Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:688

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
LEE 15 /3826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het primaire besluit is aan de medebewoonster van eiser gericht. Hierin is haar huurtoeslag voor het toeslagjaar 2013 definitief vastgesteld op € 0,--. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser door het primaire besluit dat is gericht aan zijn medebewoonster niet rechtstreeks in zijn belangen getroffen en is hij derhalve geen belanghebbende bij dit besluit. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het primaire besluit aan de medebewoonster van eiser is gericht en dat dit besluit uitsluitend het belang van de medebewoonster rechtstreeks raakt. Dat eiser door verweerder als medebewoner is aangemerkt en dat gelet hierop zijn vermogen is meegenomen bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag van zijn medebewoonster, maakt niet dat eiser een rechtstreeks belang heeft bij het primaire besluit. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat verweerder eiser, gelet op artikel 33, tweede lid, van de Awir, hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor het door de medebewoonster van eiser verschuldigde bedrag aan terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag - hetgeen verweerder overigens (nog) niet heeft gedaan - op zich nog niet betekent dat hij een eigen, rechtstreeks belang heeft bij het aan zijn medebewoonster gerichte primaire besluit. Dat besluit behelst immers louter de vaststelling van het bedrag aan huurtoeslag. Een dergelijk besluit treft naar zijn aard alleen de aanvrager rechtstreeks in zijn of haar belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/3826

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. K.H. Arling en L.H.E. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2015 heeft verweerder de huurtoeslag van [medebewoonster] over het jaar 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 0,--. Hierbij heeft verweerder een bedrag van € 3.182,-- (€ 3.087,-- huurtoeslag plus € 95,-- te betalen rente) van [medebewoonster] teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting op 27 juli 2016 gelijktijdig behandeld met het beroep geregistreerd onder het nummer LEE 16/3825. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Bij brief van 29 juli 2016 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat zij aanleiding ziet om het ter zitting gesloten onderzoek te heropenen. Hierbij heeft de rechtbank vragen gesteld aan verweerder.

Bij brief van 22 augustus 2016 heeft verweerder een reactie aan de rechtbank toegezonden. Deze brief is doorgestuurd aan eiser.

Bij brief van 26 september 2016 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat de zaak voor verdere behandeling wordt doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 17 januari 2017. Het beroep is hier gelijktijdig behandeld met het beroep geregistreerd onder het nummer LEE 16/3825. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Vosse en J.L. Linskens.

Overwegingen

Feiten

1. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2012 heeft verweerder aan [medebewoonster] medegedeeld dat haar huurtoeslag voor 2013 € 3.087,-- wordt. Bij voorschotbeschikking van 21 augustus 2013 heeft verweerder aan [medebewoonster] medegedeeld dat haar huurtoeslag voor 2013 € 3.087,-- blijft.

2. Bij besluit van 10 april 2015 heeft verweerder aan [medebewoonster] medegedeeld dat de huurtoeslag over 2013 definitief is berekend en vastgesteld is op € 0,--. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het vermogen van [medebewoonster], haar toeslagpartner of medebewoner, zijnde eiser, meer is dan het heffingsvrije vermogen uit de inkomstenbelasting en dat [medebewoonster] daarom geen recht heeft op huurtoeslag. Tegen dit besluit heeft eiser op 14 mei 2015 bezwaar gemaakt.

Beoordeling van het geschil

3. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat op grond van de vermelding op het aanvraagformulier verweerder ook informatie van eiser aan de aanvrager kan geven. Gelet hierop, zo stelt verweerder, heeft [medebewoonster] niet buiten de toestemming van eiser de beschikking over eisers inkomensgegevens gekregen en heeft verweerder niet onrechtmatig gehandeld jegens eiser. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat de aanvrager op de hoogte dient te zijn van de geldende regels omtrent een toeslag-aanvraag en dat het gegeven dat eiser en [medebewoonster] de voorwaarde met betrekking tot het voordeel uit sparen en beleggen van een medebewoner is ontgaan, hier niet aan af doet. Tenslotte geeft verweerder aan dat aan de definitieve berekening huurtoeslag 2012 geen (verworven) rechten kunnen worden ontleend. Het verzoek om nadeelcompensatie / schadevergoeding wijst verweerder af nu er bij de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2013 is gehandeld conform de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (de Awir) en de Wet op de huurtoeslag.

