Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:686

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2552
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijslastverdeling en weging bewijs BPM. Schending zorgvuldigheidsbeginsel doordat de inspecteur geen hertaxatie heeft laten verrichten?

De inspecteur heeft niet onzorgvuldig gehandeld in de aanslagfase. Hij loopt door zijn keuze slechts een bewijsrechtelijk risico, erin bestaand dat het niet verrichten van een hertaxatie hem uiteindelijk bij de bewijswaardering op achterstand kan zetten. Eiser is daardoor echter niet belemmerd in zijn eigen bewijspositie. De keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal is uiteindelijk voorbehouden aan de belastingrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0637
V-N Vandaag 2017/531
Rolleman annotatie in NTFR 2017/971

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/2552

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: P.J. van Veen).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 november 2014 een naheffingsaanslag opgelegd in de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ten bedrage van € 1.436.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser heeft in Duitsland een personenauto van het merk BMW, type 535d – High Executive (de auto) gekocht. De cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires bedraagt € 93.593. De datum van eerste toelating is [datum] 2004. De kilometerstand was op [taxatiedatum] 2014 201.299.

1.2

Op 14 april 2014 heeft eiser aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. Ter bepaling van de vermindering op de BPM heeft eiser gebruik gemaakt van een taxatierapport van E. Elderson, als registertaxateur werkzaam voor Automobiel Taxaties, opgemaakt op [taxatiedatum] 2014. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto gesteld op € 2.000 - waarbij op de koerslijstwaarde van € 7.264 een bedrag aan schade van € 10.653 in mindering is gebracht, maar vervolgens aan de auto een waarde is toegekend van € 2.000 - en de verschuldigde BPM op € 546.

1.3

Naar aanleiding van eisers aangifte heeft verweerder bij brief van 12 juni 2014 verzocht om onder meer reparatienota’s, een inkoopverklaring, een urenverantwoording voor de reparatie en een verkoopfactuur. Verweerder heeft met dagtekening 17 juli 2014 een rappelbrief gestuurd.

1.4

Tot de gedingstukken behoort een factuur van autobedrijf [naam] van € 715,74 inclusief BTW.

1.5

Bij brieven van 30 september 2014 en 6 oktober 2014 heeft verweerder een vooraankondiging betreffende onderhavige naheffing gestuurd. Volgens verweerder bedraagt de verschuldigde BPM € 1.982, zodat de naheffing € 1.436 gaat bedragen.

Eiser wordt in de gelegenheid gesteld te reageren.

1.6

Eiser heeft bij brief van 7 oktober 2014 gereageerd, waarop verweerder op zijn beurt bij brief van 11 november 2014 heeft gereageerd. Verweerder handhaaft daarin zijn voornemen met onder meer de volgende motivering: “De auto is van het bouwjaar 2004 en naar mijn mening bestaat de aangegeven schade uit normale gebruikssporen. Ook heeft u geen herstelfacturen gestuurd. Uw reactie geeft geen aanleiding om af te zien van mijn voornemen u een naheffingsaanslag op te leggen”.

1.7

Verweerder heeft op 11 november 2014 de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 1.436 opgelegd.

1.8

Op 19 november 2014 heeft verweerder de onder 1.7 bedoelde naheffingsaanslag, onder de motivering dat hij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een schade van € 500, ambtshalve verminderd naar € 1.301.

1.9

Eiser is bij brief van 20 november 2014, bij verweerder op 21 november 2014 ingekomen, in bezwaar gekomen.

1.10

Bij brief van 19 mei 2015 heeft eiser zijn gronden aangevuld.

1.11

Bij brief van 27 mei 2015 heeft verweerder een 'voorlopige uitspraak' gedaan. Nadat eiser per emailbericht van 3 juni 2015 verweerder heeft bericht af te zien van een hoorgesprek, heeft verweerder op 8 juni 2015 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij hij het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard.

Geschil en beoordeling

2. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslag terecht en naar de juiste hoogte heeft opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de door eiser bij zijn aangifte toegepaste (schade)aftrek op de koerslijstwaarde kan worden geaccepteerd.

3. Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat bij de berekening van de inkoopwaarde kan worden uitgegaan van de koerslijstwaarde € 7.264, alsmede dat daarop, indien daarvan sprake is, een aftrek wegens waardevermindering als gevolg van schade dient te worden toegepast. Partijen houdt echter verdeeld of de omvang van die aftrek groter is dan € 500. Ter zitting heeft verweerder voorts eisers beroep op de toepassing van artikel 10b van de Wet BPM gehonoreerd, zodat is vastgesteld dat de bruto BPM € 23.471 bedraagt. Tevens heeft eiser zijn verzoek om integrale proceskostenvergoeding ter zitting laten varen.

