Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:739

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
5285337 CV EXPL 16-9015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling van nalatenschappen ouders. Geen schulden van de ene erfgenaam aan de nalatenschappen. Geen rekening & verantwoording of afgifte administratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/77
ERF-Updates.nl 2017-0054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5285337 \ CV EXPL 16-9015

vonnis van de kantonrechter d.d. 7 maart 2017

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. M.K. de Bruin,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. P. van Bommel,

[C] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [A] , [B] en [C] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de verstekverlening tegen [C]

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van [B] (CvA/CvE)

- het tussenvonnis van 11 oktober 2016

- de conclusie van antwoord in reconventie (CvAR)

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 10 januari 2017

- de ter gelegenheid van de comparitie door [B] ingebrachte nadere productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Partijen zijn elkaars broers en zus.

2.2.

De ouders van partijen, [D] (hierna: vader) en [E] (hierna: moeder) zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Moeder is overleden op 28 februari 2004. Vader is overleden op 1 juni 2011.

2.3.

Vader en moeder hebben bij nagenoeg gelijkluidende testamenten van 9 maart 1978 beschikt over hun nalatenschappen, waarbij zij elkaar al zijn/haar roerende en onroerende zaken hebben gelegateerd - onder de verplichting om de waarde daarvan in te brengen in hun nalatenschap - alsook het vruchtgebruik over hun gehele nalatenschap. Het testament van vader heeft geen effect gesorteerd als gevolg van het vooroverlijden van moeder. De nalatenschappen zijn zuiver aanvaard.

2.4.

In 1978 heeft [A] de boerderij met bijgebouwen van vader gekocht. [B] heeft enkele landerijen van vader gekocht. Voor de koopprijzen zijn destijds aan beide zoons leningen verstrekt tegen 8% rente: [A] ten bedrage van fl. 150.000 en [B] ten bedrage van fl. 117.500.

2.5.

Bij de verkoop van de boerderij aan [A] is overeengekomen dat vader en moeder tot aan hun dood op de boerderij mochten blijven wonen tegen een huurprijs van fl. 15 per week.

2.6.

Partijen zijn gezamenlijk tot de nalatenschappen van vader en moeder gerechtigd, (thans) elk voor een derde deel. Tussen partijen is het onderhavige geschil ontstaan over de afwikkeling daarvan. [B] heeft in dat kader op 13 december 2013, tezamen met zijn adviseur [naam adviseur] , werkzaam bij Accon AVM, de gehele administratie van vader ingezien. In een brief van 4 februari 2015 van de notaris aan [B] is hierover onder meer het volgende geschreven: "Van der heer [naam adviseur] begreep ik dat er geen onvolkomenheden uit de administratie naar voren zijn gekomen en dat hij ook geen nadere reactie van u heeft gekregen."

2.7.

Blijkens bankafschriften bedraagt het saldo van door vader en moeder aangehouden betaalrekening ( [rekeningnummer] ) per 1 juni 2016 € 495,18 en het saldo van de spaarrekening ( [rekeningnummer] ) € 22.540,97.

2.8.

De auto van vader, met kenteken [kenteken] , is met ingang van 11 mei 2005 als gedemonteerd geregistreerd in het kentekenregister. De auto is nog niet gesloopt.

2.9.

Partijen hebben - nadat de ervenrekening geblokkeerd is - kosten van de nalatenschap van vader voor hun eigen rekening genomen: [A] ten bedrage van € 2.141,50, [B] ten bedrage van € 1.737,29 en [C] ten bedrage van € 2.715,11.

3 De vordDe vordering van De vordering in conventie

3.1.

[A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. de verdeling van de tot de nalatenschap van vader behorende tegoeden vaststelt dan wel deze verdeelt, primair op de wijze zoals in punt 3.6 van de dagvaarding is vermeld, inhoudende dat aan [A] een bedrag ad € 7.622,25, [C] een bedrag ad € 8.195,86 en [B] een bedrag ad € 7.218,04 toekomt, waarna de nalatenschap is verdeeld;

subsidiair

2. althans subsidiair de verdeling van de nalatenschap vaststelt en daartoe aan [B] en [C] de bevelen geeft die de kantonrechter in goede justitie rechtvaardig acht, althans de wijze van verdeling van de nalatenschap vaststelt en daartoe aan [B] en [C] de bevelen geeft die de kantonrechter in goede justitie rechtvaardig acht;

primair en subsidiair

3. [B] en [C] veroordeelt om mee te werken aan het effectueren van de onder 1 genoemde verdeling dan wel door de kantonrechter te bepalen (wijze van) verdeling (onder 2), ten overstaan van notaris mr. P.W.M. IJdema te Franeker, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per persoon voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijven door - op wat voor wijze dan ook - zijn/haar medewerking te onthouden, met een maximum van € 50.000, met bepaling dat indien dit maximum zal zijn bereikt, dit vonnis in de plaats treedt van al die (rechts)handelingen die [B] en [C] ter uitvoering van de verdeling dienen te verrichten.

