Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:665

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1692
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. De rechtbank is onder meer van oordeel dat artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, (1) niet onverbindend is, (2) niet in strijd komt met de artikelen 28 en 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en (3) in de gegeven situatie evenmin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/603
V-N 2017/26.16 met annotatie van Redactie
FutD 2017-0691
mr. P.A.M. Breekpot annotatie in NTFR 2017/972
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1692

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats], eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 november 2015 (beschikkingsnummer [nummer] ) een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 1.939. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 71 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 969.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] (taxateur).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser heeft op 29 oktober 2014 een personenauto van het merk Mercedes Benz,

type C220 CDI (chassisnummer [nummer] ) (hierna: de auto) gekocht voor een

koopsom van € 20.750,00 (exclusief BTW en BPM). De historische consumentenprijs van

de auto, inclusief accessoires, bedraagt € 53.025. De datum van eerste toelating van de auto

is 20 mei 2014. Op 11 november 2014 was de kilometerstand 19.652.

1.2

Op 12 november 2014 heeft eiser aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de

auto. In de berekening bij de aangifte is onder 3., bij de vraag voor welke methode wordt

gekozen voor de berekening van de vermindering op de BPM, de methode “Taxatierapport”

aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [naam] , werkzaam voor

[naam] , opgemaakt op 12 november 2014. Daarin is de handels-

inkoopwaarde van de auto berekend op € 11.048. De handelsinkoopwaarde is volgens dit

rapport berekend door op de koerslijstwaarde van AutoTelex Pro € 31.873 een bedrag aan

schade van € 20.825 in mindering te brengen. De Bruto BPM waarvan eiser in zijn aangifte

is uitgegaan bedraagt € 5.542. Eiser heeft € 1.158 aan verschuldigde BPM op aangifte

voldaan.

1.3

De tenaamstelling van de auto in Nederland heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015.

1.4

Bij het opleggen van de in het procesverloop genoemde naheffingsaanslag heeft

verweerder zich gebaseerd op een taxatie van de auto uitgevoerd op 3 december 2014 door

Domeinen Roerende Zaken (hierna: Domeinen). Dit bedrag is bepaald door vergelijking van

de auto met vijf referentievoertuigen. De gemiddelde vraagprijs van deze referentievoer-

tuigen bedraagt volgens dit rapport € 39.970 (inclusief BTW). Dit bedrag is vermeerderd met

een bedrag van € 168, vanwege een afwijkende kilometertoestand, tot een totaalbedrag van

€ 40.138. In het rapport van Domeinen is vermeld dat de herstelkosten van de geconstateerde

schade circa € 10.498 (exclusief BTW) bedragen. De handelsinkoopwaarde is vervolgens in

dit rapport bepaald op € 29.640.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag BPM en de

vergrijpboete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

2.1

Verweerder heeft, in afwijking van zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt, ter zitting verklaard dat:

- de door eiser bij het doen van de aangifte voor de BPM aangegeven historische

consumentenprijs van de auto van € 53.025 juist is en bij nader inzien van een koerslijstwaarde van € 31.873 dient te worden uitgegaan en dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van foutieve bedragen;

- bij het bepalen van de vermindering van de gezochte handelsinkoopwaarde in verband met kosten van herstel van schade, uitgegaan dient te worden van het bedrag van de herstelkosten inclusief BTW;

- verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een leeftijdskorting;

- de opgelegde vergrijpboete van € 969 dient te worden vernietigd.

2.2

De rechtbank zal hierna de resterende geschilpunten bespreken en daarbij ingaan op wat partijen dienaangaande hebben aangedragen.

Grondslag van de naheffing

3. Eiser heeft gesteld dat de naheffing volgens verweerder is gebaseerd op een

schouw, terwijl er feitelijk sprake is geweest van een taxatie. Verweerder gebruikt beide

begrippen door elkaar. Daarmee is onduidelijk wat de grondslag is voor de naheffingsaanslag,

zodat deze volgens eiser dient te worden vernietigd.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat een (mogelijk) onderscheid tussen een schouw en

een taxatie niet van belang is. Vernietiging van de naheffingsaanslag is dan ook niet aan de

orde, aldus verweerder.

5. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat de naheffingsaanslag moet

worden vernietigd omdat deze is opgelegd naar aanleiding van een volledige taxatie en niet

naar aanleiding van een schouw, geen steun vindt in het recht. Niet alleen staat het

verweerder vrij zijn standpunt te onderbouwen op de door hem gekozen wijze (zie hierna bij

overweging 21), maar ook in de relevante wet- en regelgeving wordt een dergelijk

onderscheid niet gemaakt.

