Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:643

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
18/940050-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een jonge man veroordeeld tot een jeugddetentie van 206 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke straf heeft de rechtbank enkele bijzondere voorwaarden gekoppeld en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en het voorhanden hebben van een verboden wapen (boksbeugel).

Op de bewuste dag heeft verdachte het slachtoffer met een boksbeugel in zijn gezicht geslagen. Ten gevolge hiervan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande onder meer uit het verlies van meerdere (voor)tanden en een losgeslagen stuk kaakbot.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a, geldigheid: 2014-04-01
Wetboek van Strafrecht 77g, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 77i, geldigheid: 2010-10-10
Wetboek van Strafrecht 77x, geldigheid: 2014-04-01
Wetboek van Strafrecht 77y, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 77aa, geldigheid: 2015-01-01
Wetboek van Strafrecht 77cc, geldigheid: 2014-04-01
Wetboek van Strafrecht 77dd, geldigheid: 2014-04-01
Wetboek van Strafrecht 77za, geldigheid: 2015-01-01
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0219

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/940050-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840015-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans verblijvende in de [instelling], [straatnaam] te Groningen, [verblijfsplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Tynaarlo, aan [slachtoffer1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten twee ontbrekende tanden (een hoektand en een voortand) en/of een los geslagen (voor)tand en/of een losgeslagen (stuk) kaakbot), heeft toegebracht door na kalm beraad en rustig overleg, met een boksbeugel, met kracht, tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer1] te slaan/stoten;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Tynaarlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer1] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer1] , met een boksbeugel, met kracht, tegen het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen/gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Tynaarlo, een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Met betrekking tot feit 1 primair heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat verdachte aangever [slachtoffer1] met een boksbeugel heeft geslagen, waardoor [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte hierbij met voorbedachte raad heeft gehandeld. Ze heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een half uur voor het voorval zich met een boksbeugel heeft bewapend met de bedoeling die te gebruiken bij een eventuele confrontatie. Toen verdachtes vriend tijdens het voorval een woordenwisseling kreeg met [slachtoffer1] , heeft verdachte de boksbeugel om zijn hand gedaan. Voordat verdachte naar [slachtoffer1] heeft uitgehaald, heeft verdachte zijn vriend gevraagd of hij [slachtoffer1] moest slaan.

Op basis hiervan heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat aan te nemen valt dat verdachte heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven, terwijl niet gebleken is van contra-indicaties.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, maar dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot het oordeel dat verdachte zou hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 18 oktober 2016 ontstond op de kermis in [pleegplaats] op een gegeven moment een woordenwisseling tussen aangever [slachtoffer1] en zijn vriend [slachtoffer2] enerzijds en verdachte en medeverdachte [medeverdachte] anderzijds. Nadat aangever tegen verdachte had gezegd dat hij rustig moest doen, heeft verdachte [slachtoffer1] in zijn gezicht geslagen. Verdachte had daarbij een boksbeugel om de hand waarmee hij sloeg. Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de verklaringen van de betrokken partijen blijkt dat het voorval kort heeft geduurd en dat er sprake was van snel handelen door verdachte.

Op grond van deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een zodanig korte tijdspanne en met dusdanige snelheid, dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. In de omstandigheid dat verdachte een half uur voor het bedoelde incident zich heeft voorzien van een boksbeugel, ziet de rechtbank geen aanwijzing voor een vooropgezet plan tot het ten laste gelegde. Op dat moment was er nog geen aanwijzing dat verdachte later op de avond een confrontatie zou hebben met aangever [slachtoffer1] of met iemand anders.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen, maar zal zij verdachte vrijspreken ten aanzien van het bestanddeel voorbedachten rade.

Ook het onder 2 ten laste gelegde acht de rechtbank bewezen, nu verdachte een boksbeugel bij zich droeg.

Bewijsmiddelen

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

  1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2017;

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2016, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier met nummer 2016317916 d.d. 8 november 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer1] ;

  3. Een geneeskundige verklaring op 31 oktober 2016 opgemaakt en ondertekend door C. Eleveld, arts, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier;

  4. Een brief d.d. 2 november 2016 opgemaakt door C. Eleveld, opgenomen op pagina 49 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 18 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Tynaarlo, aan [slachtoffer1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten twee ontbrekende tanden (een hoektand en een voortand) en een losgeslagen (voor)tand en een losgeslagen stuk kaakbot, heeft toegebracht door met een boksbeugel, met kracht, tegen het gezicht van die [slachtoffer1] te slaan/stoten;

2.

hij op 18 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Tynaarlo, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Zware mishandeling;