4. [B] en [C] hoofdelijk veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten, de kosten van deze procedure en de nakosten voor een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,-.

3.2.

[B] voert verweer met conclusie de vorderingen af te wijzen door [A] daarin niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze geheel te ontzeggen, met veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De vordDe vordering van De vordering in reconventie

4.1.

[B] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bepaalt dat:

1. [B] ter hoogte van zijn wettelijk erfdeel gerechtigd is in de nalatenschap van moeder, althans dat de omvang van het wettelijk erfdeel - althans een nader te bepalen erfdeel - van [B] en de wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder in rechte nader wordt vastgesteld, zoals de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, althans een nader in rechte aan te wijzen notaris opdracht zal worden gegeven de akte van verdeling op te stellen op de wijze en op de gronden, zoals de kantonrechter zal vermenen te behoren;

2. [B] ter hoogte van zijn wettelijk erfdeel gerechtigd is in de nalatenschap van vader, althans dat de omvang van het wettelijk erfdeel - althans een nader te bepalen erfdeel - van [B] en de wijze van verdeling van de nalatenschap van vader in rechte nader wordt vastgesteld, zoals de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, althans een nader in rechte aan te wijzen notaris opdracht zal worden gegeven de akte van verdeling op te stellen op de wijze en op de gronden, zoals de kantonrechter zal vermenen te behoren;

3. [A] wordt veroordeeld tot voldoening van een bedrag ad € 43.336,- aan de boedel van vader en moeder ten titel van restantlening;

4. [A] wordt veroordeeld tot voldoening van een bedrag ad € 87.940,- aan de boedel van vader en moeder ten titel van achterstallige rentebetalingen;

5. [A] wordt veroordeeld tot voldoening van een bedrag ad € 12.504,- ten titel van teveel geïnde huurgelden van vader;

6. [A] wordt veroordeeld tot restitutie van de opbrengst van de verkoop van de auto van vader aan de boedel van vader en moeder, dan wel een nader in rechte te bepalen bedrag;

7. [A] wordt gelast inzage en bewijs te verstrekken over de verkregen opbrengsten van het verkochte bietenquotum, alsmede in rechte te bepalen dat voormelde opbrengst onderdeel uitmaakt van de nalatenschap(pen) en de hoogte van de ten onrechte behouden opbrengsten door [A] wederom in de nalatenschap(pen) moeten worden ingebracht, met vaststelling van de hoogte van het aan [B] toekomende (erf)deel;

8. [A] wordt veroordeeld tot afgifte in rechte van alle administratieve bescheiden, waaronder alle kasboeken en bankafschriften, van vader en moeder vanaf 1978 - althans vanaf een nader in rechte te bepalen datum - tot op heden en [A] wordt gelast het in rechte vast te stellen benadelingsbedrag in te brengen in de nalatenschap(pen) van vader en moeder, waarna dit bedrag gelijkelijk tussen de erfgenamen kan worden verdeeld;

9. [A] volledig schriftelijke rekening en verantwoording dient af te leggen over het beheer van het inkomen en de uitgaven van vader en moeder, met afgifte in rechte van alle administratieve bescheiden vanaf 1978 - althans vanaf een nader in rechte te bepalen datum - tot op heden en [A] wordt gelast het nader in rechte vast te stellen bedrag int e brengen in de nalatenschap(pen), indien en voor zover deze bedragen op onjuiste wijze aan de nalatenschap(pen) zijn onttrokken, waarna dit bedrag gelijkelijk in rechte tussen de erfgenamen kan worden verdeeld;

10. [A] wordt veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en voldoening aan de overige erfgenamen van het restantvermogen p.m. (te berekenen na inzage gehele administratie);

11. eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de hierboven gevraagde beslissingen voor rekening van [A] komen, voor zover deze door hem worden veroorzaakt;

12. met veroordeling van [A] in de kosten in beide instanties.

4.2.

