Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:746

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
18/830418-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, tot een gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830418-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in de PI Zwaag, De Compagnie 1.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Ubbergen, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat er door de officier van justitie ter terechtzitting een mondelinge aanvulling van de tenlastelegging is gedaan, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 september 2016 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met gebalde vuist (waarbij verdachte een boksbeugel, althans metalen ringen, om zijn vingers droeg) die [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:

hij op of omstreeks 30 september 2016 te [pleegplaats] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neusbeen en/of jukbeen en/of oogkas en/of vier, althans een aantal, uit de mond geslagen tanden en/of een hersenschudding, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag (waarbij verdachte een boksbeugel, althans metalen ringen, om zijn vingers droeg) in het gezicht te geven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:

hij op of omstreeks 30 september 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag (waarbij verdachte al dan niet een boksbeugel, althans metalen ringen, om zijn vingers droeg) in het gezicht te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde feit kan daarentegen wel wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, door als voormalig geoefend kickbokser met zo’n forse kracht het slachtoffer een vuistslag in het gezicht te geven, het opzet had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het slachtoffer heeft ook daadwerkelijk fors letsel opgelopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen dat verdachte een mishandeling heeft gepleegd met enig lichamelijk letsel ten gevolge. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geslagen met een boksbeugel, dan wel metalen ringen. Evenmin kan worden bewezen dat het zwaar lichamelijk letsel het gevolg is van de vuistslag, nu dit letsel is ontstaan door de ongelukkige val die daarop volgde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en uit de overige stukken in het dossier niet volgt dat verdachte opzet dan wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank is ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde van oordeel dat het letsel van het slachtoffer kan worden geclassificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Dit oordeel steunt onder meer op de letselverklaring d.d. 13 februari 2017, opgemaakt door T. van Mesdag, GGD-arts. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken in het dossier heeft de rechtbank echter niet de overtuiging bekomen dat verdachte, door het slachtoffer één forse vuistslag in het gezicht te geven, opzet heeft gehad, dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank past ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijs-

middelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 20 februari 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

De aangever stond voor me. Ik heb hem één vuistslag gegeven aan de zijkant van zijn gezicht. Mijn bijnaam is [bijnaam] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 4 oktober 2016 opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016343279 d.d. 5 december 2016 inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 30 september 2016 te [pleegplaats] stond [bijnaam] voor me. Ik zag en voelde dat hij mij met zijn rechtervuist een vuistslag gaf op mijn gezicht. Ik voelde hierdoor pijn en raakte door deze klap buiten bewustzijn.

3. Een geneeskundige verklaring, zijnde een letselrapportage, op 13 februari 2017 opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, GGD-arts, voor zover inhoudende, als zijn verklaring:

Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] is aan de hand van foto’s, daterend van

30 september 2016, een letselrapportage opgemaakt. De kaakchirurg heeft in een brief

d.d. 3 oktober 2017 (de rechtbank begrijpt: 2016) vermeld dat sprake is van een breuk van het jukbeen links, in combinatie met een breuk van de wand van de oogkas. Ook wordt een breuk van het opgaande deel van de onderkaak links beschreven en zijn er twee afgebroken snijtanden geconstateerd. De KNO-arts vermeldt in een brief d.d. 3 oktober 2017 (de rechtbank begrijpt: 2016) dat sprake is van een dubbelzijdig gebroken neus waarbij de neus naar rechts is verplaatst. De traumachirurg vermeldt in een brief d.d. 1 oktober 2017 (de rechtbank begrijpt: 2016) naast bovengenoemde afwijkingen een lichte hersenschudding.

