dat hij tijdens zijn verklaringen bij de politie regelmatig moest huilen en een zeer angstige indruk maakte. Dat de feiten grote gevolgen voor hem hebben gehad volgt verder uit het feit dat hij nadien is opgenomen in een beschermingstraject via het stelsel bewaken en beveiligen omdat werd gevreesd voor wraakacties tegen hem. Binnen dit kader heeft het slachtoffer lange tijd buiten Nederland moeten verblijven. De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders verder zwaar aan dat dit ook voor de omstanders een indrukwekkende en beangstigende ervaring moet zijn geweest die zij niet snel zullen vergeten en waarvan zij nog lang gevoelens van onveiligheid zullen ondervinden. Dit soort misdrijven zorgt ook in het algemeen in de samenleving voor gevoelens van onrust en onveiligheid.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde met een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, waarvan hier sprake is, als strafverminderend meegewogen. De rechtbank zal een vrijheidsstraf van minder lange duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de hierna op te leggen gevangenisstraf de ernst van het bewezen verklaarde naar het oordeel van de rechtbank voldoende tot uitdrukking brengt.

Benadeelde partij

De heer [slachtoffer] heeft zich door middel van een voegingsformulier als benadeelde partij in het geding gevoegd. Op dit formulier is geen schadebedrag ingevuld.

De officier van justitie en de verdediging hebben geconcludeerd de benadeelde partij niet- ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank stelt vast dat, nu in het formulier geen schadebedrag is gevorderd, er geen vordering is waarover een beslissing kan worden genomen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. K. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2017.

Mr. Timmer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Zie proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 19 juli 2014, p. 513.

2 Zie proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 augustus 2014, p. 514 onderaan en p. 515 bovenaan.