[A] voert verweer met conclusie dat de kantonrechter [B] niet-ontvankelijk verklaart of de vorderingen afwijst, met veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

De bevoegdheid van de kantonrechter

5.1.

Hoewel de reconventionele vordering het bedrag van € 25.000,-- te boven gaat, acht de kantonrechter zich op grond van het bepaalde in artikel 97 lid 1 Rv, gelet op de evidente samenhang tussen de vordering in conventie en die in reconventie, bevoegd om van de vordering van [B] kennis te nemen.

De eiswijziging in reconventie

5.2.

[B] heeft ter comparitie zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij afgifte van alle administratieve bescheiden vanaf het jaar 1978 vordert in plaats van het jaar 1986. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze eiswijziging betrekking heeft op het sub 8 én 9 gevorderde, nu deze vorderingen elkaar ten dele overlappen. Het door [A] gemaakte bezwaar tegen de wijziging van eis wordt ongegrond verklaard, omdat die wijziging naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Er zal dus recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

Een gezamenlijke beoordeling in conventie en in reconventie

5.3.

[A] vordert - samengevat - verdeling van de nalatenschap van vader, die volgens hem enkel nog bestaat uit het saldo van de onder 2.7 genoemde bank- en spaarrekening en waarvan eerst nog de door elk der partijen voorgeschoten kosten afgetrokken dienen te worden.

5.4.

[B] vordert - eveneens samengevat - verdeling van de nalatenschappen van beide ouders. Bij hem bestaat het ernstige vermoeden dat er onvolkomenheden in de administratie bestaan. [B] vraagt zich af waar al het geld is gebleven. Het saldo op de bank- en spaarrekening had volgens hem vele malen hoger moeten zijn.

5.5.

De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. De kantonrechter ziet aanleiding om eerst de vorderingen in reconventie sub 3 tot en met 9 te behandelen, om vervolgens - met inachtneming van hetgeen daarop beslist zal worden - de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder te bepalen.

- De lening aan [A] en de rente daarover

5.6.

Volgens [B] is uit het door Accon AVM verrichte onderzoek naar de administratie gebleken dat [A] per datum overlijden van vader een tekort aan rente heeft laten oplopen van € 87.940,-, terwijl een bedrag ad € 43.336,- niet is afgelost op de hoofdsom. In totaal dient € 131.276,- door [A] ingebracht te worden in de boedel.

5.7.

Volgens [A] is de lening, inclusief rente, volledig door hem afgelost. Hiertoe verwijst hij naar het door hem als productie 15 bij CvAR overgelegde overzicht en de daarbij behorende stukken. Subsidiair doet [A] een beroep op verjaring.

5.8.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Onder de door [A] overgelegde stukken bevindt zich onder meer een bladzijde uit de aangifte voor de inkomstenbelasting 2002 van vader waaruit blijkt dat de waarde van de aan [A] verstrekte lening is gewijzigd van € 3.057 per 1 januari in € 0 per 31 december van dat jaar. Tevens bevinden zich hiertussen diverse door vader aan [A] uitgebrachte rentenota's over de restantlening. Deze stukken onderschrijven derhalve het standpunt van [A] dat de lening, inclusief rente, geheel door hem is betaald.

5.9.

Namens [B] is ter comparitie hierop desgevraagd als volgt gereageerd: "Er wordt van de zijde van [A] wel gesteld dat er betaald is, maar er ontbreekt ieder bewijs dat er daadwerkelijk is betaald. De bij conclusie van antwoord in reconventie door [A] overgelegde overzichten heb ik nog niet aan de heer [naam adviseur] voorgelegd. Ik constateer dat er verschillende zaken worden afgetrokken. Er wordt ook gesproken over schenkingen, maar het gaat om papieren schenkingen. Wanneer blijkt dat de heer [naam adviseur] zijn werk niet goed heeft gedaan dan moet dit op nieuw gedaan worden." In het licht van de door [A] in het geding gebrachte stukken, zoals hiervoor vermeld, kon [B] naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met deze (vorm van) betwisting. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de door [A] overgelegde stukken grotendeels afkomstig zijn van vader zelf en/of van het door vader ingeschakelde administratiekantoor, terwijl er geen concrete aanwijzingen zijn dat er bij het opstellen daarvan destijds fouten zijn gemaakt. Met zijn stelling dat er "daadwerkelijk betaald" moet zijn en dat niet uit de administratie daarvan gebleken is, miskent [B] dat verrekening ook een geldige wijze van betaling is.

5.10.

