Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:644

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
18/820082-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een vrouw veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandelverplichting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bevorderingshandelingen in verband met het handelen in harddrugs. Verdachte heeft hierbij de door haar gehuurde woonruimtes ter beschikking gesteld aan haar partner die verdovende middelen verhandelde. Ook is bij verdachte een niet geringe hoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820082-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2017.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 11 mei 2014 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 11 mei 2014 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen

van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes medeverdachte(n) toen en daar het/de pand(en) [straatnaam] en/of [straatnaam] gehuurd en/of de huurovereenkomst voor dat/die pand(en) op haar, verdachtes, naam gezet en/of ondertekend en/of (aldus) dat/die pand(en) ter beschikking gesteld;

2.

zij op of omstreeks 12 mei 2014 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 299,948 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 22,121 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3.

zij op of omstreeks 12 mei 2014 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 197,303 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft hij in het bijzonder aangevoerd dat verdachte als medeplichtige kan worden aangemerkt, omdat zij de door haar gehuurde woningen aan de [straatnaam] en [straatnaam] ter beschikking heeft gesteld aan medeverdachte [medeverdachte] voor het verhandelen van harddrugs.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de bekennende verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd en de processen-verbaal van bevindingen over de onder verdachte aangetroffen (hard)drugs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat dat feit niet kan worden bewezen. Zij heeft hierbij gesteld dat de door verdachte verrichte handelingen de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid opleveren.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte weliswaar wist dat in de woning aan de [straatnaam] hasj lag, maar dat het haar heeft verbaasd dat het om zo'n grote hoeveelheid ging.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair:

Vrijspraak

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feiten 1 subsidiair 2 en 3:

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 3 april 2014, opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier met nummer 2014024838 d.d. 27 mei 2014 genaamd ' [naam] ', inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 25 maart 2013 (de Rechtbank leest hier 2014) spraken wij, verbalisanten met de ons ambtshalve bekende [informant] , geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] . [informant] is een bekende harddrugsgebruiker en is veelvuldig in aanraking geweest met de politie.

[informant] vertelde ons verbalisanten het volgende:

In een woning in de [straatnaam] verblijven meerdere Marokkanen uit Rotterdam die

dealen in harddrugs. De leider van deze groep is genaamd [naam] . Met [naam] wordt bedoeld [naam] . [naam] rijdt op een zwarte scooter. Deze groep Marokkanen is op dit moment de grootste groep dealers in de stad Groningen. Ze zetten heel veel geld om en halen hun drugs uit Rotterdam. Ze maken gebruik van meerdere scooters waarmee ze de drugs bezorgen. Ze hebben nooit veel drugs op zak, meestal alleen datgene wat besteld is.

[informant] gaf een beschrijving van de persoon [naam] waar hij over sprak. Omdat ik,

verbalisant het vermoeden had om wie het ging toonde ik hem een foto van [naam]

. Wij, verbalisanten hoorden dat [informant] zei: "Ja, dat is hem dat is [naam] ."

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 23 juli 2014, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

In het onderzoek naar de handel in de verdovende middelen zijn de volgende verdachten naar voren gekomen;

- [naam] (man), geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] in Marokko

en

- [naam] (man), geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .

In dit onderzoek zijn meerdere kopers/drugsverslaafden gehoord. Tijdens deze verhoren zijn foto's gebruikt van bovenstaande verdachten. Op foto 1 staat genoemde [naam] en op foto 2 staat genoemde [naam] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2014, opgenomen op pagina 141 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [informant] :

V: Van wie kocht je dan deze drugs?

A: De enige naam die ik weet is [naam] (fonetisch) ik noem hem [naam] . Ik denk dat het een bijnaam is.

V: Hoe vaak heb je drugs gekocht van deze personen?

A: Elke dag over een periode van drie en half jaar. Als ik een week van zeven dagen neem dan denk ik dat ik 10 bestelling plaatse in die week. Soms dus twee keer per dag.

