Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:734

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
LEE 16/3553, 16/3554, 16/4383, 16/4642 en 16/4644
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Evenementen in congrescentrum. Uitleg planvoorschrift en aantal evenementen waarvoor omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Termijnoverschrijding in bezwaar in een van de zaken terecht niet verschoonbaar geacht. Eerste opgelegde preventieve last onder dwangsom onjuist, nu niet voldaan is aan klaarblijkelijkheidscriterium. In zoverre is het beroep gegrond en herroeping van het primaire besluit. Weigering van de omgevingsvergunning voor strijdig gebruik deels gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. Ook in zoverre is het beroep gegrond. Later opgelegde preventieve dwangsom blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/3553, 16/3554, 16/4383, 16/4642 en 16/4644

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2017 in de zaken tussen

[eiseres] gevestigd te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. A.Th. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Boersma).

Procesverloop

Inzake 16/3553

Bij besluit van 8 februari 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor strijdig gebruik van het [gebouw] ten behoeve van het organiseren van Werkvloer 2016 op 14 april 2016.

Bij (afzonderlijk) besluit van 22 juli 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 november 2016 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake 16/3554

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor strijdig gebruik van het [gebouw] voor het houden van het honderdjarig jubileum van Crescendo op 23 april 2016.

Bij (afzonderlijk) besluit van 22 juli 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake 16/4383

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eiseres een dwangsom van € 10.000,-- verbeurt voor ieder door eiseres te organiseren evenement in het [gebouw] dat in strijd komt met het bestemmingsplan “Drachten – Fries Congres & Paardencentrum”, na de verzenddatum van dit besluit, met een maximum van € 30.000,--.

Bij (afzonderlijk) besluit van 4 november 2016 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake 16/4642

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het primaire besluit IV) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoekster een dwangsom van € 10.000,-- ineens verbeurt, indien zij zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan het evenement de miniatuurbeurs doorgang laat vinden op

8 oktober 2016 in het [gebouw].

Bij (afzonderlijk) besluit van 4 november 2016 (het bestreden besluit IV) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit IV beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake 16/4644

Bij (afzonderlijke) besluiten van 22 september 2016 (de primaire besluiten V) heeft verweerder de aanvragen van eiseres om een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik voor wat betreft het organiseren van een miniatuurbeurs, een occasionshow en een brocante markt in het [gebouw] afgewezen.

Bij (afzonderlijk) besluit van 4 november 2016 (het bestreden besluit V) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit V beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 21 december 2016.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [eiseres]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, O. Cleveringa en

E. Gommers.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Inzake 16/3553

1.1.

Bij besluit van 14 januari 2011 heeft verweerder, ter herziening van het bestemmingsplan “Paardensportcentrum” een projectbesluit genomen getiteld “Evenementen- en horecaregeling Paardensportcentrum”. Met dit besluit is de aard van enerzijds het in voormeld artikel 3, lid A1, aanhef en onder b, toegelaten horecagebruik en anderzijds de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik is vereist, als bedoeld in voormeld artikellid, aanhef en onder c, in samenhang bezien met artikel 3, lid C, aanhef en onder a, verruimd. Op de gronden waar de bestemming “Zelfstandige horeca toegestaan” rust, zijn blijkens het projectbesluit niet meer uitsluitend toegestaan congressen, symposia, vergaderingen, workshops en seminars, recepties, bruiloften en personeelsfeesten. Deze vormen van toegelaten horecagebruik zijn in het projectbesluit, anders dan in de planvoorschriften van het bestemmingsplan, aangeduid als voorbeelden, waarbij is vermeld dat gebruik ten behoeve van een discotheek of dancing blijft uitgesloten. De activiteiten waaraan, mits aan de in het projectbesluit gestelde voorwaarden is voldaan, thans onder verlening van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik, maximaal twaalf keer per jaar wordt meegewerkt, betreffen thans evenementen.

1.2.

De raad van de gemeente Smallingerland (hierna: de raad) heeft bij besluit van

29 september 2015 het bestemmingsplan “Drachten – Fries Congres & Paardensportcentrum” (gewijzigd) vastgesteld.

1.3.

Eiseres heeft op 29 januari 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het organiseren van Werkvloer 2016 op 14 april 2016 in het [gebouw] bij verweerder ingediend.

1.4.

Bij primair besluit I van 8 februari 2016 heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor strijdig gebruik van het [gebouw] ten behoeve van het organiseren van Werkvloer 2016 op 14 april 2016.

1.5.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 april 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiseres heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een hoorzitting van 6 juli 2016. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.6.

Bij het (afzonderlijke) bestreden besluit I van 22 juli 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 4 november 2016 heeft verweerder het (afzonderlijke) bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding.

1.8.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

Inzake 16/3554

1.9.

Eiseres heeft op 18 april 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van de viering van het honderdjarig bestaan van Crescendo op 23 april 2016 bij verweerder ingediend.

1.10.

Bij primair besluit II van 20 april 2016 heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor strijdig gebruik van het [gebouw] ten behoeve van de viering van het honderdjarig bestaan van Crescendo op 23 april 2016 bij verweerder ingediend.