De slotsom is dat bij de verdere beoordeling ervan uit zal worden gegaan dat de geldlening aan [A] volledig is afgelost en dat er ook geen rentetekort bestaat. [A] heeft dus uit dien hoofde geen schuld aan (een van) de nalatenschappen. Het in reconventie sub 3 en 4 gevorderde zal daarom worden afgewezen.

- De huurgelden

5.11.

Volgens [B] was met [A] overeengekomen dat de ouders van partijen tot aan hun dood tegen een huur van fl. 15 per week op de boerderij mochten blijven wonen. [A] heeft op enig moment eenzijdig de huur verhoogd. Uit het door Accon AVOM verrichte onderzoek is gebleken dat een bedrag van € 12.504 teveel aan huur van de bankrekening van vader is afgeschreven. Dat bedrag dient door [A] ingebracht te worden in de boedel.

5.12.

Volgens [A] is de huur op enig moment uitgebreid met de garage en de berging. Verder is omstreeks 1999 de huurprijs, in onderling overleg, verhoogd naar fl. 5.500 per jaar op basis van een daartoe opgesteld taxatierapport (productie19 CvAR). De huurgelden zijn ook steeds verrekend met de lening aan [A] . Subsidiair beroept [A] zich op verjaring.

5.13.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Het beroep van [A] op verjaring slaagt. Het bedrag van € 12.504 ziet blijkens het door [B] overgelegde overzicht (productie 2 bij CvA/CvE) op huurpenningen die vader en moeder hebben voldaan in de periode van 1978 tot en met 2002. De vordering van [B] is, zo begrijpt de kantonrechter, gebaseerd op onverschuldigde betaling (artikel 6:202 BW). Op grond van artikel 3:309 BW verjaart een dergelijke vordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Gesteld noch gebleken is dat deze bekendheid bij vader en/of moeder op een later moment is ontstaan dan toen er door hen

- elke maand weer - huur betaald werd. Door hun overlijden is niet een nieuwe verjaringstermijn aangevangen ten gunste van de erfgenamen. Dat [B] pas jaren later met de hoogte van de betaalde huur bekend is geworden, is dus geen stelling die stand kan houden ter afwering van het verjaringsberoep. Voor zover [B] bedoeld heeft te stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een beroep op verjaring te doen, dan heeft hij geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een dergelijk oordeel kunnen leiden. Zijn stelling dat deze procedure diep ingrijpt in de familie, acht de kantonrechter hiertoe onvoldoende. Het in reconventie sub 5 gevorderde zal dus worden afgewezen.

- De auto

5.14.

Volgens [B] heeft [A] de auto van vader verkocht en de opbrengst voor zichzelf behouden.

5.15.

Volgens [A] is de auto nog altijd aanwezig. De waarde van de auto bedraagt nihil. De auto is in 2005 aangemeld bij de RDW voor sloop in eigen beheer, maar daarvan is het nog niet gekomen.

5.16.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Naar aanleiding van het door [A] gevoerde verweer en de in het geding gebrachte stukken, heeft [B] nagelaten zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Voor bewijslevering is hier geen plaats. Derhalve is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zich door [A] toegeëigende verkoopopbrengst, zodat uit dien hoofde geen schuld van hem aan (een van) de nalatenschappen bestaat. Het in reconventie sub 6 gevorderde zal dus worden afgewezen.

5.17.

Wel zal de kantonrechter de auto bij de verdeling van de nalatenschappen betrekken, en wel zo dat de auto aan [A] zal worden toegescheiden tegen een waarde van nihil. Gesteld noch gebleken is dat deze auto thans nog enige waarde vertegenwoordigt.

- Het bietenquotum

5.18.

Volgens [B] heeft [A] het bietenquotum van vader verkocht en de opbrengst voor zichzelf behouden.

5.19.

Volgens [A] hebben vader en moeder in 1997 hun aandelen in de suikerfabriek verkocht. De opbrengst hiervan is vervolgens bijgeschreven op de bankrekening. In dit verband verwijst naar het als productie 26 bij CvAR overgelegde bankafschrift, waaruit blijkt dat er op 9 april 1997 een bedrag van € 4.057,62 wegens "verkoop effecten" is bijgeschreven op de in 2.7 vermelde betaalrekening.

5.20.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. [A] heeft met productie 26 bij CvAR de gevorderde inzage en bewijs verstrekt. Naar aanleiding van het door [A] gevoerde verweer en de in het geding gebrachte stukken, heeft [B] nagelaten zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Voor bewijslevering is hier daarom geen plaats. Gelet daarop is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zich door [A] toegeëigende verkoopopbrengst, zodat uit dien hoofde geen schuld van hem aan (een van) de nalatenschappen bestaat. Het in reconventie sub 7 gevorderde zal dus worden afgewezen.

