Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:760

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
C/18/160891 / FA RK 15-3364
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek erkenning minderjarig kind. Ingevolge art.10:95 lid 1 en lid 4 BW toepassing Turks recht. Artikel 295 Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) erkenning door (schriftelijke) verklaring bij de rechtbank door de man.

Verzoek omgangsregeling, artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM nauwe betrekking "family life". Gelet op de aanhoudende pogingen van de man tot erkenning en omgang, alsmede de daaruit sprekende en aantoonbare wens van de man om contact te hebben met zijn dochter, is de rechtbank van oordeel dat de familierechtelijke verwantschap tussen de man en de dochter, en de juridische formalisering daarvan, een wezenlijk onderdeel vormt van zijn identiteit en daarmee van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 ERVM. Raadsonderzoek bevolen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 3
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 95
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/55
JPF 2017/115 met annotatie van prof. mr. I. Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Meervoudige familiekamer

zaak-/rekestnummer: C/18/160891/FA RK 15-3364

beschikking d.d. 7 maart 2017

inzake

[naam 1] ,

wonende te Genk in België,

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.G. Brands,

tegen

[naam 2] ,

wonende te Groningen,

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Nurdogan-Ferwerda.

Belanghebbende:

[naam 3], partner van de vrouw.

1 PROCESVERLOOP

1.1.

De man heeft op 8 oktober 2015 een verzoekschrift ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. de erkenning van de nog minderjarige [minderjarige 1] op 20 juni 2011 door de heer [naam 2] , nietig te verklaren;

  2. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van het kind van partijen;

  3. tussen de man en [minderjarige 1] in goede justitie een nader te bepalen contact- en omgangsregeling vast te stellen;

  4. e vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

1.2.

Ter griffie is op 23 oktober 2015 een F9-formulier ontvangen van mr. Brands, met als bijlagen uittreksel uit de Basisregistratie Personen en uit het gezagsregister.

1.3.

Bij beschikking van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank d.d. 20 januari 2016 is mr. J. Doornbos, advocaat te Groningen, tot bijzondere curator benoemd over voornoemde minderjarige.

1.4.

Op 31 mei 2016 is ter griffie een brief met dezelfde datum van mr. Brands ontvangen, met daarin - als aanvulling op voormeld verzoekschrift - het verzoek om op grond van de inhoud van de beschikking van 6 mei 2014 over te gaan tot verbetering van de geboorteakte van [minderjarige 1]

1.5.

De vrouw heeft op 8 november 2016 een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft zij verzocht om het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige 1] te erkennen af te wijzen, dan wel een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming. Verder heeft zij primair verzocht om de man in zijn verzoek tot het vaststellen van een contact- en omgangsregeling niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om dat verzoek af te wijzen, dan wel een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten.

1.6.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 6 december 2016, in aanwezigheid van de man, bijgestaan mr. J.G. Brands en B. Sepoyan (tolk in de Turkse taal die de belofte heeft afgelegd), de vrouw, bijgestaan door mr. M. Nurdogan-Ferwerda en O. Boroglan (tolk in de Turkse taal die de eed heeft afgelegd), de bijzondere curator mr. J. Doornbos, alsmede [naam 6] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) te Groningen.

2 RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.

Vaststaande feiten

2.1.

In deze procedure wordt van de volgende feiten uitgegaan:

- partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die medio december 2010 is beëindigd;

- de vrouw is gehuwd geweest met [naam 4] welk huwelijk op 1 oktober 2010 is ontbonden naar Nederlands recht en op 5 juni 2012 bij beslissing van de rechtbank te Sorgun (Turkije) naar Turks recht;

- de vrouw is op [geboortedatum 3] in Groningen bevallen van het kind [minderjarige 1] (hierna mede te noemen [minderjarige 1] );

- [minderjarige 1] is op 20 juni 2011 erkend door [naam 3] ; daarbij is de achternaam van [minderjarige 1] gewijzigd in [naam 3] ;

- bij beschikking van de meervoudige familiekamer van deze rechtbank d.d. 6 mei 2014

(zaaknummer C/18/142570/FA RK 13-1771) is overwogen, dat de erkenning door [naam 3] nietig is en is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning;

- bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 23 juni 2015 is de ontkenning van het vaderschap van [naam 4] van [minderjarige 1] gegrond verklaard;