1.11.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 17 mei 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiseres heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een hoorzitting van 6 juli 2016. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.12.

Bij het (afzonderlijke) bestreden besluit II van 22 juli 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Inzake 16/4383 en 16/4642

1.13.

Verweerder heeft verzoekster bij brief van 27 juli 2016 medegedeeld voornemens te zijn om handhavend op te treden.

Verder heeft verweerder met deze brief verzoekster in de gelegenheid gesteld om voor 15 augustus 2016 een zienswijze bij verweerder in te dienen.

1.14.

Verzoekster heeft op 4 augustus 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het evenement de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] bij verweerder ingediend.

1.15.

Verzoekster heeft bij brief van 22 augustus 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend met betrekking tot voormeld voornemen.

1.16.

Verweerder heeft bij besluit van 22 september 2016 de aanvraag om omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het evenement de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] te Drachten afgewezen.

1.17.

Naar aanleiding van een telefonische mededeling van eiseres dat zij het evenement de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 willen laten doorgaan, heeft verweerder bij het primaire besluit III van 6 oktober 2016 een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd. De last houdt in dat verzoekster een dwangsom van € 10.000,-- ineens verbeurt, indien zij zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan het evenement de miniatuurbeurs doorgang laat vinden op 8 oktober 2016 in het [gebouw].

1.18.

Eiseres heeft bij brief van 7 oktober 2016 tegen dit besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft eiseres op 7 oktober 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening heeft het procedurenummer LEE 16/3932.

1.19.

Bij uitspraak van 7 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

1.20.

Verweerder heeft geconstateerd dat het evenement de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] heeft plaatsgevonden zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik.

1.21.

Bij primair besluit IV van 13 oktober 2016 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eiseres een dwangsom van € 10.000,-- verbeurt voor ieder door eiseres te organiseren evenement in het FCD dat in strijd komt met het bestemmingsplan “Drachten – Fries Congres & Paardencentrum”, na de verzenddatum van dit besluit, met een maximum van € 30.000,--.

1.22.

Eiseres heeft bij brief van 20 oktober 2016 tegen dit besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft eiseres op 20 oktober 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening heeft het procedurenummer LEE 16/4069.

1.23.

Bij (afzonderlijk) bestreden besluit III van 4 november 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

1.24.

Naar aanleiding van de ter zitting van 11 november 2016 gemaakte afspraken heeft eiseres het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Inzake 16/4644

1.25.

Eiseres heeft op 4 augustus 2016 een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het evenement de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] bij verweerder ingediend.

Eiseres heeft op 4 augustus 2016 een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het houden van een occasionshow op 27, 28 en 29 oktober 2016 in het [gebouw] bij verweerder ingediend.

Eiseres heeft op 4 augustus 2016 een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het evenement de brocante markt op 19 november en 20 november 2016 in het [gebouw] bij verweerder ingediend.

1.26.

Bij de (afzonderlijke) primaire besluiten V van 22 september 2016 heeft verweerder de aanvragen van eiseres om een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik voor wat betreft het organiseren van een miniatuurbeurs, een occasionshow en een brocante markt in het [gebouw] afgewezen.

1.27.

Eiseres heeft bij brief van 20 oktober 2016 tegen die besluiten een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

1.28.

Bij (afzonderlijk) bestreden besluit V van 4 november 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12 van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;

2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen; of,

3. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.1.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.2.

Ingevolge artikel 5:7 van de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Awb strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.3.

Aan het perceel is ingevolge het bestemmingsplan “Drachten – Fries Congres & Paardensportcentrum” de bestemming “Gemengd – Paardensportcentrum” toegekend.

Ingevolge artikel 1.23 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt onder horecabedrijf verstaan: een bedrijf of instelling dat is gericht op het ter plaatse bereiden en/of nuttigen van voedsel en dranken en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt en/of van zaalaccommodatie, waarbij de zaalaccommodatie ondersteunend is aan het horecagebruik.

Ingevolge artikel 1.31 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt onder paardensportcentrum verstaan: een bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden, alsmede het uitoefenen van de paardensport.

Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Gemengd – Paardensportcentrum” aangewezen gronden bestemd voor:

a. activiteiten gericht op het instandhouden, fokken en houden van paarden en andere op de hippische sport gerichte activiteiten, en de daarbij ondersteunende activiteiten, zoals:

1. horecafaciliteiten tot ten hoogste 400 m² bedrijfsvloeroppervlak (b.v.o);

2. verblijfsruimten tot ten hoogste 310 m² b.v.o.;

3. kantoren tot ten hoogste 620 m² b.v.o;

b. evenement gerelateerd aan de hippische sport;

c. een evenementenhal tot ten hoogste 5.100 m² b.v.o.;

d. praktijkonderwijs gerelateerd aan de hippische sport;

e. horecadoeleinden, gericht op het bereiden en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken, het exploiteren van een hotel met ten hoogste 12 kamers, het exploiteren van zaalaccommodaties en/of het organiseren van activiteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “horeca”, tot ten hoogste 4.100 m²;

f. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”;

g. een evenemententerrein met bijbehorende tribunes, ter plaatse van de aanduiding “evenemententerrein”;

h. (…).