Schending zorgvuldigheidsbeginsel

13. Eiser stelt dat verweerder - doordat verweerder eiser ten onrechte niet de mogelijkheid heeft geboden om met het voertuig bij Dienst Domeinen Roerende zaken te verschijnen - hem niet in staat heeft gesteld ontlastend bewijsmateriaal te vergaren. Verweerder dient de nodige kennis en gegevens te vergaren voordat hij tot naheffing kan overgaan. Verweerder heeft geen hertaxatie uit laten voeren en heeft daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) gehandeld. Verweerder heeft slechts een blote ontkenning aangevoerd ten opzichte van het door eiser ingebrachte taxatierapport, en heeft zelf geen (schade-)expert geraadpleegd. Eiser heeft ter zitting verwezen naar r.o. 11 uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3380 en r.o. 23 en 24 uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4386.

14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat betreffende de schade er geen sprake is van een blote ontkenning daarvan. De aangifte, het taxatierapport, de kennis van de auto, de reparatienota’s - of het ontbreken daarvan - hebben geleid tot de grondslag voor de naheffingsaanslag. Er was voor verweerder geen aanleiding voor een hertaxatie. Een eventuele hertaxatie behoort tot de discretionaire bevoegdheid van verweerder. Daarnaast heeft verweerder eiser in staat gesteld te reageren op de voorgenomen naheffing. Er is volgens verweerder geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

15. De rechtbank verstaat eisers beroep zodanig dat onzorgvuldig handelen in de aanslagfase dient te leiden tot algehele vernietiging van de aanslag. Los van het antwoord op de vraag of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, leidt schending van het (formele) zorgvuldigheidsbeginsel – in het kader van zorgvuldige voorbereiding van een besluit ex artikel 3:2 van de Awb – niet tot algehele vernietiging van de aanslag. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient aan de eventuele schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet het fatale gevolg te worden verbonden dat eiser voorstaat (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643). De mogelijk uit die onzorgvuldigheid ten nadele van de belastingplichtige voortvloeiende gevolgen kunnen bovendien doorgaans in bezwaar of beroep worden hersteld. De rechtbank wijst hiertoe op de zogeheten devolutieve werking van het beroep in belastingzaken, en de mogelijkheid om de zaak zo nodig en zo mogelijk terug te wijzen naar de inspecteur voor een hernieuwde behandeling in bezwaar.

16.1

Bij de aangiftebelastingen is in de Algemene wet inzake rijksbelastingen het initiatief voor de heffing uitdrukkelijk gelegd bij de belastingplichtige. Indien aanvankelijk te weinig belasting op aangifte is voldaan of afgedragen, kan de inspecteur dit corrigeren door middel van het opleggen van een naheffingsaanslag. Dit heffingsstelsel brengt met zich mee dat er, in tegenstelling tot bij het opleggen van een navorderingsaanslag, nauwelijks beperkingen worden gesteld aan het recht een naheffingsaanslag op te leggen. Dat ontslaat de inspecteur echter niet van zijn onderzoeksplicht die ook - zij het in minder vergaande mate - bestaat bij het opleggen van een naheffingsaanslag. Op grond van artikel 3:2 van de Awb dient de inspecteur, alvorens een naheffingsaanslag op te leggen, de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.

16.2

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat verweerder in het geval van eiser heeft nagelaten om een hertaxatie uit laten voeren, niet meebrengt dat hij in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder heeft de aangifte met bijlagen bekeken, schriftelijke informatie opgevraagd, en is er vervolgens om hem moverende reden toe overgegaan om zonder verder (fysiek) onderzoek een aanslag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze handelwijze geplaatst worden in de sleutel van de bewijslast. De omstandigheid dat de eigen bewijspositie achteraf bezien (veel) minder sterk is dan aanvankelijk gedacht, is misschien ongelukkig, maar komt op zichzelf beschouwd nog niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft zichzelf dus wellicht geen dienst bewezen doordat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag slechts een beperkt - en achteraf bezien onvolledig - inzicht bestond in zijn bewijspositie, maar dat komt dan ook bewijsrechtelijk voor zijn rekening.