V: Hoe verlopen deze transacties?

A: Ik belde, en met een half uur of twintig minuten kwam er dan iemand.

V: Wat moet je betalen voor deze drugs?

A: 10 euro voor een bolletje heroïne of cocaïne.

V: Hoe bereik je hem?

A: Telefoon.

V: Welk telefoonnummer heeft hij?

A: [telefoonnummer]

V: Hoe ziet de verpakking eruit?

A: plastic bolletje welke is dichtgedraaid.

V: We laten je een foto zien, is dit de dealer?

A: Ja dat is hem, dat is [naam] (foto op bijlage 1) en die andere is zijn broer (foto op bijlage 2). [naam] is degene die met de handel is begonnen. Van hem heb ik het telefoonnummer gekregen en hij kwam in het begin altijd de drugs brengen. Maar dat is dus al drie jaar geleden.

V: Zegt het adres [straatnaam] te Groningen jou wat?

A: Ja dat zegt mij wel wat. Ik ben afgelopen zondagavond 11 mei 2014 voor het laatst daar binnen geweest. Ik heb daar toen twee bolletjes bruin voor mij en [naam] gekocht. Ik verklaarde eerder dat ik wel eens bij het Casino drugs ging halen, het gebeurde dan wel dat als ik er stond en ik belde dat ze zeiden loop maar door naar de deur. Ze bedoelden dan de deur aan de [straatnaam] in Groningen. Ik denk dat ik een keer of zes binnen op de kamer geweest en wat vaker onder aan de deur. Ik heb [naam] van bijlage 1 wel het pand [straatnaam] zien binnengaan maar daar heb ik nooit iets van hem gekocht. Ik heb van de man op bijlage 2 welke ik ook [naam] noem, gekocht onder aan de deur bij [straatnaam] . Met onder aan de deur bedoel ik de deur van de steeg. Deze deur geeft toegang tot het pand [straatnaam] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 mei 2014, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 12 mei 2014 te 14.17 uur, zijn wij, verbalisanten, het pand aan de [straatnaam] te Groningen, zonder toestemming van de bewoner binnen getreden ter opsporing en inbeslagneming.

De deur van de genoemde woning is geforceerd en na opening van de deur roken wij,

verbalisanten, een sterke wietlucht en bij betreden van de woning zagen wij, verbalisanten, op de tafel in het midden van de kamer meerdere doorzichtige plasticzakjes liggen waaronder een doorzichtig blauw zakje met daar bruin poeder, gelijkende op heroïne. De zoeking in de woning is gedaan met behulp van een geld- en drugshond. Wij, verbalisanten, troffen tijdens de doorzoeking de volgende goederen aan die in beslag zijn genomen. Op de tafel in het midden van de woning;

-doorzichtig plastic zakje met daarin een wit poeder, gelijkende op cocaïne,

-blauw doorzichtig zakje met daarin bruin poeder, gelijkende op heroïne,

-doorzichtig zakje met hennep,

In het keukenblok:

-weegschaal,

-zeef,

-bordje,

-drie messen,

-soeplepel,

-twee glazen bekers,

-schaal.

De drugshond sloeg aan op deze goederen. Zichtbaar op deze goederen was dat er witte en bruine poederresten aanwezig waren.

Links naast deze kast, tussen het bed en de kast, in een plastic tas lag;

-een weegschaal zonder een zichtbaar merk maar grijs van kleur.

Gelijk bij de voordeur op een plank in de hal, links aan de muur, lag;

-een groene weegschaal.

Achter het bed onder de verwarming lag;

-een weegschaal.