Ingevolge artikel 3.4.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor prostitutiedoeleinden, een seksinrichting, een dancing, een discotheek of een evenement niet gerelateerd aan de hippische sport.

Ingevolge artikel 3.5 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.2 ten behoeve van een éénmalig incidenteel nevengebruik in de vorm van een evenement niet gerelateerd aan de hippische sport, mits:

a. de duur van een individuele activiteit beperkt is tot ten hoogste drie aaneengesloten dagen, exclusief de op- en afbouw van het evenement;

b. de activiteit niet zal leiden tot onevenredige verkeershinder voor omwonenden;

c. de activiteit in overeenstemming is met het bepaalde in of krachtens de Wet milieubeheer (Wm) en de Wabo,

met dien verstande dat de afwijkingsbevoegdheid ten hoogste 12 keer per kalenderjaar kan worden toegepast.

Overwegingen

Inzake 16/3553

3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij besluit van 4 november 2016 het bestreden besluit I van 22 juli 2016 heeft ingetrokken. Niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep, voor zover dit gericht is tegen het bestreden besluit I van 22 juli 2016. In zoverre is het beroep van eiseres niet-ontvankelijk. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 992,-- wegens professioneel verleende rechtsbijstand.

3.1.

Aangezien verweerder bij het besluit van 4 november 2016 niet tegemoet is gekomen aan de beroepsgronden van eiseres, heeft het beroep van eiseres ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op dit besluit.

3.2.

Beoordeeld dient te worden of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

3.3.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 8 februari 2016 aan eiseres een omgevingsvergunning strijdig gebruik voor het houden van Werkvloer 2016 op 14 april 2016 in het [gebouw] heeft verleend. Nu het een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit betreft, dient dit ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Het primaire besluit I van 8 februari 2016 is op 8 februari 2016 aan eiseres toegezonden. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb ving de wettelijke bezwaartermijn aan op 9 februari 2016 en eindigde deze op 21 maart 2016.

3.5.

De rechtbank stelt verder vast dat het door eiseres op 20 april 2016 gedateerde bezwaarschrift blijkens de daarop aangebrachte stempel door verweerder op 16 juni 2016 is ontvangen. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift van eiseres buiten de wettelijke termijn bij verweerder is ingediend. Niet gebleken is van omstandigheden die er voor eiseres aan in de weg hebben gestaan om in dit geval tijdig bezwaar te maken. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover eiseres ter zitting betoogt dat verweerder haar bezwaarschrift als een verzoek om intrekking van de verleende omgevingsvergunning diende te beschouwen, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de inhoud en de strekking van de op 20 april 2016 gedateerde brief van eiseres, dit schrijven terecht aangemerkt als een bezwaarschrift. Geen rechtsregel verplichtte verweerder om voormeld schrijven van eiseres (mede) als een verzoek om intrekking van de verleende omgevingsvergunning te beschouwen. Dit betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres in dit geval niet kan worden toegekomen. Deze grond van eiseres slaagt niet.

Inzake 16/3554

4. Beoordeeld dient te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres voor de jubileumviering van Crescendo in het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig heeft. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in een aankondiging van voormelde activiteit in de Drachtster Courant is aangegeven dat de band Diep Triest de hoofdact van de avond is. Daarbij wordt Diep Triest begeleid door het A-orkest van Crescendo. Diep Triest speelt ook in het voorprogramma en de after-party, waarbij de band wordt begeleid door het B- en C-orkest van Crescendo. Voor de avond zijn kaarten te koop bij enkele zaken in Drachten. Naar de mening van verweerder is deze activiteit niet gericht op het nuttigen van voedsel en dranken en is daaraan ook niet ondersteunend. Volgens een verweerder is het een op zichzelf staande activiteit, waarbij het publiek komt voor Diep Triest en Crescendo. In de visie van verweerder kan deze activiteit niet gelijk worden gesteld met een congres of symposium.

4.2.

Eiseres betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de jubileumviering van Crescendo in strijd is met artikel 3.1 van het bestemmingsplan “Gemengd – Paardensportcentrum” . In dit verband wijst eiseres erop dat gedurende feestavond het A-, B- en C-orkest van Crescendo de zanger van Diep Triest hebben begeleid. Naar de mening van eiseres onderscheidt deze bijeenkomst zich niet van een feestavond (jubileum of personeelsfeest), waarbij een act wordt ingehuurd om de avond luister bij te zetten. Eiseres wijst erop dat tijdens deze feestavond het element muziek een relatief grote rol had, hetgeen niet verwonderlijk is nu het een jubileumviering van een muziekvereniging betrof. De avond was georganiseerd door Crescendo voor leden en oud-leden van Crescendo en hun naaste familie.

4.3.1.