Naheffing in strijd met het Europese recht?

6. Eiser heeft gesteld dat kopers van een auto afkomstig uit het buitenland als gevolg

van het Nederlandse systeem van naheffing lange tijd in onzekerheid verkeren over de

hoogte van de BPM, terwijl kopers van een auto afkomstig uit Nederland direct zekerheid

hebben. Daardoor zijn volgens eiser buitenlandse auto's voor kopers minder aantrekkelijk

dan binnenlandse exemplaren. Ook is het systeem volgens eiser niet zodanig ingericht dat

in alle gevallen wordt uitgesloten dat over buitenlandse auto's meer BPM wordt geheven dan

over binnenlandse auto's. Tot slot heeft eiser gewezen op de wettelijke systematiek bij

export, waarbij geen mogelijkheid bestaat om na export van de auto alsnog nageheven BPM

terug te krijgen. Gelet op het voorgaande komt de naheffingsaanslag volgens eiser in strijd

met de artikelen 34 en 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie

(hierna: VWEU).

7. Verweerder heeft aangevoerd dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen

stelsel is gehanteerd dat resulteert in een hogere BPM dan de BPM die nog rust op de waarde

van gelijksoortige, al op het nationale grondgebied geregistreerde auto. Bij het opleggen van

de naheffingsaanslag is dan ook binnen de kaders van het Europees recht gebleven, aldus

verweerder. Verweerder heeft erkend dat het niet mogelijk is om na export van een auto

alsnog nageheven BPM terug te krijgen. Ter zitting heeft verweerder dit aangeduid als een

onvolkomenheid in de wet.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie

van de Europese Unie (hierna: HvJ) dat artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen de

toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een

ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan

de belasting die nog rust op de waarde van de gelijksoortige, al op het nationale grondgebied

geregistreerde gebruikte auto. Het is een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van

elke lidstaat om de procesregels te geven, met dien verstande dat deze regels niet ongunstiger

mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen. De enkele uitoefening van de

wettelijke naheffingsbevoegdheid leidt op zichzelf niet tot heffing van een hoger bedrag aan

BPM dan de BPM die op gelijksoortige binnenlandse auto’s drukt. Naheffing dient in alle

gevallen om te voorkomen dat (uiteindelijk) te weinig BPM wordt geheven. Bij registratie

van een auto in Nederland wordt BPM geheven. Als achteraf blijkt dat die BPM te laag is

geweest, kan deze worden nageheven. Indien ter zake van een ingevoerde buitenlandse auto

minder BPM op aangifte is voldaan dan op een vergelijkbare auto in Nederland rust,

kan deze BPM worden nageheven, maar niet tot een hoger bedrag dan de BPM die op die

vergelijkbare auto rust. Naheffing nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is ook voor

het overige niet in strijd met het Unierecht. De wettelijke regeling is - mocht al sprake zijn

van een belemmering - gerechtvaardigd en bovendien geschikt om de doelstelling te

verwezenlijken en proportioneel. Van de door eiser gestelde strijdigheid met het Europees

recht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Naheffing in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of andere algemene beginselen?

9. Eiser heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag te laat is opgelegd. Er dient volgens hem zo snel mogelijk te worden nageheven, omdat naheffing ook niet mogelijk is bij (her)registratie van Nederlandse gebruikte auto’s. Er wordt dan immers geen BPM van de koper geheven, en dus ook niet van hem nageheven. In de gegeven situatie beschikte verweerder kort na de aangifte voor de BPM over alle relevante gegevens, zodat er geen legitieme reden bestaat om pas geruime tijd daarna een naheffingsaanslag op te leggen. Volgens eiser is in elk geval de naheffingstermijn van vijf jaar te lang. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5258). Eiser heeft verder gewezen op een e-mailbericht van verweerder, waarin hij het streven uitspreekt om de aangifte van eiser te controleren binnen zes maanden na de tenaamstelling van de auto. Eiser mocht er dus in elk geval op vertrouwen dat verweerder dit zou doen. Deze termijn kan ook als redelijk worden beschouwd, aldus eiser. Ter zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat eigenlijk zou moeten worden uitgegaan van een termijn van zes maanden na indiening van de aangifte voor de BPM.

10. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de naheffingsaanslag heeft opgelegd binnen twaalf maanden nadat eiser zijn aangifte voor de BPM heeft gedaan. Die periode valt volgens verweerder ruimschoots binnen de wettelijke termijn en is nodig geweest om tot een zorgvuldige beslissing te komen.

11. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of teruggave is verleend. De rechtbank stelt vast dat in de gegeven situatie de naheffingsaanslag is opgelegd binnen deze termijn. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verwijzing naar het onder 9. genoemde arrest van de Hoge Raad geen doel treft. Aan het betreffende arrest lag een feitencomplex ten grondslag dat sterk afwijkt van de feiten en de belastingsoort in deze zaak, en betreft bovendien het vertrouwensbeginsel. In dat verband overweegt de rechtbank tot slot dat de verwijzing naar het e-mailbericht van verweerder eiser evenmin kan baten. Verweerder heeft de naheffingsaanslag immers daadwerkelijk opgelegd binnen zes maanden na de tenaamstelling van de auto en daarmee dus uitvoering gegeven aan zijn in het e-mailbericht geuite streven. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij de oplegging van de naheffingsaanslag het zorgvuldigheids- noch het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hetgeen eiser overigens nog heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De systematiek van de aangiftebelastingen, zoals de onderhavige, voorziet erin dat de belastingplichtige zelf de juiste belastingschuld uitrekent en op aangifte voldoet.

Onverbindendheid artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling van de Wet BPM?

12. Eiser heeft gesteld dat artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling van de Wet BPM (hierna: uitvoeringsregeling) onverbindend moet worden verklaard. In artikel 10, tiende lid, van de Wet BPM (tekst 2015) is slechts bepaald dat een termijn kan worden gesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden. De bepaling in de Uitvoeringsregeling dat de auto op een bepaalde plaats moet worden getoond is dan ook te ruim geformuleerd en is strijdig met het recht, aldus eiser.

13. Verweerder heeft het standpunt van eiser weersproken.

14.1

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 10, tiende lid, van de Wet BPM luidt als volgt:

“Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.”

14.2

Aan de in de eerste volzin genoemde bepaling is uitvoering gegeven met de in de Uitvoeringsregeling neergelegde bepalingen, waaronder de bepaling neergelegd in artikel 8, achtste lid, die luidt:

“De inspecteur kan, met het oog op een juiste toepassing van artikel 10 van de wet, bepalen dat het motorrijtuig gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden teneinde het motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip te tonen.”

14.3

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de eerste, ruim geformuleerde volzin in artikel 10, tiende lid, van de Wet BPM de bevoegdheid tot het stellen van de eis dat het motorrijtuig op een door verweerder aan te wijzen plaats en tijdstip moet worden getoond. Dat daarbij een termijn kan worden vastgesteld is, al gelet op het gebruik van het woord ‘voorts’ in de laatste volzin van dat lid, geen beperking, maar een aanvulling van de bevoegdheid nadere regels te stellen. Ook geeft de wettekst geen beperkingen aan, waaraan de te stellen nadere regels onderhevig zouden zijn (vgl. in dit verband artikel 19 van de Wet BPM, waar wél gesproken wordt over een 'nabij gelegen plaats'). Anders dan eiser acht de rechtbank de bepaling dat een auto moet worden getoond te Soesterberg ook proportioneel en vanuit het oogpunt van een doelmatige controle gerechtvaardigd. In hetgeen eiser in zijn beroepschrift ter zake van dit punt naar voren brengt ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. Niet valt in te zien waarom eiser wel in staat is een auto vanuit het buitenland naar Nederland te (laten) transporteren, maar het vervolgens op onoverkomelijke bezwaren stuit de auto ter controle naar Soesterberg te (laten) transporteren. Het kan ook niet van verweerder worden verlangd dat hij binnen zes dagen alle motorrijtuigen waarvoor in Nederland BPM-aangifte is gedaan ter plaatse schouwt. Dat Domeinen onder omstandigheden ook auto's op locatie schouwt, doet daar niet aan af.

Artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling in strijd met het Europese recht?

15. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling in strijd komt met de artikelen 28 en 110 van het VWEU.

16. Verweerder heeft deze stelling betwist.

17. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser op dit punt. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de regeling in artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet met zich dat, in strijd met artikel 28 in verbinding met 110 van het VWEU, ter zake van auto’s uit andere lidstaten een hogere belasting wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige binnenlandse auto’s.