Verder reageerde de drugshond op een tweetal plastic vuilniszakken, die voor het keukenblok op de grond lagen. In de vuilniszakken lagen in totaal 27 lege doorzichtige verpakkingsmaterialen, voor vermoedelijk drugs. De genoemde verpakkingsmaterialen waren allen open gescheurd en zichtbaar was dat ze waren dicht gebrand. Het is ons, verbalisanten, ambtshalve bekend dat verdovende middelen op deze wijze verpakt worden. Daarmee bedoelen wij, verbalisanten, dat doorzichtige plastic zakjes gevuld worden met verdovende middelen en dat de zakjes dan dicht gebrand worden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 mei 2014, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 19 mei 2014 ontvingen wij uit handen van het sporenbeheer te Assen een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen.

Omschrijving: een transposafe envelop met wit poeder en een stukje kleurloos plastic met poederresidu

Netto : 0,160 gram

SIN : AAGW8893NL

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne spray test positief/negatief: positief op cocaïne.

Het bovengenoemde poeder wordt als monster naar het NFI verzonden.

Omschrijving: een dichtgeknoopt zakje van blauw plastic met bruin poeder en brokken, en een stukje wit karton.

Netto: 11,008 gram.

Genomen monster: SIN AAGP5427NL. In het belang van het onderzoek wordt het bovengenoemde monster naar het NFI verzonden.

Omschrijving: grote lichtgroene plastic schaal met bloemmotief merk "Exelent housewear" met bruin poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief

positief op Heroïne.

Omschrijving: witte plastic zeef met een metalen zeefgedeelte met bruin poederresidu

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Omschrijving plat bord "your dessert" met bruin poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Omschrijving: aardappelschilmesje met cyclaamkleurig heft met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Omschrijving: 2 kleurloze glazen mokken met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne tracewipe test positief/negatief: positief op cocaïne.

Omschrijving: een soeplepel met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne tracewipe test positief/negatief: positief op cocaïne.

Omschrijving: aardappelschilmesje met lila heft met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne tracewipe test

positief/negatief: positief op cocaïne.

Omschrijving: een broodmes met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne tracewipe test

positief/negatief: positief op cocaïne.

Omschrijving: een steakmes met zwart heft met wit poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne tracewipe test

positief/negatief : positief op cocaïne.

Omschrijving: zwarte weegschaal met zilverkleurig weeggedeelte, merk "Myco MZ-100" met bruin poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Omschrijving: kleine digitale weegschaal model No: DJ-100 "on Balance" met wit en bruin poederresidu.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

6. Een schriftelijk bescheiden, te weten een kennisgeving inbeslagneming opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier ter zake de hiervoor genoemde goederen.

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2014.05.26.009, d.d. 2 juni 2014 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op p. 83 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

AAGW8893NL volgens opgave 0,16 gram, crèmekleurig poeder in een gripzakje, bevat cocaïne

AAGP5427NL monster beige poeder en brokjes, negatief (bevat coffeïne en paracetamol)

In relatie tot drugs is een mengsel van coffeïne en paracetamol een versnijdingsmiddel voor heroïne.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2014, opgenomen op pagina 206 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op woensdag 14 mei 2014 omstreeks 12:30 uur zaten wij, verbalisanten, in een

spreekkamer van [slachtoffer1] , gevestigd aan de [straatnaam] in Groningen. Wij, verbalisanten, spraken met een medewerker van [slachtoffer1] genaamd [medewerker] . [medewerker] overhandigde ons een kopie van een huurcontract. In dit huurcontract staat als huurder genoemd:

[naam]

[straatnaam]

[woonplaats]

Geboortedatum [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

Als ingangsdatum staat in het contract genoemd 7 oktober 2013. Het contract loopt door tot 1 oktober 2014.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdenkingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 april 2014, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Uit controle van de Gemeente basisadministratie bleek dat op de [straatnaam] te

Groningen staat ingeschreven: [naam]

Geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

Het is bij de politie ambtshalve bekend dat [naam] een relatie

heeft met: [naam] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] .