- bij beschikking van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank in de zaak met het nummer C/18/142570/FA RK 13-1771 d.d. 12 juli 2016 is de beschikking van 6 mei 2014 in die zin aangevuld dat wijziging, dan wel verbetering is gelast van de akte van geboorte betreffende [minderjarige 1] - aktenummer 1G1799 - voorkomend in het register van de gemeente Groningen over het jaar 2011 in die zin, dat de naam van de vader wordt gewijzigd/verbeterd in [naam 4] geboren te Rotterdam op [geboortedatum 1] ; verder is de erkenning door [naam 3] van voornoemde minderjarige nietig verklaard;

- blijkens een latere vermelding van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen bij de geboorteakte van meergenoemde minderjarige d.d. 21 juli 2016 is de geslachtsnaam ingevolge het Turkse namenrecht ambtshalve verbeterd in [naam 1] , zodat de minderjarige voortaan [naam 5] zal zijn geheten;

- de vrouw is op 13 augustus 2016 in de gemeente Groningen bevallen van het kind [minderjarige 2] het kind is erkend door [naam 3] ;

  • -

    de vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 1] verblijft bij de vrouw;

  • -

    zowel partijen als [minderjarige 1] hebben de Turkse nationaliteit.

2.2.

Standpunt van de man

2.2.1.

De man stelt dat hij [minderjarige 1] wil erkennen. Omdat de vrouw geen medewerking aan erkenning heeft verleend, heeft hij in 2013 bij de rechtbank een verzoekschrift tot erkenning ingediend. Bij dat verzoek heeft de man tevens om vaststelling van een omgangsregeling verzocht. Inmiddels is het 2016 en de man heeft [minderjarige 1] nog nooit gezien, zelfs niet op een foto. Door de vrouw wordt ieder contact afgehouden. De man is zodoende niet in de gelegenheid geweest om een familierechtelijke band met [minderjarige 1] op te bouwen. De man betwist dat hij de familie van de vrouw en [naam 3] opbelt. Als er al conflicten in de familie zouden ontstaan dan komt dit door het handelen van de vrouw. De vrouw laat [minderjarige 1] opgroeien met een leugen.

De man ontkent dat hij vervangende toestemming tot erkenning nodig heeft om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. De man heeft een vaste baan in België en heeft er geen enkel belang bij om in Nederland te wonen.

2.2.2.

De man stelt dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij door hem wordt erkend en dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld. De man heeft er alles aan gedaan om contact te krijgen met [minderjarige 1] en hij is van mening dat het tijdsverloop hem niet kan worden tegengeworpen.

Dat er nooit omgang is geweest is ook niet aan hem te wijten. De man begrijpt dat er niet in één keer sprake kan zijn van omgang. De man wil op zijn minst geïnformeerd worden over [minderjarige 1] en op den duur zal zij kennis met hem moeten kunnen maken.

2.3.

Standpunt van de vrouw

2.3.1.

De korte relatie tussen partijen is uitermate instabiel verlopen en is reeds tijdens de zwangerschap van [minderjarige 1] door de vrouw beëindigd. Reden voor de beëindiging van de relatie was het grensoverschrijdende gedrag van de man jegens haar. De man heeft de vrouw bedreigd en gestalkt en de vrouw heeft hier aangifte van gedaan bij de politie. In verband met dit gedrag heeft de vrouw de man niet geïnformeerd over de geboorte van [minderjarige 1] .

De vrouw heeft al geruime tijd een relatie met [naam 3] De vrouw en [naam 3] zijn de ouders van het op [geboortedatum 2] in de gemeente Groningen geboren kind [minderjarige 2] . Zij hebben het voornemen om op korte termijn met elkaar te trouwen. Momenteel leven zij met [minderjarige 1] , in gezinsverband met elkaar samen. [minderjarige 1] is met [naam 3] opgegroeid en ziet hem als haar vader [minderjarige 1] weet niet dat zij een andere vader heeft dan haar broertje. Als ze op een leeftijd is dat zij het kan begrijpen, zal de vrouw dit aan haar vertellen.

De vrouw vreest dat erkenning door de man van [minderjarige 1] de rust en stabiliteit in haar gezin, alsmede de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] zal ondermijnen. [minderjarige 1] moet verder kunnen opgroeien in de veilige en stabiele omgeving, die de huidige gezinssituatie haar biedt. Wanneer het [minderjarige 1] duidelijk wordt dat [naam 3] niet haar vader is, zal haar stabiele basis komen te vervallen.

2.3.2.

[minderjarige 1] heeft op dit moment geen juridische vader meer. Hierdoor is haar Nederlandse nationaliteit ingetrokken. Deze situatie is in strijd met de belangen van [minderjarige 1] . Wanneer zij door [naam 3] wordt erkend, zal [minderjarige 1] haar Nederlanderschap terug kunnen krijgen.