De rechtbank overweegt in dit kader dat op grond van de jurisprudentie van het HvJ het Nederland is toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ 21 november 2013, C-302/12, X, V-N 2013/59.22, punten 24 tot en met 26). Naar het oordeel van de rechtbank hangt de controle op de heffing van BPM nauw samen met de heffing zelf en dient deze maatregel als onderdeel van de uitvoering van de heffing te worden gezien. De controlemaatregel dient immers alleen om vast te stellen of de BPM die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de BPM die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De maatregel is - mocht al sprake zijn van een belemmering - gerechtvaardigd en bovendien geschikt om de doelstelling te verwezenlijken en vanuit Europeesrechtelijk perspectief ook proportioneel. De rechtbank overweegt hierbij dat aannemelijk is geworden dat een verzoek om de auto fysiek te tonen normaliter slechts plaatsvindt bij aanzienlijke verschillen tussen de ongecorrigeerde handelsinkoopwaarde en de aangegeven waarde.

Artikel 8, achtste lid, Uitvoeringsregeling in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

18. Eiser stelt dat de oproeping om de auto in Soesterberg te tonen, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het transport van de auto naar Soesterberg vergt een niet te veronachtzamen tijdsinvestering en brengt de nodige kosten met zich. Eiser heeft verweerder daarom uitgenodigd om de auto op locatie te bezichtigen, maar op dat aanbod is niet gereageerd. Andere belastingplichtigen zijn echter wel op hun woon- of vestigingsadres bezocht, aldus eiser. Eiser meent dan ook dat hij door deze gang van zaken onevenredig zwaar is belast. Eiser heeft tot slot bepleit dat verweerder een geobjectiveerd bedrag van

€ 525 aan hem dient te vergoeden, voor de kosten die hij heeft gemaakt om de auto in Soesterberg te laten onderzoeken.

19. Verweerder voert aan dat hij, wanneer in een aangifte voor de BPM een handelsinkoopwaarde wordt genoemd die sterk afwijkt van de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst, beslist dat een auto moet worden geïnspecteerd. Daarbij wordt niet gekeken naar (de hoedanigheid van) de aangever. Als verweerder Domeinen verzoekt onderzoek te doen, roept Domeinen belastingplichtigen in beginsel op om de auto in Soesterberg (of op een andere locatie van Domeinen) te tonen. Dit is alleen anders als van één belastingplichtige meerdere auto's moeten worden onderzocht. In dat geval doet Domeinen soms onderzoek op locatie. Dat kan ook het geval zijn als Domeinen meerdere onderzoeken heeft geclusterd. Volgens verweerder is het dan ook een risico van het vak dat eiser is opgeroepen om op locatie te verschijnen. Als er een aangifte voor de BPM wordt gedaan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de tegenbewijsregeling, dan moet de Belastingdienst die aangifte nu eenmaal kunnen controleren. Tot slot is voor een vergoeding van (geobjectiveerde) kosten geen plaats, aldus verweerder.

20. De rechtbank is van oordeel dat eiser in de gegeven situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat Domeinen hem heeft gevraagd de auto in Soesterberg te tonen. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat eiser slechts heeft gesteld dat hij in het kader van het tonen van de auto geconfronteerd is met een geobjectiveerde (en dus: bij benadering geschatte) kostenpost van € 525, zonder daarbij in te gaan op de specifieke feiten en omstandigheden van zijn geval. Verder heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat eiser de auto uiteindelijk wel in Soesterberg heeft getoond, zodat zulks kennelijk in ieder geval niet geheel onoverkomelijk is geweest.

Het voorgaande sluit naar het oordeel van de rechtbank overigens niet uit dat het in individuele gevallen voor belastingplichtigen onevenredig belastend kan zijn om een auto, ter zake waarvan aangifte voor de BPM is gedaan, op een locatie van Domeinen te tonen om controle van de aangifte door de Belastingdienst mogelijk te maken. De voor de belastingplichtige nadelige gevolgen van de oproep om naar Soesterberg te komen, moeten immers wel in verhouding staan tot het doel dat daarmee wordt gediend (vgl. artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Eiser heeft echter met het door hem gestelde niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke wanverhouding zich ten aanzien van hem heeft voorgedaan. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder hem voormeld bedrag van € 525 dient te vergoeden, vat de rechtbank dat op als een verzoek om een proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en zal de rechtbank daarop hierna ingaan (zie overweging 29.4).

