Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:733

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
18/830256-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor mishandeling tot een gevangenisstraf

van 17 dagen met aftrek. Daarnaast gelast de rechtbank de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerder

voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830256-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/830338-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 februari 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juli 2016 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 10 juli 2016 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Hoogezand-Sappemeer, [slachtoffer] heeft mishandeld door (met een scherp en/of

puntig voorwerp) in de borst van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden en/of

tegen de borst van die [slachtoffer] te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, als de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wel wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met het standpunt van de officier van justitie verenigd.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht zowel de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, als de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 12 juli 2016, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016198387 d.d. 2 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 10 juli 2016 te [pleegplaats] ,

[slachtoffer] heeft mishandeld door met een scherp en/of

puntig voorwerp tegen de borst van die [slachtoffer] te slaan.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen (met aftrek van voorarrest), waarvan 103 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport d.d. 21 oktober 2016.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die in duur gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan,

de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever met een scherp en/of puntig voorwerp tegen de borst te slaan. Met dit handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat een dergelijk feit het opleggen van een substantiële straf zonder meer rechtvaardigt.

In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Verdachte was zodoende een gewaarschuwd mens, maar dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

De rechtbank heeft daarnaast echter ook nadrukkelijk oog voor het feit dat aangever zich bij de confrontatie die heeft geresulteerd in het onderhavige feit ook niet onbetuigd heeft gelaten. Aangever heeft zich evenmin onttrokken aan de confrontatie of zich op andere wijze constructief of oplossingsgericht opgesteld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd, die gelijk is aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. De rechtbank wijkt daarmee af van de door de officier van justitie geëiste straf omdat zij van oordeel is dat voornoemde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 maart 2015, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan

6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 17 maart 2015.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 16 september 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie voornoemde vordering gewijzigd in die zin dat zij de rechtbank heeft verzocht de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van voornoemde straf, te weten twee maanden, en die twee maanden om te zetten in een taakstraf van in totaal 120 uren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat thans dient te worden volstaan met de verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank in beginsel de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 2 maart 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig de

gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten voor de duur van één maand en deze maand om te zetten in een taakstraf voor de duur van 120 uren. Met betrekking tot de andere maand zal de rechtbank volstaan met de verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14f, 14g en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830338-14:

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van zes maanden, opgelegd bij vonnis van de

meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) d.d. 2 maart

2015, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur

van één maand;

- gelast dat in plaats van deze gevangenisstraf een taakstraf dient te worden verricht, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door één maand hechtenis;

- verlengt de proeftijd voor het overige gedeelte met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.