17.1

Eiser heeft voorts gesteld dat hij geen ontlastend bewijsmateriaal heeft kunnen vergaren. De rechtbank is echter van oordeel dat deze stelling feitelijke grondslag mist, en plaatst ook deze grond in de sleutel van de regels van bewijslast en van bewijsvoering. Hierbij is van belang, dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt, dat voor de belastingplichtige gunstige standpunten in beginsel steeds door hem aannemelijk moeten worden gemaakt. Voor het aanwezig zijn van de schade dient eiser dus het bewijs te leveren. Dit betreft de eigen bewijspositie van eiser, die hij met inachtneming van de wettelijke bepalingen uit artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM in samenhang met artikel 8, vierde lid letters a en b, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2014)) mag invullen. De rechtbank verstaat deze bepalingen zo, dat er ter vaststelling van de afschrijving nadere bewijsvoorschriften bestaan, die erop neer komen dat de belastingplichtige meteen bij de aangifte opgaaf moet doen van de voor die vaststelling gebruikte gegevens. In casu gaat het om een taxatierapport. Het begin van bewijs ter zake van het aanwezig zijn en het beloop van de schade heeft eiser aldus reeds geleverd met het taxatierapport, zoals hij dat bij de aangifte heeft overgelegd. Verweerder kan hierop vervolgens reageren door tegenbewijs te leveren.

17.2

In dit geval heeft eiser dus een aangifte gedaan op basis van een taxatierapport. Eisers stelling dat verweerder dan minimaal hetzelfde (tegen)bewijs dient te leveren, vindt geen steun in het recht. Dat de keuze van verweerder (zie 16.2) eventueel consequenties heeft voor de bewijskracht van zijn stellingen komt geheel voor zijn risico, maar maakt deze keuze als zodanig niet op voorhand onzorgvuldig of onrechtmatig. Uiteindelijk oordeelt de belastingrechter over het bijgebrachte bewijsmateriaal, aan wie de keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden.

17.3

Eiser heeft de rechtbank ter zitting gewezen op jurisprudentie waaruit zou volgen dat er bij een door verweerder uitgevoerde hertaxatie minder strenge eisen plegen te worden gesteld aan de betwisting door de inspecteur van de door de belastingplichtige gestelde schade. Eiser heeft vervolgens gesteld dat om te willen draaien ten aanzien van het niet laten verrichten van een tegentaxatie door verweerder, zoals in casu het geval is. Eiser stelt daarvoor steun te vinden in r.o 11 van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 juli 2016 (zie 13), en bepleit in wezen de manifestatie van het aldaar bedoelde risico.

17.4

De rechtbank merkt hierbij het volgende op. Een eventuele taxatie door Domeinen zou, zo deze hoger zou uitvallen dan volgens het rapport van eiser, in zoverre neerkomen op een gemotiveerde weerspreking van voor eiser gunstige stellingen zoals hij die ten grondslag heeft gelegd aan zijn aangifte. Door die weerspreking zou hoogstens de plicht tot leven komen om die stellingen ook nader te onderbouwen en aannemelijk te maken. Nu verweerder heeft nagelaten om een taxatie door Domeinen te laten verrichten, is van enige verhindering of belemmering van eisers eigen bewijspositie dus geen sprake. Het ontbreken van (nadere) tegenbewijsmiddelen van de kant van verweerder maakt dan ook niet dat de op eiser rustende bewijslast en bewijsgradatie (dus: de last om de omvang van de schade en het effect daarvan op de waarde eigenstandig aannemelijk te maken) verlicht zou moeten worden. Evenmin betekent het voorgaande dat hetgeen verweerder wèl bijgebracht heeft, lichter zou moeten wegen Waar het om gaat, is dat verweerder nu geen eigen taxatie ter beschikking heeft om als positief tegenbewijs in te brengen. Verweerder kan dus alleen het bewijs van eiser (gemotiveerd) weerspreken.

17.5

Ten slotte merkt de rechtbank in dit verband nog op, dat in het onderhavige geval geen sprake is van een blote ontkenning, zoals eiser stelt met zijn verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland onder 13., aangezien verweerder zijn standpunt in dit geval wel degelijk nader (zij het mager) heeft gemotiveerd.

Inhoudelijk geschil

18. Eiser stelt dat er rekening gehouden dient te worden met de schadecalculatie uit het bij de aangifte gevoegde taxatierapport. Die gecalculeerde herstelkosten zien op alle aan de auto aangetroffen schades en zijn uitgesplitst naar kosten van materiaal en arbeid voor plaat- en spuitwerk en nevenwerkzaamheden. Eiser heeft zich voorts ter zitting op het standpunt gesteld dat de taxateur, gelet op de totale schadecalculatie van € 10.653, de koerslijstwaarde van € 7.264 en de taxatie van de auto op een waarde van € 2.000 (zie 1.2), de facto rekening heeft gehouden met slechts de helft van de schade volgens schadecalculatie, zodat er reeds rekening gehouden is met het gegeven dat doorgaans niet elke euro aan schade één op één leidt tot eenzelfde vermindering in waarde. In zoverre zou het in aanmerking nemen van 72% van het schadebedrag niet op bezwaren stuiten, aldus eiser.