2 Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 206 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft zij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verenigd met de door de officier van justitie gevorderde straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages door de Raad van 2 en 9 november 2016 en 6 februari 2017, alsmede het Evaluatie plan van aanpak dat door de Jeugdreclassering op 3 februari 2017 over hem opgemaakt is, alsmede met het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 januari 2017, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer met een boksbeugel in zijn gezicht geslagen. Ten gevolge hiervan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande onder meer uit het verlies van meerdere (voor)tanden en een losgeslagen stuk kaakbot. Het kaakbot is gespalkt en in de toekomst zal moeten worden beoordeeld of implantaten een optie zijn ter opvulling van de ontbrekende tanden. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting bij de vordering benadeelde partij blijkt dat dit voorval een grote impact heeft gehad op het slachtoffer. Met zijn gedraging heeft verdachte zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel, hetgeen een verboden wapen is.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor jeugdigen. Als uitgangspunt voor zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen wordt daar een jeugddetentie vanaf zes maanden (180 dagen) gehanteerd. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen betreft het oriëntatiepunt een taakstraf van 30 uren dan wel een dienovereenkomstige jeugddetentie van 15 dagen.

In onderhavig geval hanteert de rechtbank aldus als uitgangspunt een jeugddetentie van 195 dagen.

De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat blijkens het betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit.

Uit de rapporten van de Raad blijkt dat op alle leefgebieden van verdachte zorgen zijn geconstateerd. Met name op de gebieden van geestelijke gezondheid, attitude, agressie en vaardigheden zijn veel risico's vastgesteld. Verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met ADHD en ODD. Hij is diverse keren uit huis geplaatst. Hij pleegt vanaf jonge leeftijd (vermogens)delicten, heeft omgang met antisociale jongeren en heeft een detentie ondergaan.

Er zijn al diverse interventies ingezet om tot gedragsverandering te komen, waaronder een traject in Frankrijk. Dat traject heeft bijgedragen aan het versterken van een aantal belangrijke vaardigheden zoals het meer uiten van emoties. Er zijn echter nog steeds duidelijke zorgen en problemen waaraan gewerkt dient te worden. Zo is verdachte nog steeds niet therapeutisch behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en maakt de Raad zich deswege zorgen om zijn gewetensontwikkeling. Het lukt verdachte nog onvoldoende tijdig na te denken over de gevolgen van zijn gedrag. Als er zich in zijn visie problemen voordoen, hij zich aangevallen of gefrustreerd voelt, dan kan hij fel en ongecontroleerd reageren. Ook tijdens de delictpleging heeft hij impulsief gereageerd.

Er zijn ook veel zorgen over het middelengebruik van verdachte. Zowel de in het verleden begane delicten als het onderhavige delict zijn onder invloed van alcohol en/of drugs gepleegd.

In het kader van zijn voorarrest is verdachte in december 2016 overgeplaatst naar een alternatieve voorziening, te weten de "[instelling]" te Groningen. Hoewel er twijfels waren over verdachtes motivatie, heeft hij goed meegewerkt aan het programma. Het lijkt dat verdachte tot inzichten is gekomen ten aanzien van zijn delictgedrag, middelengebruik en sociale relaties en op grond daarvan concrete stappen wil zetten om geen strafbare feiten meer te plegen. Ook wil hij niet meer afhankelijk zijn van verdovende middelen en alcohol. Hij wil nu zo spoedig mogelijk therapeutische behandeling ondergaan voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. Deze ontwikkeling is echter pril en verdachte zal na zijn invrijheidstelling op de proef worden gesteld.

Om deze positieve plannen die verdachte heeft gemaakt met hulpverlening te borgen en te stimuleren, adviseert de Raad om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte zal meewerken aan de uitgezette hulpverlening door Accare, Verslavingszorg Noord-Nederland en Traject 58. Daarnaast moet verdachte meewerken aan urinecontroles en toezicht in het kader van een alcoholverbod. Tijdens de hulpverlening zal de nadruk liggen op het nemen en dragen van verantwoordelijkheid door verdachte en het hem hierin intensief, maar niet op controle gericht begeleiden.

Gelet hierop en op de intrinsieke motivatie van verdachte om geen softdrugs meer te gebruiken, acht de rechtbank het opleggen van een drugsverbod niet passend. Het stimuleren van therapeutische behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek en het vergroten van inzicht hierin dienen centraal te staan.

Op basis van het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde staf passend en geboden en zal deze opleggen.

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Verdachte is immers meermalen veroordeeld, onder andere voor openlijk geweld tegen personen. Hij heeft forse persoonlijkheidsproblematiek. Er is meermalen intensieve begeleiding en specifieke vormen van (jeugd)hulpverlening aangeboden, waarbij echter geconstateerd moet worden dat verdachte zich nog steeds niet aan therapeutische behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek (waaronder met name de angststoornis) heeft willen onderwerpen. Het inzicht met betrekking tot de noodzaak daarvan ontbrak tot nu toe bij verdachte. Hierdoor is niet voorkomen dat hij zich thans moet verantwoorden voor een fors geweldsfeit met een grote aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit van een ander. Ook de Raad heeft daar zorgen over uitgesproken en heeft de noodzaak van onmiddellijke behandeling en intensieve begeleiding benadrukt, te meer nu de woonsituatie -bij moeder - die niet biedt.