- Afgifte van de administratie

5.21.

Volgens [B] is de administratie van vader gezamenlijke eigendom van de erfgenamen, zodra [A] op die grond gehouden is om aan [B] inzage daarin te verstrekken.

5.22.

Volgens [A] is de gehele administratie van vader gedurende ruim twee jaren onder de notaris geweest en heeft [B] met zijn adviseur inzage hierin gehad. Bovendien zijn alle relevante stukken in het geding gebracht, waaronder overzichten van de spaarrekening. [B] heeft voldoende gelegenheid gehad om de administratie te raadplegen.

5.23.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift en uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking kan vorderen van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. De eis van bepaaldheid brengt onder meer mee dat met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verlangd, bestaat. Het moet voldoende duidelijk zijn om welke bescheiden het gaat en om welke reden zij van belang zijn en dat de gevorderde inzage niet verder strekt dan noodzakelijk is. Lid 4 van artikel 843a Rv geeft een uitzondering op dit recht, indien degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft aannemelijk maakt dat er gewichtige redenen zijn om niet aan die vordering te voldoen of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.

5.24.

[B] heeft als mede-erfgenaam rechtmatig belang bij inzage van de administratie gelet op zijn stelling dat [A] gelden aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10133). Die inzage heeft [B] echter al gehad (zie rov. 2.5) en dat heeft geleid tot het als productie 2 bij CvA/CvE overgelegde overzicht dat (volgens [B] ) is opgesteld door zijn adviseur van Accon AVM. [B] heeft niet gespecificeerd ten aanzien van welke onderwerpen in het bijzonder nogmaals inzage benodigd is. Daarmee heeft de vordering het karakter van een ontoelaatbare "fishing expedition". Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat in het kader van onderhavige procedure de nodige stukken (waaronder bankafschriften, belastingaangiften en jaarstukken) in het geding zijn gebracht. Onder deze omstandigheden is [A] naar het oordeel van de kantonrechter niet gehouden is om [B] opnieuw inzage te verstrekken. Het in reconventie sub 8 gevorderde zal daarom worden afgewezen.

- Rekening en verantwoording

5.25.

Volgens [B] heeft [A] ondeugdelijk beheer over de bankrekeningen van vader en moeder gevoerd. Na het overlijden van moeder is de hoogte van het opgenomen huishoudgeld gestegen. [B] verdenkt [A] verder van oneigenlijk gebruik van de bankpas van vader. Zo zijn er blijkens de overgelegde bankafschriften kort na de datum van overlijden nog diverse afschrijvingen gedaan ten behoeve van Hema, Foto Hommema en een bankopname, die evident niet ten behoeve van vader kunnen zijn geweest.

5.26.

Volgens [A] heeft hij nooit de (financiële) belangen van zijn ouders behartigd. Voor de boekhouding kregen de ouders bijstand van de heer [F] en voor de belastingaangifte en de jaarrapportage van administratiekantoor [G] . Wel hebben de ouders op enig moment de echtgenote van [A] gemachtigd ter zake van hun bankrekeningen. [A] is dan ook niet gehouden om rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zijn ouders nog leefden. Er zijn bovendien geen onregelmatigheden in de administratie aangetroffen, waartoe [A] verwijst naar de brief van de notaris van 4 februari 2015 (zie rov. 2.6).

5.27.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [B] onvoldoende gesteld ten aanzien van het bestaan van een dergelijke verhouding tussen [A] enerzijds en de ouders anderzijds. Het enkele feit dat de echtgenote van [A] op enig moment door hen gemachtigd is, acht de kantonrechter daartoe onvoldoende. Het in reconventie sub 9 gevorderde zal om die reden worden afgewezen.

- De voorgeschoten kosten van de nalatenschap

5.28.

Volgens [A] dienen de door elk van partijen voorgeschoten kosten (rov. 2.9) alsnog ten laste van de boedel te worden gebracht, alvorens tot verdeling van de nalatenschap van vader wordt overgegaan. In reactie op het verweer van [B] heeft [A] aangevoerd dat de woning pas per 31 juli 2011 is opgeleverd, zodat de huur en de energiekosten over de maand juli nog verschuldigd waren. De notariskosten zien op de verrichte werkzaamheden inzake de nalatenschap van vader, waartoe hij verwijst naar de aan de erven [D] gerichte declaraties van 15 september 2015 en 1 juli 2016 van de notaris (productie 29 bij CvAR), die blijkens de daarin opgenomen omschrijvingen zien op "het opmaken van verklaringen van aanvaarding met volmacht, het opvragen van informatie en het voeren van besprekingen en correspondentie, alles met bijbehorende werkzaamheden" en "kosten voor inzage diverse registers" en "het voeren van overleg en correspondentie met de Rabobank i.v.m. interne overboeking".