Zowel de familie van de vrouw als de familie van [naam 3] gaat er vanuit dat [naam 3] de biologische vader van [minderjarige 1] is. Wanneer zij de waarheid zouden kennen zal dit tot spanningen en conflicten leiden in de famlie. De vrees bestaat dat de vrouw en [minderjarige 1] dan niet meer zullen worden geaccepteerd door de familie van [naam 3] en dat in de Turkse gemeenschap in Groningen op hele andere wijze naar hen zal worden gekeken. Ondanks dat hij zich van de gevolgen voor de vrouw, [minderjarige 1] en [naam 3] bewust was, heeft de man in 2014 telefonisch contact gezocht met familieleden van [naam 3] . Hij heeft hen verteld dat hij en niet [naam 3] de biologische vader van [minderjarige 1] is. De man heeft zich ook beledigend uitgelaten over de vrouw en bedreigingen jegens de familie geuit. Dat heeft veel onrust veroorzaakt. Uiteindelijk hebben de vrouw en [naam 3] hun familieleden ervan kunnen overtuigen dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. Dit is niet langer vol te houden wanneer de man alsnog de juridische vader van [minderjarige 1] zou worden en er een contact- en omgangsregeling tussen hem en het kind zou worden vastgesteld.

2.3.3.

De man is destijds een relatie met de vrouw aangegaan om in het bezit te komen van een verblijfsvergunning. Zijn onderhavige verzoeken lijken hetzelfde doel te hebben. De man heeft geen nauwe persoonlijke betrekking (family life als bedoeld in artikel

8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden) met [minderjarige 1] . Primair is de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een contact- en omgangsregeling met [minderjarige 1] .

Subsidiair is er sprake van ontzeggingsgronden in de zin van artikel 1:377a lid 3 sub a, b en d BW. Een contact-/omgangsregeling is niet in het belang van [minderjarige 1] , omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit tot destabilisatie van haar huidige opvoedingssituatie zal leiden. Dit zal van invloed zijn op de fysieke en/of geestelijke ontwikkeling van [minderjarige 1] . Contactherstel zal ook tot te veel spanning bij de vrouw leiden en dat zal zijn weerslag hebben op de opvoedingssituatie van [minderjarige 1] en haar pasgeboren broertje, hetgeen niet in het belang van de beide kinderen is. Het belang van de vrouw en [minderjarige 1] bij het niet erkennen door de man dienen zwaarder te wegen dan de belangen van de man bij erkenning.

2.4.

Standpunt van de bijzondere curator

2.4.1.

Volgens vaste rechtspraak moet artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Wetboek, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis, zo worden uitgelegd dat er een belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel de minderjarige als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechtbank zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw (en het kind) bij afwijzing van het verzoek tot erkenning.

Het belang van de vrouw is daarbij nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning door de man voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

2.4.2.

Een evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige 1] is het meest gewaarborgd binnen een stabiel gezin. De gezinssituatie van de vrouw en [minderjarige 1] is op dit moment stabiel. De vrouw heeft al ruim vijf jaar een relatie met [naam 3] en voedt samen met hem [minderjarige 1] en haar onlangs geboren broertje op.

Hoewel de vrouw haar vrees voor verstoring van de gezinssituatie gemotiveerd naar voren heeft gebracht, heeft zij dit niet nader met bewijs onderbouwd. Naar de mening van de bijzondere curator kan echter niet worden uitgesloten dat de enkele erkenning (en dan met name de reacties daarop door derden) de stabiliteit verstoort. De bijzondere curator is van mening dat het belang van de man bij het tot stand komen van familierechtelijke betrekkingen minder zwaar dient te wegen dan het belang van [minderjarige 1] bij een stabiele gezinssituatie. De bijzondere curator adviseert de rechtbank het verzoek van de man af te wijzen.

3. beoordeling

Met betrekking tot de erkenning

3.1.

Op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek te oordelen.

3.2.

Op grond van artikel 10:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de bevoegdheid van de man tot erkenning en de voorwaarden voor erkenning bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit.

3.3.

Volgens artikel 10:95 lid 4 BW is, ongeacht het in gevolge lid 1 toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder, onderscheidenlijk het kind, op de erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit.

Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.

3.4.

Uit de processtukken blijkt dat zowel partijen als [minderjarige 1] de Turkse nationaliteit hebben. In casu is dus het Turkse recht van toepassing op de erkenning.