Deskundigheid, objectiviteit en onafhankelijk (van de hertaxatie) van Domeinen

21. Voor zover eiser heeft betoogd dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, omdat - kort gezegd - Domeinen niet deskundig, objectief en onafhankelijk is, faalt deze beroepsgrond. Wat er ook zij van de expertise, objectiviteit en onafhankelijkheid van Domeinen, naar het oordeel van de rechtbank staat het verweerder vrij zijn standpunt te onderbouwen op een wijze die hem goeddunkt. Dat de keuze van verweerder eventueel consequenties heeft voor de bewijskracht van zijn stellingen komt daarbij geheel voor zijn risico, maar maakt deze keuze als zodanig niet op voorhand onzorgvuldig of onrechtmatig. Volgens de vrije bewijsleer oordeelt uiteindelijk de belastingrechter over het bijgebrachte bewijsmateriaal, aan wie de keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden.

Omvang van de schade en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde van de auto

22. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en

dat de herstelkosten hiervan de handelsinkoopwaarde nadelig beïnvloeden. Partijen

verschillen echter van mening over de hoogte van de kosten van herstel en over de mate

waarin deze kosten drukken op de handelsinkoopwaarde van de auto.

23. Eiser, op wie daarvoor de bewijslast rust (zie o.a. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4938), heeft de herstelkosten van de aan de auto

opgetreden te repareren schade berekend op € 20.825 (inclusief BTW). Hij heeft daartoe een

gespecificeerde schadecalculatie overgelegd, uitgesplitst naar kosten van onderdelen,

arbeidsloon en plaat- spuitwerk en tevens foto’s overgelegd van de auto in beschadigde staat.

Eiser heeft er verder op gewezen dat de auto is ingezet voor de verhuur wat volgens hem

resulteert in extra kosten om de auto klaar te maken voor aflevering. Eiser heeft verder

primair bepleit dat - gelet op de leeftijd en het kilometrage - de handelsinkoopwaarde van de

auto daalt met 100% van het schadebedrag. Subsidiair meent eiser dat het € 250 kost om

de auto te ontdoen van de normale gebruikssporen en dat alleen dit bedrag in mindering kan

worden gebracht op het totale bedrag aan schade. Meer subsidiair stelt eiser dat ten minste

72% van het schadebedrag in mindering strekt op de handelsinkoopwaarde.

24. Verweerder heeft de door belanghebbende getaxeerde kosten van het herstel van de

schade gemotiveerd bestreden en de omvang van de schade op € 10.498 becijferd.

Verweerder heeft daarbij een veel lager uurloon gehanteerd en rekening gehouden met te

bedingen kortingen op materiaalkosten. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het bedrag

van € 10.498 - ten onrechte - geen BTW is begrepen (zie 2.1). Verweerder heeft verdedigd

dat de handelsinkoopwaarde van de auto met minimaal 72% van het bedrag aan schade daalt,

maar dat - onder omstandigheden - uitgegaan kan worden van een hoger percentage.

25.1

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet, ook niet na ter zitting in de gelegenheid te zijn gesteld een nadere toelichting te geven, aannemelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van het volgens de schadecalculatie benodigde 'rijklaar maken' van de auto (omdat die voor verhuur is ingezet geweest). De periode van verhuur kan gelet op het relatief geringe kilometrage ook niet op voorhand een aanzienlijke schadepost rechtvaardigen. Daarmee is evenmin aannemelijk geworden dat deze kosten als kosten van schadeherstel kwalificeren. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de door eiser opgevoerde schadekosten voor Nederlandstalige onderhoudsboekjes en software. Het voorgaande leidt er al toe dat eiser het beloop van het door hem gestelde schadebedrag niet aannemelijk heeft gemaakt.

25.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de door verweerder gemaakte schadeberekening evenmin worden gevolgd. Niet alleen heeft verweerder de BTW op de herstelkosten ten onrechte buiten beschouwing gelaten, hij heeft het door hem gehanteerde uurloon en de gehanteerde kortingen op de materiaalkosten - tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door eiser - evenmin gemotiveerd onderbouwd.

25.3

Nu geen van partijen de hoogte van de in aanmerking te nemen kosten van schadeherstel aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank - conform de jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zie o.a. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640) - die kosten zelf in goede justitie vaststellen. Met inachtneming van wat partijen over en weer hebben aangevoerd en het gepresenteerde fotomateriaal, bepaalt de rechtbank de kosten van herstel van de schade aan de auto in goede justitie op € 20.000 (inclusief BTW).

25.4

Resteert beantwoording van de vraag over de mate waarin de kosten van herstel van de schade drukken op de handelsinkoopwaarde van de auto. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende. In onderdeel 3.5. van bijlage I bij artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling (hierna: de bijlage) is het volgende bepaald:

"De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal."