5.29.

[B] betwist dat aan [A] nog de huur ad € 421,55 voor de maand juli 2011 toekomt. Tevens betwist hij dat vader de opgevoerde bedragen voor Essent en Nuon na zijn overlijden verschuldigd was. De notariskosten ad € 502,15 mogen tot slot niet voor rekening van [B] komen, waartoe hij verwijst naar een door hem op 4 juli 2015 geschreven brief aan de notaris (productie 12 bij CvA/CvE) waarin onder meer "PS: mocht mijn broer u opdrachten geven dan is dit voor zijn eigen rekening" staat.

5.30.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Niet weersproken is dat de huur van de door vader bewoonde woning in de maand juli 2011 nog niet geëindigd was. De door [A] voorgeschoten huur en energiekosten over de maand juli 2011 zijn dus aan te merken als vereffeningskosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub c BW. Voor wat betreft de door [A] en [C] voorgeschoten notariskosten, blijkt uit de omschrijvingen in de declaraties van 15 september 2015 en 1 juli 2016 dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van vader. Ook de notariskosten zijn dus aan te merken als vereffeningskosten. Voor zover [B] bedoeld zou hebben dat hij geen opdrachtgever van de notaris was en daarom niet gehouden is bij te dragen aan de notariskosten, miskent hij daarmee dat vereffeningskosten als schulden van de nalatenschap ten laste van de boedel dienen te worden gebracht. Hetgeen na uitbetaling van de door de erfgenamen voorgeschoten kosten resteert, komt vervolgens voor verdeling in aanmerking.

- De verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder

5.31.

De kantonrechter constateert dat [A] een bevel tot verdeling vordert (ex artikel 3:178 lid 1 BW), terwijl [B] een verdeling door de rechter wenst te bewerkstelligen (ex artikel 3:185 lid 1 BW). Nu uit de stellingen van partijen volgt dat er sprake is van onenigheid tussen de deelgenoten over de verdeling en niet zozeer van een onwillige deelgenoot, ligt het meer voor de hand om dat op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW tot vaststelling van de verdeling wordt overgegaan.

5.32.

Partijen zijn niet ingegaan op (de samenstelling en de omvang van) de nalatenschap van moeder. De kantonrechter is van oordeel dat dit in het midden kan blijven, omdat partijen thans gezamenlijk - elk voor een derde deel - tot beide nalatenschappen gerechtigd zijn. Met verdeling van hetgeen na het overlijden van vader aan bezittingen en schulden resteert, kan de nalatenschap van moeder - voor zover die daarbij zou zijn inbegrepen - dus eveneens verdeeld worden geacht.

5.33.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor overwogen en beslist is, zal de kantonrechter de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder als volgt bepalen:

- ten laste van de hiervoor onder rov. 2.7 genoemde bank- en spaarrekening zullen de hiervoor onder rov. 2.9 genoemde voorgeschoten kosten als volgt worden vergoed:

- aan [A] : € 2.141,50

- aan [B] : € 1.737,29

- aan [C] : € 2.715,11

- het hierna resterende saldo van de bank- en spaarrekening zal worden verdeeld overeenkomstig ieders gerechtigdheid tot de nalatenschappen, namelijk elk 1/3e deel, en wel door overmaking daarvan naar de door iedere partij aan te geven bankrekening;

- de hiervoor onder rov. 2.8 genoemde auto wordt aan [A] toegedeeld tegen een waarde van nihil.

De kosten

5.34.

De door [A] in conventie gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. Nu er in conventie er geen sprake is van vorderingen die gericht zijn op voldoening van een vordering van [A] op [B] , is er geen ruimte voor toewijzing van een dergelijke schadevergoeding.

5.35.

In de familierelatie tussen partijen ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten (zowel in conventie als in reconventie) te compenseren, op de wijze zoals hierna zal worden beslist.

6 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie

6.1.

stelt de verdeling van de nalatenschap vast zoals hiervoor onder 5.33 is bepaald;

6.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.3.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

752