Dit is tevens eerder in een verdovende middelen onderzoek vastgelegd. Verder worden

beiden regelmatig samen in de binnenstad gezien. Tevens maakt [naam]

regelmatig gebruik van de vervoermiddelen welke ten name staan van [naam]

.

10. Een schriftelijk bescheiden, te weten een huurovereenkomst zelfstandige woonruimte, ondertekend op 29 april 2014, opgenomen op pagina 200 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

De heer [naam] , hierna "verhuurder" en Mevrouw [naam] Geboortedatum: [geboortedatum] -1988 en De heer [medeverdachte] Geboortedatum: [geboortedatum] -1991, hierna te noemen "huurder", zijn het volgende overeengekomen:

1. Het gehuurde, bestemming

1.1

Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder een woon/ kantoorruimte, hierna 'het gehuurde' genoemd, plaatselijk bekend:

Gemeubileerd, [straatnaam] , [plaatsnaam] .

1.2

Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte.

2 Duur, verlenging en opzegging

2.1

De huurovereenkomst wordt aangegaan voor een minimale huurperiode van

12 maanden. Ingaande op 01-05-2014 en eindigende op 30-04-2015.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 13 mei 2014, opgenomen op pagina 159 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op maandag 12 mei 2014, omstreeks 20.00 uur, bevonden wij, verbalisanten, ons voor

een gebouw met meerdere verdiepingen aan [straatnaam] te Groningen. In voornoemd

gebouw bevinden zich meerdere woningen waaronder perceel [straatnaam] .

Wij waren in burger gekleed. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag een vrouw richting de gezamenlijke toegangsdeur van voornoemd gebouw lopen. Ik zag deze vrouw het pand naar binnen gaan. Ik ben met deze vrouw naar binnen gelopen en heb mij bekend gemaakt als zijnde politieambtenaar. Deze vrouw gaf mij op te zijn genaamd:

[informant] , wonende aan de [straatnaam] , verder [informant] te noemen.

Ik, verbalisant, [verbalisant] noteerde de gegevens van [informant] . Ik schreef de gegevens

op een stuk papier mij voorhanden met daarop de afbeelding van [naam] , zijnde

vriend van verdachte [verdachte] .

Ik hoorde [informant] zeggen: "Dat is mijn buurman" of woorden ven gelijke strekking.

Ik zag [informant] kijken naar het papier waarop ik op dat moment schreef. Kennelijk

herkende [informant] , [naam] voornoemd als haar buurman.

Ik hoorde [informant] zeggen: "Ik heb hem vandaag een aantal malen zien komen en gaan"

of woorden van gelijke strekking.

In afwachting van een machtiging tot binnentreden voor het pand [straatnaam]

te Groningen, hielden wij ons op de begaande grond, in de ruimte waar de bergingen

zich bevonden.

Omstreeks 20.12 uur, hoorden wij de toegangsdeur tot voornoemde berging open gaan. Wij zagen een vrouw voorbij komen lopen welke wij herkende als verdachte [verdachte] .

Wij zagen [verdachte] in onze richting kijken, waarop ze haar pas versnelde.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben achter [verdachte] aangelopen en heb haar aangesproken. Ik

vroeg [verdachte] naar haar naam. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen: "Ik ben [naam] " of woorden van gelijke strekking.

Omstreeks 20.13 uur heb ik, verbalisant [verbalisant] , [verdachte] medegedeeld dat zij was aangehouden. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] een boterham zakje in haar hand had. Wij zagen in dit zakje zowel witte als bruin gekleurde "bolletjes" zitten. Later bleken 26

bruine bolletjes en 15 witte.