De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 3.1, onder e, van de planvoorschriften bedoelde bestemmingsomschrijving “horecadoeleinden” niet gedefinieerd is in de begripsbepalingen van voormeld bestemmingsplan. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat voor de invulling van de bestemmingsomschrijving “horecadoeleinden” aansluiting kan worden gezocht bij de in artikel 1.23 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan neergelegde definitie van “horecabedrijf”, aangezien het in de bestemmingsomschrijving gaat om het ruimere begrip “horecadoeleinden”. De door verweerder voorgestane invulling van de bestemmingsomschrijving “horecadoeleinden”, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de begripsomschrijving van “horecabedrijf”, leidt naar het oordeel van de rechtbank tot een te beperkte uitleg van voormelde bestemmings-omschrijving.

4.3.2.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de jubileumviering van Crescendo heeft plaatsgevonden in een gedeelte van het [gebouw], waarop de zelfstandige horecabestemming rust, zodat dit evenement niet gerelateerd hoeft te aan de hippische sport. Naar het oordeel van de rechtbank is de bestemmingsomschrijving “horecadoeleinden”, als bedoeld in artikel 3.1, onder e, van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan voldoende duidelijk. Nu in deze bestemmingsomschrijving tevens is opgenomen het exploiteren van zaalaccommodatie, past de organisatie van de jubileumviering van Crescendo in het [gebouw] naar het oordeel van de rechtbank in zoverre binnen het bestemmingsplan. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de specifieke gebruiksregel, als bedoeld in planvoorschrift 3.4.1 van dit bestemmingsplan, nog niet komen vast te staan dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de jubileumviering van Crescendo in het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Uit de gebruiksregel volgt immers niet dat alle te organiseren activiteiten in het gedeelte van het [gebouw], waarop de zelfstandige horeca-bestemming rust, strijdig zijn met dit bestemmingsplan, maar wel evenementen die niet gerelateerd zijn aan de hippische sport. Vervolgens ligt ter beoordeling van de rechtbank de vraag voor of de jubileumviering van Crescendo in het [gebouw] als een evenement in de zin van artikel 3.4.1 van de planvoorschriften dient te worden aangemerkt.

4.3.3.

De rechtbank beantwoordt voormelde vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank overweegt dat de jubileumviering van Crescendo in het [gebouw] niet gerelateerd is aan de hippische sport, maar dat het in de specifieke gebruiksregel opgenomen begrip evenement niet gedefinieerd is in voormeld bestemmingsplan. Gelet op het ontbreken van een definitie van het begrip evenement in dit bestemmingsplan heeft verweerder verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan, waarin is aangegeven dat in de horecabestemming tevens activiteiten zijn toegestaan die enerzijds een zakelijk karakter hebben, zoals congressen en symposia, en anderzijds activiteiten die (tevens) besloten van karakter zijn, zoals bruiloften en personeelsfeesten. Gelet op het ontbreken van een definitie van het begrip evenement in het bestemmingsplan en de daardoor ontstane onduidelijkheid voor wat betreft de uitleg van het begrip evenement in de specifieke gebruiksregels, heeft verweerder ter invulling van dit begrip naar het oordeel van de rechtbank aansluiting kunnen zoeken bij de toelichting van het bestemmingsplan. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aan de hand van de toelichting van dit bestemmingsplan nader toegelicht dat als referentiekader de evenementen in de evenementenhal door verweerder worden gehanteerd. Dit houdt volgens de gemachtigde van verweerder in dat eiseres een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig heeft voor het organiseren van evenementen in het gedeelte van het [gebouw], waarop de zelfstandige horecabestemming rust, indien het gaat om een voor het publiek toegankelijk evenement en/of dat er sprake is van kaartverkoop. De door verweerder gegeven invulling van het begrip evenement en de daaraan gegeven uitleg acht de rechtbank in dit geval niet onjuist.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat voor de jubileumviering van Crescendo in het zelfstandige horeca-gedeelte een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op het verhandelde ter zitting, is komen vast te staan dat de toegang tot de jubileumviering van Crescendo niet beperkt is gebleven tot een beperkte, specifieke doelgroep en er sprake was van kaartverkoop in Drachten voor deze jubileumviering. Deze grond van eiseres slaagt niet.

Inzake 16/4383

5. Beoordeeld dient te worden of verweerder terecht een preventieve last onder dwangsom heeft opgelegd aan eiseres in verband met het door laten gaan van de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning strijdig gebruik. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit telefonische mededelingen namens eiseres duidelijk is geworden dat de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 in het [gebouw] doorgang zou vinden ondanks het ontbreken van de daartoe vereiste omgevingsvergunning strijdig gebruik. Naar de mening van verweerder past het organiseren van een miniatuurbeurs niet binnen planvoorschrift 3.1 van voormeld bestemmingsplan. Daarnaast wijst verweerder erop dat in zijn visie in 2016 in het [gebouw] al 13 omgevings-vergunningplichtige activiteiten hebben plaatsgevonden, terwijl ingevolge artikel 3.5 van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan maximaal 12 ontheffingen per jaar worden verleend.

5.2.