19. Verweerder stelt primair dat er geen aanleiding is om een aftrek toe te passen wegens waardevermindering als gevolg van schade voor een hoger bedrag dan € 500. De factuur die eiser heeft overgelegd, zie 1.3, bevat immers eveneens kosten voor een APK en roetmeting.

Subsidiair heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van (meer) schade, dit schadebedrag voor 72% - overeenkomstig de uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016 - in aanmerking genomen dient te worden.

20. Zoals door het Hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraken van 7 juni 2016 (nr. 14/00632, ECLI:NL:GHARL:2016:4937 en nr. 14/00906, ECLI:NL:GHARL:2016:4938) is geoordeeld, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich mee dat eiser, als meest gerede partij daartoe, tegenover de betwisting door verweerder, de omvang van de door hem gestelde schade aannemelijk dient te maken, alsmede de invloed daarvan op de waarde van de referentieauto's.

21. Tussen partijen is niet in geschil dat de sporen van normaal gebruik zijn verdisconteerd in de koerslijstwaarde, zodat hiermee niet nogmaals rekening kan worden gehouden. Er kan dus alleen een aftrek op de koerslijstwaarde worden toegepast indien en voor zover sprake is van waardevermindering als gevolg van meer dan normale gebruiksschade. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de in de schadecalculatie opgenomen herstelkosten zien op meer dan normale gebruiksschade - die behoren bij de leeftijd en kilometerstand - en dat die van invloed is op de waarde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de in het dossier opgenomen foto's, het calculatierapport en de ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de schade aan het scherm linksvoor en het achterscherm (lakschade), de deuk in de dakplaat en de motorkap alsmede het gat in de achterbumper meer dan normale gebruiksschade is.

22. De rechtbank is echter van oordeel dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de in de schadecalculatie opgenomen herstelkosten, ten bedrage van € 10.653 inclusief BTW, volledig betrekking hebben op de bij 21 vermelde, door de rechtbank erkende meer dan normale gebruikschade. Evenmin is aannemelijk gemaakt op welke wijze precies is rekening gehouden met het effect daarvan op de waardevermindering. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de herstelkosten voor de overige gestelde, maar niet aannemelijk gemaakte schades geacht moeten worden al te zijn verdisconteerd in de koerslijst, alsmede dat er geen één op één relatie bestaat tussen enerzijds de herstelkosten van een schade en anderzijds de waardevermindering van een auto, zo volgt ook uit voormelde uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden (zie bij 20).

23. De rechtbank acht de waardevermindering van de auto als gevolg van de bij 21 vermelde andere schades dan normale gebruikerssporen, gelet op de in de schadecalculatie ter zake opgenomen herstelkosten en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, en overeenkomstig het (meer) subsidiaire standpunt van partijen (uitgaand van een waardedrukkend effect ter grootte van 72%), tot een bedrag van € 2.100 aannemelijk geworden. Dat bedrag komt voor aftrek in aanmerking.

24. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto € 93.593 bedraagt en de bruto BPM € 23.471. Gelet op het voorgaande bedraagt de handelsinkoopwaarde van de auto na aftrek wegens waardevermindering als gevolg van schade: € 7.264 -/- € 2.100 = € 5.164. De afschrijving bedraagt aldus: (€ 93.593 -/- € 5.164)/€ 93.593 x 100% = 94,48%. Dat brengt met zich dat de verschuldigde BPM € 1.295 (5,52% van € 23.471) bedraagt.

25. Eiser heeft op aangifte € 546 voldaan, zodat de ambtshalve verminderde naheffingsaanslag ad € 1.301 verder verminderd dient te worden naar € 749.

26. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar.

27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft de rechtbank in overweging gegeven om enige matiging van de gevraagde proceskosten toe te passen in verband met een pas later door eiser ingenomen stelling. De rechtbank ziet daarvoor, wat daarvan ook zij, geen aanleiding. Het staat eiser in beginsel vrij om gaandeweg de procedure nieuwe stellingen en/of argumenten aan te dragen en er hoeft - om tot een proceskostenveroordeling bij een gegrond beroep te komen - geen rechtstreeks verband te bestaan tussen die stellingen en argumenten en de reden waarom het beroep gegrond wordt verklaard. Het voorgaande kan uitzondering lijden wanneer de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van eiser. Daarvan is de rechtbank echter niet gebleken.

29. De te vergoeden proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.236 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 749;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.236.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.