Wij hoorden [verdachte] zeggen: "Ik heb nog meer onder mijn trui zitten" of woorden van

gelijke strekking. Wij zagen [verdachte] een bruin stoffen zakje met daarop de tekst Gucci onder haar trui weg halen. Ik zag in dit stoffen zakje diverse zakjes met bruine als witte stof gelijkend op dat van cocaïne als heroïne.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 13 mei 2014, opgenomen op pagina 178 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op maandag 12 mei 2014 omstreeks 20.13 uur werd verdachte [verdachte] , beneden bij de

garageboxen [straatnaam] te Groningen, aangehouden. Bij verdachte werd een grote hoeveelheid, vermoedelijk cocaïne aangetroffen, welke zij met zich droeg.

Op de vraag van de aanhoudende collega's of zij toestemming gaf tot het doorzoeken

van haar woning, [straatnaam] nummer [nummer] te Groningen, gaf verdachte mondeling

toestemming.

Op maandag 12 mei 2014 omstreeks 21.09 uur hebben wij, verbalisanten, het pand aan

[straatnaam] te Groningen, met toestemming van de bewoner binnengetreden ter

opsporing en inbeslagneming.

De doorzoeking werd verricht met behulp van een geldhond en drugshond

De woning betreft een bovenwoning, een appartement.

Wij, verbalisanten, troffen in de woning de volgende goederen aan welke in beslag

zijn genomen:

De drugshond sloeg aan bij het keukenblok. In het keukenblok aan de rechterzijde, in de onderste keukenlade, helemaal achterin, werden een tweetal afzonderlijke verpakte pakketten gevonden.

13. Een schriftelijk bescheiden, te weten een kennisgevingen van inbeslagneming, opgenomen op pagina 183 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

Inbeslagneming

Datum: 12 mei 2014

Omstandigheden: Tijdens een zoeking in een woning aan de [straatnaam] te Groningen werd er door een drugshond van de politie 2 verpakkingen gevonden in een plaats achter het keukenblok.

Volgnummer: PLO1KC-2014024838-400148

Bijzonderheden: Geseald blok van 148 gr met vermoedelijk verdovende middelen.

Volgnummer: PLO1KC-2014024838-400151

Bijzonderheden: Geseald blok van 151 gr met vermoedelijk verdovende middelen.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 mei 2014, opgenomen op pagina 168 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 19 mei 2014 te 10:45 uur werden door ons verbalisanten de vermoedelijk verdovende middelen getest.

Waarnemingen en bevindingen

Omschrijving

A- 24 dichtgebrande bolletjes en 1 dichtgebrand kleiner bolletje van kleurloos plastic met bruin brokkelig poeder.

Netto: 4,210 gram

Genomen monster: SIN AAGP5426NL

B- I dichtgebrand bolletje van kleurloos plastic met een brok donkerbruine substantie

Netto: 0,712 gram.

SIN: AAGP5425NL.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne testpositief/negatief: A en B positief op heroïne.

Omschrijving: 15 dichtgebrande bolletjes van kleurloos plastic met cremekleurige brokjes en poeder.

Netto: 2,661 gram.

SIN: AAGW8892NL.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC cocaïne spray test positief/negatief positief op cocaïne.

Omschrijving: "puk" vorm (doorsnede 8,5 cm), omwikkeld met bruine tape, met daarin een zak van kleurloos plastic, hierin een in "Puk" vorm geperste bruine substantie.

Netto: 146,935 gram.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Genomen monster: SIN AAGP5438NL.

Omschrijving een dichtgeknoopte zak van kleurloos plastic met bruine brokken en poeder.

Netto: 51,375 gram.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Heroïne test positief/negatief: posítief op heroïne.

Genomen monster SIN AAGP5429NL.

Omschrijving: een dichtgeknoopt zakje van k1eurloos plastic met lichtbruine brokjes en poeder.

Netto: 65,622 gram.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Genomen monster: SIN AAGP5432NL.

Omschrijving: een dichtgeknoopte zak van kleurloos plastic met daarin een eenzelfde zak met donkerbruine brokken en poeder.

Netto 42,294 gram.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC heroïne test positief/negatief: positief op heroïne.

Genomen monster: SIN AAGP5439NL.