Eiseres betwist dat er sprake is van een overtreding van planvoorschrift 3.1 van voormeld bestemmingsplan, nu het organiseren van een miniatuurbeurs past binnen de bestemming. Verder wijst eiseres erop dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt stelt dat er in 2016 in het [gebouw] al 13 omgevingsvergunningplichtige activiteiten hebben plaatsgevonden. In de visie van eiseres hebben er in 2016 slechts zeven omgevings-vergunningplichtige activiteiten in het [gebouw] plaatsgevonden, zodat er van een dreigende overtreding van het bestemmingsplan in dit geval geen sprake is. Hieruit volgt naar de mening van eiseres dat verweerder niet bevoegd was om een preventieve last onder dwangsom op te leggen.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat in 2016 buiten het horecagedeelte van het [gebouw] zeven evenementen hebben plaatsgevonden die niet gerelateerd zijn aan de hippische sport. Voor die evenementen is een omgevingsvergunning strijdig gebruik aangevraagd en verkregen. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder zich, gelet op de rechtsoverwegingen 3.5. en 4.4., terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de organisatie van de jubileumviering van Crescendo en Werkvloer 2016 in het zelfstandige horecagedeelte van het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik vereist was. Hieruit volgt dat er in 2016 in ieder geval negen omgevingsvergunning- plichtige activiteiten in het [gebouw] hebben plaatsgevonden.

5.4.

Tussen partijen is in geschil of voor de navolgende evenementen in het zelfstandige horecagedeelte van het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik vereist is:

- verzamelbeurs (19 maart 2016) en poppenhuisbeurs (21 mei 2016);

- missverkiezing (3 april 2016);

- Sawahasa (9 juni 2016).

Het komt de rechtbank aangewezen voor om voormelde evenementen afzonderlijk te beoordelen in het licht van het in rechtsoverweging 4.3.3. weergegeven beoordelingskader.

Ten aanzien van de verzamelbeurs en poppenhuisbeurs

5.4.1.

Eiseres betoogt dat al zeker zes jaar door het evenementenbureau WB Evenementen verschillende soorten verzamelbeurzen worden georganiseerd in het horecagedeelte van het [gebouw]. Dit jaar waren dat een Algemene verzamelbeurs op 19 maart 2016 en een Poppenhuisbeurs op 21 mei 2016. Volgens eiseres heeft verweerder zich nog nooit op het standpunt gesteld dat voor deze activiteiten een omgevingsvergunning strijdig gebruik vereist zou zijn. Het zakelijk karakter van deze bijeenkomsten is evident. De activiteiten

worden georganiseerd door een zakelijke partij: een professionele organisator van verzamelbeurzen met een winstoogmerk. Op de beurs staan professionele standhouders die de organisator daarvoor een vergoeding betalen. Er wordt entree geheven en tijdens de beurs komen transacties tot stand tussen standhouders en bezoekers.

5.4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het zakelijke karakter van de beide beurzen niet kan worden afgeleid uit het gegeven dat over en weer een vergoeding wordt betaald. De zakelijkheid van een congres en seminar is naar de mening van verweerder van een geheel andere aard. Daarbij gaat het niet om het betalen van vergoedingen over en weer, maar over de inhoud van de activiteit. Verder wijst verweerder erop dat in beginsel een ieder de algemene verzamelbeurs en de poppenhuisbeurs kan bezoeken.

5.4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het organiseren van de verzamelbeurs en de poppenhuisbeurs in het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het in beide gevallen gaat om beurzen die voor het publiek toegankelijk zijn en derhalve niet gericht zijn op een beperkte, specifieke doelgroep. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verweerder terecht in aanmerking heeft genomen dat het zakelijke karakter van de beide beurzen niet kan worden afgeleid uit het gegeven dat over en weer een vergoeding wordt betaald. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.

Ten aanzien van de missverkiezing

5.5.1.

Eiseres wijst erop dat op 3 april 2016 in het horecagedeelte van het [gebouw] de verkiezing van Miss Beauty Friesland, één van de voorronden van de Miss Beauty of The Netherlands-verkiezing, plaatsvond. Eiseres betoogt dat dit een bijeenkomst is met een besloten karakter. Alle kandidaat-missen hebben de opdracht om ten minste 25 sympathisanten mee te nemen naar de verkiezing. In de praktijk wordt het evenement niet bezocht door anderen dan de aanhangers van de verschillende kandidaat-missen. Verder wijst eiseres erop dat dit evenement al 3-4 jaar in het [gebouw] wordt gehouden zonder dat daar ooit een omgevings-vergunning strijdig gebruik voor aangevraagd diende te worden.

5.5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de missverkiezing niet een besloten karakter heeft, omdat een duurzame relatie ontbreekt en de activiteit niet te vergelijken is met een bruiloft of een symposium. Volgens verweerder hebben de mensen geen vergelijkbare achtergrond. Men komt mee als sympathisant van die ene miss. Er is in de visie van verweerder geen relatie met de andere missen of sympathisanten. Naar de mening van verweerder is dat anders als het om een symposium voor tandartsen gaat.