3.5.

In artikel 295 Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) zijn de voorwaarden en de vorm van de erkenning geregeld. Artikel 295 luidt:

"Erkenning geschiedt door een schriftelijke verklaring van de vader bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of bij de rechtbank (onderstreping door de rechtbank), of door een verklaring in een authentieke akte of in zijn testament.

Indien de persoon die de verklaring van erkenning doet minderjarig is of handelingsonbekwaam is, is de toestemming van zijn ouder of voogd vereist.

Het kind dat van een andere man afstamt kan niet worden erkend zolang deze verwantschap niet ongeldig is verklaard."

3.6.

De rechtbank is gelet op de tekst van de tekst van artikel 295 TBW van oordeel dat de man naar Turks recht bevoegd is het kind te erkennen en dat er naar Turks recht is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning. Immers, op grond van artikel 295 van het TBW kan erkenning geschieden door een schriftelijke verklaring van de vader bij de rechtbank. De man heeft weliswaar bij verzoekschrift verzocht om vervangende toestemming voor

erkenning, maar uit de tekst van het verzoekschrift alsmede het verhandelde ter zitting blijkt voldoende dat hij een erkenning van [minderjarige 1] wenst. Voorts is voldaan aan de voorwaarde in voormeld artikel dat het kind niet verwant is met een andere man.

Op grond van artikel 296 TBW dient de rechtbank de erkenning mee te delen aan de burgerlijke stand waar de man en het kind ingeschreven staan. De burgerlijke stand waar het kind staat ingeschreven, deelt de erkenning mee aan het kind, zijn moeder en aan de voogdij-instelling indien het kind onder voogdij staat.

3.7.

Gegeven de wettekst als hiervoor is aangegeven, is er geen ruimte voor de beoordeling zoals de bijzondere curator die heeft gedaan in zijn advies aan de rechtbank. De rechtbank zal daar verder dan ook niet op in gaan.

3.8.

Gelet op het hiervoor bepaalde zal de rechtbank de griffier opdragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de burgerlijke stand van de gemeente Genk (België) en Groningen. De rechtbank zal voorts de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen gelasten de erkenning aan de vrouw mee te delen.

Met betrekking tot de omgangsregeling

3.9.

Overeenkomstig artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is. De rechtbank overweegt dat biologische verwantschap een belangrijke factor is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking c.q. 'family life' in zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De biologische vader die een beroep doet op 'family life', dient naast zijn biologische verwantschap evenwel bijkomende omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. Deze bijkomende omstandigheden moeten de conclusie rechtvaardigen dat er tussen hem en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat dan wel dat er een mogelijkheid bestaat dat deze zich ontwikkelt, maar dat deze band door omstandigheden die aan de man niet te wijten zijn niet tot stand is gekomen.

Genoemde bijkomende omstandigheden moeten gelegen zijn in hetzij de aard van de relatie van de man met de vrouw en in zijn betrokkenheid bij het kind voor en na de geboorte (in welk geval die omstandigheden moeten wijzen op voorgenomen gezinsleven), hetzij de band die na de geboorte tussen hem als vader en het kind is ontstaan. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind, kan gelden als voldoende bijkomende omstandigheden. De stelplicht en de bewijslast van dergelijke omstandigheden liggen aldus bij de man.

3.11.

Uit de processtukken blijkt dat partijen een kortstondige relatie met elkaar hebben gehad en dat deze relatie reeds was beëindigd voordat [minderjarige 1] is geboren. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de relatie is geëindigd, maar vast staat dat de man niet betrokken is geweest bij de zwangerschap of de geboorte van [minderjarige 1] . De man heeft tot op heden geen enkel contact met [minderjarige 1] gehad en heeft haar, naar zijn zeggen, zelfs nog nooit gezien. De rechtbank is van oordeel dat van ‘family life’ in de zin van een werkelijke uitoefening van de man van nauwe persoonlijke betrekkingen met [minderjarige 1] , geen sprake is gezien het ontbreken van betrokkenheid van de man bij de zwangerschap van de vrouw, alsmede het ontbreken van elk contact met [minderjarige 1] na de geboorte.

3.12.

Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), volgt echter ook dat de vaststelling van de juridische betrekkingen tussen de biologische vader en het kind en daarmee de vraag of de biologische vader het recht heeft tot toegang tot het kind, een belangrijk deel kan betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn ‘private life’. Nauwe banden (‘close relationships’) kunnen volgens het EHRM in gevallen waarin het bestaan van ‘family life’ niet kan worden aangenomen wel binnen de reikwijdte van het privéleven (‘private life’) van de biologische vader vallen en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM. De beslissing om een biologische vader op voorhand contact met zijn kind te weigeren en hem derhalve niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, betekent in dat geval inmenging in zijn recht op ‘private life’. Ter beantwoording van de vraag of deze inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen.

Aan de ontvankelijkheid van een biologische vader in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dienen wel eisen te worden gesteld, immers voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven op grond van artikel 8 EVRM is het enkele feit dat de man de biologische vader is niet voldoende. Er dient sprake te zijn van bijkomende feiten of omstandigheden die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

3.13.

Door de man is onweersproken gesteld dat hij pas in het voorjaar van 2013 heeft vernomen dat de vrouw het leven had geschonken aan een dochter. De vrouw had hem van de geboorte van [minderjarige 1] niet op de hoogte gebracht. De man heeft vervolgens in augustus 2013 een verzoek bij de rechtbank ingediend om hem vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] te verlenen en een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling. De rechtbank heeft de man in zijn verzoek tot erkenning niet-ontvankelijk verklaard zonder te beslissen op het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling. De man heeft op 8 oktober 2015 vervolgens het onderhavige verzoekschrift ingediend. Door omstandigheden die niet aan de man te wijten zijn, is dit verzoek pas op 6 december 2016 inhoudelijk behandeld.

Gelet op de aanhoudende pogingen die de man heeft ondernomen om [minderjarige 1] te erkennen en een omgangsregeling vast te stellen, alsmede de daaruit sprekende en aantoonbare wens van de man om contact te hebben met zijn dochter, is de rechtbank van oordeel dat de familierechtelijke verwantschapsband tussen de man en [minderjarige 1] en de juridische formalisering daarvan een zodanig wezenlijk onderdeel vormt van zijn identiteit en daarmee van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, dat de afwijzing van zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling op de enkele grond dat ‘(intended) family life’ ontbreekt een schending van zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven oplevert. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang.

3.14.

De rechtbank komt thans toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de man om een omgangsregeling vast te stellen.

Gelet op de door partijen geschetste omstandigheden, met name de onwetendheid van [minderjarige 1] over het bestaan van de man in samenhang met haar nog jonge leeftijd acht de rechtbank zich vooralsnog onvoldoende voorgelicht om een goed gefundeerde en weloverwogen beslissing ten aanzien van de omgang te kunnen nemen. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken een onderzoek in te stellen dan wel te doen instellen.

Het onderzoek dient de antwoorden op de volgende vragen te betreffen:

  • -

    is een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] op dit moment in het belang van [minderjarige 1] te achten, dan wel zijn er zwaarwichtige redenen om de man het recht op omgang met [minderjarige 1] te ontzeggen?

  • -

    zo ja, welke redenen zijn dit?

  • -

    wanneer er geen belemmeringen voor omgang zijn, welke omgangsregeling, begeleid dan wel onbegeleid, is dan in het belang van [minderjarige 1] ?

  • -

    welke wijze van informatie verstrekking doet het meest recht aan de belangen van de man en [minderjarige 1] .

De Raad wordt verzocht uiterlijk op de hierna vermelde rolzitting de rapportage over te leggen. Na ontvangst van de rapportage worden partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren waarna de rechtbank op basis van de stukken de beslissing zal geven tenzij zij of een van de partijen een behandeling ter zitting aangewezen acht.

BESLISSING

De rechtbank:

stelt vast dat de man aan de formele vereisten naar Turks recht, voor erkenning van de minderjarige [naam 5] , geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente Groningen, heeft voldaan;

draagt de griffier van deze rechtbank op een afschrift van deze beschikking te zenden aan de burgerlijke stand van de gemeente Genk (België) en de gemeente Groningen;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen de erkenning aan de vrouw mee te delen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de Raad een onderzoek in te stellen als hiervoor omschreven en de rechtbank uiterlijk 4 juli 2017 van rapport en advies te dienen;

partijen dienen binnen veertien dagen nadat zij bekend zijn gemaakt met het rapport en advies van de Raad - uiterlijk op de rolzitting van 25 juli 2017 - te reageren op voornoemde rapportage;

indien noodzakelijk zal de griffier van de rechtbank een nadere zittingsdatum bepalen;

houdt iedere overige beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.Y. Dijkstra, voorzitter, E.M.J. Brink en

J.H.H.M. Dorscheidt, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Verbeek, griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

mmv