Benadeelde partij

[slachtoffer1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.182,93 bestaande uit

€ 3.182,93 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de materiële schade moet worden toegewezen tot een bedrag van € 2.903,41. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de gestelde posten van de tandartskosten (€ 894,71) en mondspoelmiddel (€ 8,70) integraal kunnen worden toegewezen. Met betrekking tot de post 'toekomstige kosten' acht zij toewijzing van een bedrag van € 2.000,- redelijk.

Ook de immateriële schade kan volgens de officier van justitie in zijn geheel worden toegewezen.

De officier van justitie heeft aldus gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.903,41 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering ter zake materiële schade grotendeels betrekking heeft op een nog niet vastgesteld schadebedrag, terwijl niet kan worden uitgesloten dat de benadeelde partij voor de gestelde schade verzekerd is. De benadeelde partij heeft indien hij niet verzekerd is niet voldaan aan de verplichting om de schade zoveel mogelijk te beperken. Het behandelen van deze vordering zal zorgen voor een onevenredige belasting van het strafgeding.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het deel van de materiële schade dat ziet op de toekomstige kosten moet worden afgewezen, omdat dat deel betrekking heeft op nog te maken kosten. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte schade heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde schade goed onderbouwd en staat in zodanig verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt hierbij dat uit het verhandelde ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij niet verzekerd is voor de door hem gestelde (materiële) schade, waarbij de rechtbank opmerkt dat er geenszins een verplichting bestaat zich voor onkosten als de onderhavige te verzekeren. Met betrekking tot de post toekomstige kosten kaak- en tandherstel overweegt de rechtbank dat deze onderbouwd is met een gedetailleerde begroting die de behandelend tandarts heeft opgemaakt. De begroting heeft betrekking op zowel de kosten van de reeds ingezette behandeling als de nog uit te voeren behandelingen. Dat de benadeelde partij de nog uit te voeren gespecificeerde behandelingen nog niet heeft ondergaan, staat aan toewijzing van de gestelde schade niet in de weg.

De rechtbank acht de vordering derhalve voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2016.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank zal, gezien de leeftijd van verdachte en gezien zijn draagkracht, bepalen dat verdachte het bedrag in termijnen kan betalen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 februari 2016, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang - een jeugddetentie voor de duur van 119 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 20 februari 2016.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 februari 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat een deel van de jeugddetentie, te weten 30 dagen zal worden tenuitvoergelegd en dat deze zal worden omgezet in een werkstraf van 120 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat voor het overige gedeelte de proeftijd wordt verlengd met een jaar.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich hieromtrent aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, te weten 30 dagen jeugddetentie. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, zal de rechtbank een werkstraf van 120 uren gelasten in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, om zo de uitvoering van de aan dit vonnis verbonden bijzondere voorwaarden een goede kans van slagen te bieden.

Voor het overige gedeelte zal de rechtbank de proeftijd verlengen met de duur van een jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77cc, 77dd, 77gg, 77za, 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 206 dagen.

Bepaalt, dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich gedurende een door de Jeugdbescherming Noord (op het adres Leonard Springerlaan 13 te Groningen) te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd en op door deze instelling te bepalen tijdstippen zal melden bij deze instelling zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen van Accare voor behandeling van zijn psychisch-emotionele problematiek en Verslavingszorg Noord-Nederland dan wel soortgelijke instellingen voor behandeling van zijn verslavingsproblematiek;

  3. dat de veroordeelde zal meewerken aan begeleiding door traject 58;

  4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

  5. dat veroordeelde gedurende de proeftijd onderwijs of een alternatieve dagbesteding zal volgen dan wel zal meewerken aan een traject gericht op toeleiding naar onderwijs,

Waarbij Jeugdbescherming Noord te Groningen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.182,93 (zegge: zes duizend honderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] , te betalen een bedrag van € 6.182,93 (zegge: zes duizend honderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig eurocent), te voldoen in 23 maandelijkse termijnen van € 250,- en een maandelijkse termijn van € 432,93, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.182,93 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2016.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/840015-15:

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de jeugddetentie, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen d.d. 5 februari 2016, te weten: 30 dagen.

Gelast het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, oorspronkelijk opgelegd bij voornoemd vonnis.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen d.d. 5 februari 2016 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J.B. Holsink en mr. A. Jongsma, kinderrechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2017.