5.5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor het organiseren van de missverkiezing in het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Gelet op de nadere toelichting ter zitting van de gemachtigde van eiseres en de gedingstukken neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat dit evenement zich richt op een beperkte, specifieke groep en niet voor het publiek in het algemeen toegankelijk is of bezocht wordt. Onder die omstandigheden past de organisatie van de missverkiezing naar het oordeel van de rechtbank onder de reikwijdte van de bestemmingsomschrijving, als bedoeld in artikel 3.1, onder e, van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan.

Ten aanzien van Sawahasa

5.6.1.

Eiseres merkt op dat Sawahasa een groothandel is in fairtrade-producten. Sawahasa trekt een aantal malen per jaar het land in om haar aanbod van fairtrade-producten onder de aandacht te brengen van inkopers van wereldwinkels in de regio. Deze bijeenkomsten bestaan erin dat Sawahasa een zaal huurt, waarin zij haar producten uitstalt en vervolgens inkopers van wereldwinkels ontvangt. Naar de mening van eiseres is het zakelijk karakter van deze bijeenkomsten evident: groothandel huurt een zaal en nodigt haar klanten uit om kennis te maken met de door haar gevoerde producten met de bedoeling orders in de wacht te slepen. Deze bijeenkomsten worden al ten minste negen jaar twee keer per jaar zonder omgevingsvergunning strijdig gebruik in het [gebouw] georganiseerd. Nog nooit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor deze activiteiten een omgevingsvergunning vereist zou zijn.

5.6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat Sawahasa een zakelijke activiteit is, maar naar zijn aard niet vergelijkbaar is met een congres of symposium. In dit verband wijst verweerder erop dat dit een beurs betreft waar wereldwinkels hun producten in kunnen kopen. In de visie van verweerder hebben beurzen een wezenlijk ander karakter en is al in het bestemmingsplan “Paardensportcentrum 2005” aangegeven, dat beurzen, bedrijfspresentaties en tentoonstellingen slechts met vrijstelling (thans: omgevings-vergunning) kunnen worden georganiseerd.

5.6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor het organiseren van Sawahasa in het FCD een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Gelet op de nadere toelichting ter zitting van de gemachtigde van eiseres en de gedingstukken neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat dit evenement zich richt op een beperkte, specifieke groep en niet voor het publiek in het algemeen toegankelijk is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het gaat om een zeer kleinschalige activiteit, waarbij één organisator, tevens enige exposant een beperkte groep van inkopers gedurende maximaal een uur of drie ontvangt. Onder die omstandigheden past de organisatie van Sawahasa naar het oordeel van de rechtbank onder de reikwijdte van de bestemmingsomschrijving, als bedoeld in artikel 3.1, onder e, van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan.

5.7.

Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat ten tijde van het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning strijdig gebruik voor het organiseren van de miniatuurbeurs er 11 omgevingsvergunningplichtige evenementen in het [gebouw] in 2016 hebben plaatsgevonden. Dit brengt met zich dat het door verweerder bij het bestreden besluit III gehandhaafde primaire besluit van 22 september 2016 op een ondeugdelijke grondslag berust, nu daarin wordt aangegeven dat er in 2016 in het [gebouw] reeds 12 evenementen, waarvoor een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is, hebben plaatsgevonden. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit III in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

5.8.1.

De rechtbank overweegt dat in artikel 5:7 van de Awb is bepaald dat een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. In de jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BU8881, is dat zo uitgelegd dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom slechts kan worden genomen als sprake is van dreigend gevaar dat een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Om bevoegdelijk een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:7 van de Awb op te kunnen leggen, zal aan dat criterium moeten zijn voldaan. De rechtbank overweegt voorts dat voor de beoordeling van het bestreden besluit verder van belang is dat uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb volgt dat dit dient te berusten op een concrete en volledige afweging van alle betrokken belangen. Dit impliceert enerzijds dat de overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid ten aanzien van handhavingsbesluiten is vereist (vgl. AbRvS, 22 augustus 2001, ECLI:NL:RVS:2001:6918). Anderzijds betekent het, dat de beslissing tot het opleggen van een last moet berusten op een deugdelijke belangenafweging en dat alle relevante belangen daarin worden meegewogen.

5.8.2.

Uit rechtsoverweging 5.7. volgt dat ten tijde van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom in het [gebouw] in het jaar 2016 nog geen 12 omgevingsvergunningplichtige evenementen hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat verweerder zich ten tijde van het besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een dreigend gevaar dat een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid plaats zal vinden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ten tijde van het besluit tot het opleggen van de preventieve last onder dwangsom niet gebleken is van een dreigende overtreding van artikel 3.5. van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan, waarop dit besluit van verweerder gebaseerd is. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit III in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aangezien dit gebrek ook kleeft aan het primaire besluit III van 6 oktober 2016 van verweerder, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door voormeld besluit van verweerder te herroepen.