Omschrijving: een dichtgeknoopt zakje van kleurloos plastic met crèmekleurig brokkelig poeder.

Netto: 19,460 gram.

Het bovenstaande goed werd getest met de MMC Cocaïne/Crack test positief/negatief: positief op cocaïne.

Genomen monster: SIN 2AGP5436NL.

Goednummer PLUKC-2014024838-400148.

Omschrijving: een pakketje.

Netto: 98,979 gram.

SIN: AAGW8956NL.

Tevens herkende ik, verbalisant [verbalisant] , de substantie aan zijn kleur en uiterlijk als zijnde hasjiesj.

Goednummer PLO1KC-2014024838-400151.

Omschrijving: een pakketje .

Netto: 98,324 gram.

SIN: AAGW8948NL.

Tevens herkende ik, verbalisant [verbalisant] , de substantie aan zijn kleur en uiterlijk als zijnde hasjiesj.

15. Een schriftelijk bescheiden, te weten een kennisgeving inbeslagneming opgenomen op pagina 166 e.v. van voornoemd dossier ter zake de hiervoor genoemde goederen.

16. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 201.05.26.010, d.d. 2 juni 2014 naar aanleiding van de aanvraag tot extern forensisch onderzoek ter zake de navolgende onder verdachte in beslag genomen goederen, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 13 mei 2014, opgenomen op pagina 271 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Jij staat ingeschreven aan de [straatnaam] te Groningen. Zoals je waarschijnlijk

wel weet is de politie daar gisteren naar binnen gegaan en hebben ze daar de woning

doorzocht. Ben je nog in het bezit van de huissleutels?

A: Volgens mij heb ik nog een reserve set. Onder het bed ligt nog heel veel spullen van mij. Daar liggen nog kleren, dvd's, kook dingen pannen enzo.

Ik verblijf nu aan het [straatnaam] .

V: Op wie zijn naam staat het huurcontract?

A: Mijn naam.

V: Gisteren bij de aanhouding had jij drugs bij je. Jij had meerdere bolletjes in

je hand. En ongeveer 500 gram bruin en wit in een gucci zakje op je lichaam, verder

zat in dit tasje nog een weegschaal. Hoe kom je aan deze drugs? Wat wilde je met de drugs gaan doen?

A: zat er nog aan te twijfelen om het zelf te gaan gebruiken. Maar dan voor [verdachte]

alles opmaken.

V: Gister heb je verklaard aan de collega's dat er nog hash in de woning lag. Waar

ligt dit?

A: Dat is 1 mini klein blokje.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat onder feit 1 subsidiair verdachte wordt verweten dat zij (mede)pleger is geweest van het verrichten van voorbereidingshandelingen dan wel bevorderingshandelingen. Deze tenlastelegging ziet op artikel 10a van de Opiumwet.

De officier van justitie en de raadsvrouw achten bewezen dat de door verdachte verrichte handelingen medeplichtigheid aan een Opiumwetdelict opleveren.

De rechtbank begrijpt de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw aldus dat ze hebben willen betogen dat verdachtes gedragingen vallen onder de handelingen opgenomen in artikel 10a van de Opiumwet.

Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft dit bekend.

Met betrekking tot feit 3 overweegt de rechtbank dat verdachte wist dat in de woning waar zij samen met haar toenmalige partner woonachtig was, hasjiesj aanwezig was in verband met de drugshandel van haar toenmalige partner. Gelet op deze omstandigheid concludeert de rechtbank dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een grotere hoeveelheid hasjiesj aldaar lag dan zij veronderstelde. Het onder 3 ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1 subsidiair

zij in de periode van 1 april 2013 tot en met 11 mei 2014 in de gemeente Groningen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te bevorderen, anderen gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte toen en daar de panden [straatnaam] en [straatnaam] gehuurd en de huurovereenkomst voor die panden op haar, verdachtes, naam gezet en ondertekend en die panden ter beschikking gesteld;