4. Eiser heeft zich - onder meer en samengevat - op het standpunt gesteld dat verweerder heeft verzuimd om dwingende bepalingen van (internationaal) recht toe te passen, dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, dat het in strijd is met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en dat de 'kennelijke ongegrondheid' van zijn bezwaar de schending van eisers persoonlijke levenssfeer doet voortduren. Hiertoe heeft eiser onder meer aangegeven dat hij niet het gehele aanvraagformulier heeft ondertekend en dat [medebewoonster] en niet hij de huurtoeslag heeft aangevraagd. Eiser heeft, zo geeft hij aan, door ondertekening van het aanvraagformulier slechts aangegeven dat hij huisgenoot is. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij als het ware moreel alimentatieplichtig wordt ten opzichte van zijn huisgenoot, dat dit alles kan leiden tot sociale uitsluiting en dat dit inbreuk maakt op zowel zijn privacy, zijn recht op eigendom en meer in het algemeen op zijn persoonlijke levenssfeer, alsook de privacy, de persoonlijke levenssfeer en menselijke waardigheid van [medebewoonster].

5. De rechtbank dient allereerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het besluit van 10 april 2015, waartegen eiser bezwaar heeft gemaakt, kan worden aangemerkt.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 april 2015, waarin aan [medebewoonster] is medegedeeld dat de aan haar toegekende huurtoeslag voor het toeslagjaar 2013 definitief is vastgesteld op € 0,--. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser ter zitting op 17 januari 2017 heeft verklaard dat hij alleen bezwaar heeft willen maken tegen deze definitieve berekening huurtoeslag voor het toeslagjaar 2013 en derhalve niet tegen de terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag.

7.1

Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser door het besluit van 10 april 2015 niet rechtstreeks in zijn belangen getroffen en is hij derhalve geen belanghebbende bij dit besluit. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

7.2

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

7.3

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, waaronder in de uitspraak van 1 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder het nummer ELCI:NL:RVS:2016:1460, heeft de wetgever deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en dus een rechtsmiddel zou kunnen instellen.

7.4

De rechtbank stelt vast dat [medebewoonster] voor het toeslagjaar 2013 bij verweerder huurtoeslag heeft aangevraagd en dat verweerder bij voorschotbeschikkingen van 28 december 2012 en 21 augustus 2013 aan [medebewoonster] heeft medegedeeld dat haar huurtoeslag voor 2013 € 3.087,-- is respectievelijk blijft. Het besluit van 10 april 2015 - waarin de definitieve berekening huurtoeslag 2013 van [medebewoonster] wordt vastgesteld op nihil - is aan [medebewoonster] gericht en dit besluit raakt, naar het oordeel van de rechtbank, uitsluitend het belang van [medebewoonster] rechtstreeks. Dat eiser door verweerder als medebewoner is aangemerkt en dat gelet hierop zijn vermogen is meegenomen bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag van [medebewoonster], maakt niet dat eiser een rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 10 april 2015. Hierbij overweegt de rechtbank dat het feit dat verweerder eiser, gelet op artikel 33, tweede lid, van de Awir, hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor het door [medebewoonster] verschuldigde bedrag aan terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag - hetgeen verweerder overigens (nog) niet heeft gedaan - op zich nog niet betekent dat hij een eigen, rechtstreeks belang heeft bij het aan [medebewoonster] gerichte besluit van 10 april 2015. Dat besluit behelst immers louter de vaststelling van het bedrag aan huurtoeslag. Een dergelijk besluit treft naar zijn aard alleen de aanvrager rechtstreeks in zijn of haar belangen.

8. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, eiser ten onrechte als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het besluit van 10 april 2015 aangemerkt. Daaruit volgt dat verweerder eiser bij het bestreden besluit ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen, aangezien het recht om in bezwaar op te komen tegen een besluit volgens artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb is voorbehouden aan de belanghebbende. Gelet hierop wordt het beroep gegrond verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Doende wat verweerder had moeten doen, verklaart de rechtbank het bezwaar van eiser tegen het besluit van 10 april 2015 alsnog niet-ontvankelijk.

9.1

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht van € 45,-- door verweerder aan eiser zal worden vergoed.

9.2

Met betrekking tot het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding ten bedrage van € 250,-- overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende (limitatief opgesomde) proceskosten. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser het door hem genoemde bedrag van € 250,-- niet nader heeft gespecificeerd.

9.3

Tenslotte overweegt de rechtbank ten aanzien van eisers verzoek om schadevergoeding dat naar haar oordeel er geen grondslag bestaat om verweerder te veroordelen in de door eiser gestelde schade nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een - voor zover hier van belang zijnde - onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, en mr. E.M. Visser en

mr. A. Heidekamp, leden, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.