Inzake 16/4644

6. Beoordeeld dient te worden of verweerder de omgevingsvergunningen strijdig gebruik heeft kunnen weigeren voor wat betreft de activiteiten de miniatuurbeurs, een occasionshow en een brocante markt in het FCD. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

6.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanvragen om omgevingsvergunning zijn geweigerd, omdat op dat moment inmiddels 13 omgevings- vergunningplichtige evenementen waren georganiseerd in het [gebouw]. In dit verband wijst verweerder erop dat voor 9 evenementen een omgevingsvergunning strijdig gebruik was verleend, terwijl daarnaast 4 evenementen waren georganiseerd die wel vergunningplichtig waren, maar waarvoor geen omgevingsvergunning is aangevraagd. Naar de mening van verweerder zou het verlenen van medewerking met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in strijd zijn met de beleidslijn die in het bestemmingsplan (planvoorschrift 3.5) is vastgelegd. In de visie van verweerder leidt een verruiming van meer 12 incidentele activiteiten tot een structurele gebruiksverruiming die zich niet verdraagt met de bestemming, het beoogde gebruik en de afspraken met de omgeving.

6.2.

Eiseres betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het plafond van 12 omgevingsvergunningen strijdig gebruik reeds was overschreden. In dit verband wijst eiseres erop dat de vier evenementen waarvoor zij geen omgevingsvergunning strijdig gebruik heeft aangevraagd, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan en om die reden ten onrechte in de optelsom van verweerder zijn betrokken. Daarbij gaat het achtereenvolgens om de algemene verzamelbeurs, een poppenbeurs, een missverkiezing en de sawahasa-presentatie.

6.3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning strijdig gebruik voor wat betreft het organiseren van de miniatuurbeurs in het [gebouw] een ondeugdelijke motivering ten grondslag gelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning pas 11 omgevings- vergunningplichtige activiteiten zijn georganiseerd in het [gebouw]. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit V in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

6.3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich overigens terecht op het standpunt gesteld dat voor het organiseren van de miniatuurbeurs in het [gebouw] een omgevings-vergunning strijdig gebruik nodig is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een beurs die voor het publiek toegankelijk is en derhalve niet gericht is op een beperkte, specifieke doelgroep. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verweerder terecht in aanmerking heeft genomen dat het zakelijke karakter van de miniatuurbeurs niet kan worden afgeleid uit het gegeven dat over en weer een vergoeding wordt betaald. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.

6.4.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat eiser voor het organiseren van de brocante markt een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig heeft. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het organiseren van een occasionshow in het [gebouw] een omgevingsvergunning strijdig gebruik nodig is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een beurs die voor het publiek toegankelijk is en derhalve niet gericht is op een beperkte, specifieke doelgroep. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6.3.2. is overwogen, volgt hieruit dat verweerder zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat in zoverre het maximaal aantal omgevingsvergunningen strijdig gebruik reeds was verleend.

6.5.1.

Voor zover eiseres betoogt dat er in dit geval sprake is van een concreet zicht op legalisatie, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014: 3575, volgt dat, indien sprake is van een activiteit die strijdig is met het bestemmingsplan, in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:2657, dient te worden afgeleid dat het voorgaande anders kan zijn, indien op voorhand geconcludeerd moet worden dat het standpunt van verweerder rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd.

6.5.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder gemotiveerd is ingegaan op de stellingen van eiseres voor wat betreft het aantal georganiseerde en te organiseren omgevings-vergunningplichtige activiteiten in het [gebouw]. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er voor de evenementen de occasionshow en de brocante markt geen omgevingsvergunning strijdig gebruik kan worden ontleend, aangezien het in artikel 3.5 van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan voorgeschreven maximum van 12 evenementen in 2016 is overschreden. Verder heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het verlenen van medewerking met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor in strijd is met de beleidslijn die in het bestemmingsplan (plan-voorschrift 3.5) is vastgelegd. In de visie van verweerder leidt een verruiming van meer 12 incidentele activiteiten tot een structurele gebruiksverruiming die zich niet verdraagt met de bestemming, het beoogde gebruik en de afspraken met de omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet geconcludeerd worden dat het door verweerder ingenomen standpunt op voorhand als rechtens onhoudbaar moet worden aangemerkt en dat de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.

Inzake 16/4642

7. Beoordeeld dient te worden of verweerder terecht een last onder dwangsom aan eiseres heeft opgelegd. De last houdt in dat eiseres een dwangsom van € 10.000,-- verbeurt voor ieder door eiseres te organiseren evenement in het [gebouw] dat in strijd komt met het bestemmingsplan “Drachten – Fries Congres & Paardencentrum”, na de verzenddatum van dit besluit, met een maximum van € 30.000,--.

7.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit artikel 3.5. van de planvoorschriften van het bestemmingsplan volgt dat maximaal twaalf keer per jaar een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van activiteiten in het [gebouw] zal worden verleend. Naar de mening van verweerder heeft eiseres dat aantal in 2016 reeds overschreden.

7.2.

Eiseres betwist dat het maximum aantal beschikbare omgevingsvergunningen strijdig gebruik in dit geval nog is bereikt en dat er om die reden geen sprake is van een dreigende overtreding van het bestemmingsplan.