2.

zij op 12 mei 2014 te Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 299,948 gram (311,148 gram) van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 22,121 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

zij op 12 mei 2014 te Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 197,303 gram, van hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, bevorderen, door een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 uren vervangende hechtenis. Daarnaast heeft hij gevorderd de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren met als (bijzondere) voorwaarden reclasseringstoezicht en klinische behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) voor maximaal zeven weken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor oplegging van enkel een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat uit de persoonsrapporten van verdachte blijkt dat verdachte, mede door haar psychische toestand, niet te zwaar moet worden belast. Het verrichten van een werkstraf naast het moeten meewerken aan het reclasseringstoezicht en therapie zal verdachte te zwaar belasten. Een verplichting tot het ondergaan van een klinische behandeling dient achterwege te worden gelaten in aanmerking nemend dat deze ook niet door de rapporteurs wordt geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, te weten een psychologisch rapport d.d. 19 oktober 2016 en een reclasseringsrapport van 26 april 2016, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 januari 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bevorderingshandelingen in verband met het handelen in harddrugs. Verdachte heeft hierbij de door haar gehuurde woonruimtes ter beschikking gesteld aan haar partner die verdovende middelen verhandelde. Ook is bij verdachte een niet geringe hoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen. Met haar handelingen heeft verdachte bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van verdovende middelen en de instandhouding van een markt ervoor. De handel in verdovende middelen gaat veelal gepaard met vele vormen van criminaliteit en brengt vele vormen van overlast met zich mee. Bovendien levert het gebruik van drugs gevaar op voor de volksgezondheid.

Gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten doorgaans worden opgelegd, hanteert de rechtbank als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de zes en twaalf maanden.

Door de psycholoog is gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stressstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Vanuit haar persoonlijkheidsstoornis is verdachte sterk geneigd zich volledig te voegen naar de wensen van haar partner om te voorkomen dat de relatie ten einde komt. Om dit te voorkomen is ze tot veel bereid, waardoor haar wilsvrijheid wordt ingeperkt. Op basis hiervan wordt geadviseerd om verdachte het bewezen verklaarde in verminderde mate toe te rekenen.

Zolang verdachte niet weerbaarder wordt, blijft het risico bestaan dat ze zich in de toekomst wederom door een partner zal laten overhalen om mee te doen aan criminele activiteiten. Zowel vanuit de AFPN als de GGZ is getracht de behandeling voor haar (persoonlijkheids)stoornissen op te starten, maar dit kwam moeizaam van de grond. Het is echter wel van belang dat verdachte behandeling blijft volgen binnen de GGZ. Hoewel verdachte vanuit haar problematiek een beperkt vertrouwen heeft in behandelaars en behandeling, is er tegelijkertijd ook een duidelijke lijdensdruk zichtbaar en lijkt er besef te zijn dat er behandeling nodig is. Tot nu toe is die echter nog niet van de grond gekomen.

Door de reclassering wordt het recidiverisico ingeschat als laag-gemiddeld. Vanwege de psychische problematiek van verdachte lijkt verdachte niet in staat te zijn een werkstraf naar behoren te verrichten.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie van de gedragsdeskundige, gelet op de onderbouwing daarvan en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde haar in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank zal daar in strafverminderende zin rekening mee houden.

Ook zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat – hoewel geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn – sprake is van oude feiten (uit 2014).

Op basis van het bovengenoemde ziet de rechtbank aanleiding om de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op het advies van de reclassering over de onwenselijkheid van een werkstraf, acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf niet aangewezen.

Alles afwegende zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opleggen met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Verslavingszorg Noord-Nederland op het adres Canadalaan 1 Groningen en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit, tijdens de proeftijd, noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen van GGZ of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor haar posttraumatische stressstoornis en persoonlijkheidsproblematiek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. M.J. Oostveen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2017.