Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:620

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
LEE 17/446
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gebiedsverbod ontbeert een deugdelijke grondslag omdat zich niet één van de situaties van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet voordoet.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2017/26 met annotatie van prof. mr. dr. M. Vols en mr. J.H.S. van Tongeren

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/446

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 februari 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Bovensmilde, verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Assen, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A. Eising).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. Verzoeker is verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet

  2. Op zondag 29 januari 2017 omstreeks 3:15 uur raakte verzoeker in de horecagelegenheid [naam] te Assen in discussie met een andere jongeman die zijn glas cola zou hebben omgestoten. De portier van [naam] mengde zich in de discussie.

De portier stelt door verzoeker te zijn geslagen en geschopt, waarna hij verzoeker met gepast geweld heeft verwijderd. Dit is bevestigd door een getuige.

Verzoeker stelt dat hij niet heeft geslagen of geschopt, dat de portier op hem een nekklem heeft toepast, dat de portier hem naar buiten heeft gesleurd en hem daar tegen de grond heeft geduwd. Dit is bevestigd door een getuige.

De officier van justitie heeft, op sepotgrond 02 (onvoldoende bewijs), afgezien van vervolging van verzoeker wegens mishandeling.

3. Op woensdag 1 februari 2017 heeft verweerder aan verzoeker een ‘besluit verblijfsontzegging’ in de vorm van een formulier uitgereikt. Op dit formulier staat dat in verband met mishandeling aan verzoeker een gebiedsontzegging voor het uitgaansgebied van Assen wordt opgelegd, inhoudende dat hij zich van 29 januari 2017 tot 23 april 2017 tussen 22:00 uur en 07:00 uur niet in dit gebied mag bevinden. Verzoeker is van mening dat hij niets fout heeft gedaan en ten onrechte in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Hij werkt als pizzakoerier tot 23:00 uur en kan nu niet meer door het centrum van Assen rijden om zijn werk te doen.

4.1.

Ingevolge artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (Gw) is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

4.2.

Ingevolge artikel 2:77:1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Assen (APV) kan de burgemeester, in het kader van de openbare orde of veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde of veiligheid heeft verstoord om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in dat verbod aangegeven plaatsen. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste 12 weken kan bedragen.

5.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 172, derde lid, van de Gw de wettelijke grondslag vormt voor de bevoegdheid van verweerder, opgenomen in artikel 2:77:1, eerste lid, van de APV, om een gebiedsverbod op te leggen. Dit betekent dat verweerder slechts een gebiedsverbod op kan leggen als zich één van de situaties van artikel 172, derde lid, van de Gw voordoet. Het moet dan gaan om een actuele verstoring van de orde waarbij snel ingegrepen dient te worden, ofwel om een situatie waarin ernstige vrees is voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde door verzoeker.

5.2.

Niet is in geschil dat verzoeker op 1 februari 2017, op het moment van opleggen van het gebiedsverbod en enkele dagen na het voorval in de horecagelegenheid, zich niet schuldig maakte aan het verstoren van de openbare orde. Er was daarmee geen sprake van een situatie waarin snel ingegrepen diende te worden.

5.3.

De stukken bevatten geen feitelijke grondslag voor de ernstige vrees dat verzoeker ná 1 februari 2017 de openbare orde zou verstoren. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de politie de ervaring heeft dat incidenten later, bijvoorbeeld het daaropvolgende weekeinde, een vervolg krijgen als de betrokkenen elkaar weer ontmoeten in het centrum van de stad. De gemachtigde van verweerder heeft echter beaamd dat er geen aanwijzing is dat verzoeker op zoek zal gaan naar een confrontatie. Daarenboven moet worden vastgesteld dat er geen andere omstandigheden bekend zijn (zoals recidive) die de vrees van ordeverstoring zouden kunnen rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat zich niet de situatie voordoet van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring, door verzoeker, van de openbare orde.

5.4.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat geen sprake is van één van de situaties van artikel 172, derde lid, van de Gw.

6.1.

De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat het gebiedsverbod een deugdelijke grondslag ontbeert. Het bezwaar heeft een grote kans van slagen. De voorzieningenrechter schorst daarom, bij wijze van voorlopige voorziening, het primaire besluit.

6.2.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6.3.

Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.