7.3.

De rechtbank overweegt dat in artikel 5:7 van de Awb is bepaald dat een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. In de jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BU8881, is dat zo uitgelegd dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom slechts kan worden genomen als sprake is van dreigend gevaar dat een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Om bevoegdelijk een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:7 van de Awb op te kunnen leggen, zal aan dat criterium moeten zijn voldaan. De rechtbank overweegt voorts dat voor de beoordeling van het bestreden besluit verder van belang is dat uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb volgt dat dit dient te berusten op een concrete en volledige afweging van alle betrokken belangen. Dit impliceert enerzijds dat de overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid ten aanzien van handhavingsbesluiten is vereist (vgl. AbRvS, 22 augustus 2001, ECLI:NL:RVS:2001:6918). Anderzijds betekent het, dat de beslissing tot het opleggen van een last moet berusten op een deugdelijke belangenafweging en dat alle relevante belangen daarin worden meegewogen.

7.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten tijde van de oplegging van de preventieve last onder dwangsom aan eiseres reeds afwijzend had besloten op de aanvragen om omgevingsvergunning strijdig gebruik voor de evenementen de miniatuurbeurs, de occasionshow en de brocante markt in het [gebouw]. Hoewel uit rechtsoverweging 6.3.1. volgt dat verweerder voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning strijdig gebruik voor het organiseren van de miniatuurbeurs in het [gebouw] op een ondeugdelijke motivering berust, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verweerder in dit geval niet bevoegd was om een preventieve last onder dwangsom op te leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 6.4., verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in zoverre het maximaal aantal omgevings-vergunningen strijdig gebruik reeds was verleend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het na bezwaar gehandhaafde besluit de conclusie rechtvaardigden dat het voorschrift waarop de last betrekking heeft met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou worden overtreden. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres, ondanks de afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning strijdig gebruik voor de organisatie van de miniatuurbeurs en de eerder opgelegde preventieve last onder dwangsom, er bewust voor gekozen heeft om de miniatuurbeurs op 8 oktober 2016 door te laten gaan in het [gebouw]. In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.

7.5.

Verzoekster betoogt dat de hoogte van de dwangsom in dit geval niet is afgestemd op de ernst van de overtreding.

7.6.

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar het ‘Toezicht- en Handhavingsbeleid Wabo 2012 – 2016” (hierna: het handhavingsbeleid), op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom in dit geval afgestemd is op de ernst van de overtreding en het beleid.

7.7.

Verweerder heeft op 27 maart 2012 het handhavingsbeleid vastgesteld.

In bijlage 3 ‘lijst dwangsommen’, behorend bij het handhavingsbeleid, is met betrekking tot bestemmingsplannen het volgende aangegeven:

- gebruik gebouwen voor bedrijf in strijd met bestemmingsplan of beheersverordening, maximale hoogte dwangsom: € 30.000,--.

7.8.1.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BP7135, dient te worden afgeleid dat de opgelegde dwangsom in een redelijke verhouding dient te staan tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijk voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging.

7.8.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de rechterlijke toets in zoverre terughoudend dient te zijn. De rechtbank overweegt dat een dwangsom tot doel heeft de aangeschrevene tot naleving van de opgelegde last te bewegen. Daarbij mag de dwangsom zo hoog zijn, als naar verwachting nodig is om die naleving daadwerkelijk te bewerkstelligen. Verweerder heeft aangegeven dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom het handhavingsbeleid en de daarbij behorende bijlage 3 ‘lijst dwangsommen’ is betrokken, waarbij rekening is gehouden met onder meer de beoogde werking van de last onder dwangsom. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet heeft onderkend dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot het belang van de beëindiging van de overtreding. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde dwangsom niet onevenredig hoog is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de hoogte van de dwangsom niet behoeft te worden gerelateerd aan de financiële voordelen van de organisatie van de te houden evenementen door eiseres (vgl. AbRvS, 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3978). In zoverre slaagt deze grond van eiseres niet.

8. Aangezien de beroepen (deels) gegrond worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiseres te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op in totaal € 1.980,-- in verband met verleende, professionele rechtshulp. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierechten van € 668,-- aan haar dient te vergoeden.

Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de rechtbank het primaire besluit III van 6 oktober 2016 herroept wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, bestaat er aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15, in samenhang gelezen met artikel 8:75, van de Awb te veroordelen in de kosten van eiseres in bezwaar. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 496,-- in verband met verleende, professionele rechtshulp.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 november 2016, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit III, gegrond en vernietigt dit besluit;

- voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit III van 6 oktober 2016 van verweerder;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit IV, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit V, deels gegrond en vernietigt dit besluit, voor zover het de weigering van de omgevingsvergunning strijdig gebruik voor het organiseren van de miniatuurbeurs in het FCD betreft;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.476,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede de door eiseres betaalde griffierechten van

€ 668,-- aan haar dient te vergoeden.

Deze uitspaak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, mr. E.M. Visser en

mr. H.J. Bastin, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.