De rechtbank kan op grond van bovenstaande bewijsmiddelen niet exact vaststellen welk letsel het gevolg is geweest van de door verdachte gegeven vuistslag en welk letsel het gevolg is geweest van de val van het slachtoffer op straat. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen de (harde) vuistslag van verdachte

en de val van het slachtoffer. Dat brengt mee dat al het door het slachtoffer opgelopen letsel

het rechtstreekse gevolg is van de door verdachte gepleegde mishandeling. De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 30 september 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag in het gezicht te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Meer subsidiair: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden van een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandelverplichting bij de Ambulante Forensische Psychiatrie of een soortgelijke instantie, waarbij verdachte dient mee te werken aan een intakegesprek en een eventueel daaruit voortvloeiend behandelaanbod.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder andere rekening gehouden met de ernst van het feit, de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, eventueel in combinatie met een taakstraf. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat de justitiële documentatie van verdachte oude veroordelingen bevat. Daarnaast heeft zij ten aanzien van het advies van Reclassering Nederland d.d. 31 januari 2017 aangevoerd dat de geadviseerde ambulante behandelverplichting onnodig is. Verdachte is tussen 2011 en 2015 in het kader van een aan hem opgelegde PIJ-maatregel al behandeld, waarna bij onherroepelijk vonnis van 19 januari 2015 is geoordeeld dat verdachte niet langer behandeling nodig had.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolgde hebbend. Verdachte heeft op 30 september 2016 het slachtoffer een forse vuistslag in het gezicht gegeven, ten gevolge waarvan hij op straat is gevallen. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het incident dat zich tussen verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld vloeide voort uit een al langer lopend conflict tussen hen. Verdachte had bij de confrontatie die op voornoemde datum plaatsvond weg moeten lopen en heeft dan ook onverstandig gehandeld door het slachtoffer meteen (terug) te slaan. Naast het feit dat het slachtoffer hier ernstig nadeel door heeft ondervonden, levert het aan slachtoffer toegebrachte zwaar lichamelijk letsel een strafverzwarende omstandigheid op die de rechtbank meeweegt in de strafmaat.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor gelijksoortige feiten, zij het dat deze feiten van langer geleden dateren.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit een incidentele misstap is geweest en ziet daarom geen meerwaarde in het opleggen van verplicht reclasseringstoezicht.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten drie gripzakjes met henneptoppen, met een totaalgewicht van 4 gram, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte meer subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de posten ‘tandartskosten’ en ‘reiskosten’ geheel kunnen worden toegewezen. De post ‘mobiele telefoon’ kan worden toegewezen tot een bedrag van €50,-, nu dit een aankoop via Marktplaats is geweest en hiervan geen aankoopbewijs is overgelegd. Ten aanzien van de kleding en de schoenen is onvoldoende komen vast te staan dat deze onherstelbaar zijn beschadigd. Deze posten moeten dan ook worden afgewezen. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade van €10.000,-, te hoog is, nu er sprake is geweest van één vuistslag en heeft om die reden gevorderd een bedrag van €1.000,- toe te wijzen, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het toe te wijzen deel komt in totaal op €1.501,81.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de tandartskosten en de reiskosten dienen te worden afgewezen, nu deze posten geen rechtstreeks geleden schade betreffen die ten gevolge van de vuistslag zijn ontstaan. De overige posten, te weten de kleding, de schoenen en een mobiele telefoon, acht de raadsvrouw niet voor toewijzing vatbaar omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de immateriële schade gesteld dat zij zich kan verenigen met het voorstel van de officier van justitie om een bedrag van €1.000,- toe te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voor wat betreft de reiskosten en de tandartskosten voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht deze posten voor toewijzing vatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gevorderde schade ten aanzien van de mobiele telefoon, de kleding en de schoenen onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van die delen van de vordering niet-ontvankelijk.

Gelet op hetgeen is bewezenverklaard zal de rechtbank de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van €2.500,-.

De rechtbank acht daarnaast toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen.

Beveelt, dat de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Bepaalt dat de drie in beslag genomen zakjes met henneptoppen worden onttrokken aan het verkeer.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.951,81 (zegge: tweeduizend negenhonderd eenenvijftig euro en eenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.951,81 (zegge: tweeduizend negenhonderd eenenvijftig euro en eenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

30 september 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag bestaat uit € 451,81 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer dhr. [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. A.L. Goederee, rechters, bijgestaan door A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2017.