25.5

In dit specifieke geval acht de rechtbank eiser geslaagd in het leveren van het in onderdeel 3.5. van de bijlage bedoelde bewijs dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan het getaxeerde schadebedrag. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel. Allereerst is sprake van een auto in het hogere segment van vijf maanden oud met een kilometerstand van slechts 19.652. Verder blijkt uit de foto's bij het taxatierapport dat de auto ernstig is beschadigd aan onder meer de carrosserie, het lakwerk en de elektrische installatie, waaronder diverse airbagunits. De rechtbank neemt daarnaast in overweging dat het schadebedrag van € 20.000 ruim 37% bedraagt van de historische nieuwprijs van de auto. Omdat de auto, gelet op de leeftijd en de kilometerstand, praktisch als een nieuw exemplaar heeft te gelden, gaat de rechtbank ervan uit de auto normaliter hersteld zal worden naar nieuwstaat. Gelet hierop is de rechtbank in dit geval van oordeel dat het schadebedrag van

€ 20.000 gelijk is aan de waardevermindering van de auto.

26. Uit het voorgaande volgt dat een herberekening van de verschuldigde BPM dient plaats te vinden. Ter zitting is gebleken dat moet worden uitgegaan van een handelsinkoop-waarde van de auto in onbeschadigde staat van € 31.873 (zie overweging 2.1). Gelet daarop stelt de rechtbank het afschrijvingspercentage vast op 77,61%, te weten 100% - 22,39% (te weten: 100 x (€ 31.873 - € 20.000) ÷ € 53.025). Uitgaande van de bruto BPM van € 5.542, die tussen partijen niet in geschil is, bedraagt de verschuldigde BPM € 5.542 minus € 4.302 (77,61 % van € 5.542) = € 1.240. Tussen partijen is verder niet langer in geschil (zie overweging 2.1) dat dit bedrag nog dient te worden gecorrigeerd met een leeftijdskorting. De rechtbank deelt die visie. Nu verweerder de door eiser voorgestane wijze van het berekenen van de leeftijdskorting niet heeft weersproken, zal de rechtbank die rekenmethodiek volgen. De rechtbank stelt de leeftijdskorting vast op een bedrag van € 220 (te weten: (€ 1.240 -

(€ 1.240 ÷ (100 - 21,25%)) x (100 - 35,22%)). Aldus resteert een bedrag aan verschuldigde BPM van € 1.020. Gezien het op aangifte betaalde bedrag is er dan geen grond voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar evenals de naheffingsaanslag.

Belastingrente

27. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de beschikking belastingrente samenhangende naheffingsaanslag zal worden vernietigd, dient dit eveneens te gelden voor de beschikking belastingrente.

Vergrijpboete

28. De rechtbank is van oordeel dat de boetebeschikking, gelet op wat verweerder ter zitting heeft verklaard (zie 2.1), vernietigd moet worden. Het beroep gericht tegen de boetebeschikking is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar ook in zoverre alsmede de boetebeschikking.

Griffierecht en proceskosten

29.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank op de voet van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

29.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.236 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 246 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beide met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

29.3

Eiser heeft daarnaast verzocht om een vergoeding voor de aanwezigheid van een deskundige ter zitting. Eiser heeft, op basis van de ter zitting overgelegde factuur van de deskundige, om een bedrag verzocht van € 81,40 (exclusief BTW), gebaseerd op 1 uur. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 1 uur voor het bijwonen van de zitting (inclusief de reistijd) en het voorbereiden daarvan redelijk evenals het uurtarief van € 81,40. De gevraagde kosten, exclusief BTW omdat eiser BTW-ondernemer is, komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.

29.4

Voor de door eiser verzochte vergoeding van de geobjectiveerde kosten om de auto in Soesterberg te tonen (zie overweging 18) is geen plaats. De rechtbank komt tot dit oordeel nu zij van oordeel is dat artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling niet onverbindend is. Daarbij zijn de betreffende kosten in de aanslagregelende fase gemaakt en niet in het kader van de bezwaar- of beroepsfase. Tot slot vallen deze kosten ook overigens niet onder de reikwijdte van het Bpb waarin de voor vergoeding in aanmerking komende kosten limitatief zijn opgesomd.

29.5

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank het totaal van de door verweerder aan eiser te vergoeden proceskosten vast op een bedrag van € 1.317,40 ( € 1.236 + € 81,40).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de beschikking belastingrente;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.317,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en mr. A. Heidekamp, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.