Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:599

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
18/930189-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 21 februari 2017 een man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden wegens mensensmokkel. De rechtbank achtte bewezen dat man samen met zijn mededader twee personen behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke toegang tot en doorreis door Nederland en België, door hen met de auto vanuit Frankrijk en via België naar Nederland te brengen. Zie ook ECLI:NL:RBNNE:2017:600

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/930189-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] (Frankrijk).

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2017. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode 27 april 2015 tot en met 28 april 2015 te Ter Apel,

althans in Nederland en België en Frankrijk, tezamen en in vereniging, althans alleen,

(een) ander(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte2] ,

behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of

doorreis door Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten

België, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn medeverdachte, voornoemde

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte2] in een auto vanuit

[plaatsnaam] in Frankrijk, via België naar Woerden en/of Ter Apel in Nederland

vervoerd, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van verschillende bewijsmiddelen staat vast dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte3] (hierna: [medeverdachte3] ) met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en haar dochter [medeverdachte2] (hierna: [medeverdachte2] ) vanuit Frankrijk en door België Nederland zijn ingereisd. De inreis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] was wederrechtelijk nu zij geen geldige documenten hadden. Het is de vraag of verdachte hiervan op de hoogte was. Uit de verklaring van [medeverdachte3] blijkt dat [medeverdachte 1] heeft gezegd dat ze bijna een verblijfsvergunning had. Dat staat gelijk aan het niet hebben van een vergunning. Het valt tevens op dat het door verdachte, [medeverdachte3] en [medeverdachte 1] opgegeven doel van hun reis naar Nederland nogal verschillend is.

Uit de omstandigheden, waaronder met name het feit dat Ter Apel in het navigatiesysteem van de auto was geprogrammeerd, blijkt het werkelijke doel van de reis: het in Ter Apel aanvragen van asiel door [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] . Derhalve bestond er bij verdachte een ernstig vermoeden van wetenschap van de wederrechtelijkheid van de inreis in Nederland van [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de hierna op te nemen bewijsmiddelen vast dat verdachte - als chauffeur van de auto - samen met [medeverdachte3] , [medeverdachte 1] en haar minderjarige dochter [medeverdachte2] vanuit Frankrijk en door België naar Nederland is gereisd. De rechtbank dient - kort gezegd - de vragen te beantwoorden of de toegang tot en de doorreis door België en Nederland van [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] wederrechtelijk was en zo ja, of verdachte dit wist of ernstige reden had dit te vermoeden.

Het begrip “wederrechtelijk” in de delictsomschrijving van artikel 197a Wetboek van Strafrecht dient gelet op de wetsgeschiedenis te worden uitgelegd als “zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid”. De in artikel 197a Wetboek van Strafrecht bedoelde hulp moet zijn verleend aan iemand die tot de toegang, de doorreis of het verblijf aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR2008:BA8499 en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3230. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 8 Vw bepaalt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft indien hij een verblijfstitel heeft dan wel in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, dan wel van de uitkomst van een rechtsmiddel daartegen. Ten aanzien van de personen die door verdachte en [medeverdachte3] zijn vervoerd is hiervan niet gebleken. Evenmin is gebleken noch is gesteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] aan enige rechtsregel een titel konden ontlenen tot toegang tot of doorreis door België.

De toegang tot en doorreis door Nederland en België was dan ook wederrechtelijk.

Met betrekking tot de wetenschap dan wel het ernstige vermoeden van de wederrechtelijkheid van de inreis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] in België en Nederland overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert dat verdachte, [medeverdachte3] en [medeverdachte 1] verschillend, tegenstrijdig en in onderlinge samenhang bezien ongeloofwaardig hebben verklaard omtrent het doel van hun reis naar Nederland. De rechtbank wijst in dit verband op de volgende verklaringen.

Verdachte heeft verklaard dat “ [medeverdachte 1] ” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) hem en [medeverdachte3] vroeg mee te gaan naar Nederland, dat het doel was een Nederlandse stad te bekijken, dat zij 1 of 2 dagen wilden blijven en eigenlijk naar het strand in het noorden van Nederland wilden gaan. Toen zij dit wilden intoetsen op de navigatie, leidde de navigatie hen naar Ter Apel.

[medeverdachte3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] naar Nederland wilde om haar dochter Nederland te laten zien en dat hij is meegereisd omdat hij zijn vriend in Woerden wilde bezoeken. Hij wilde alleen meereizen en na twee dagen weer teruggaan naar Frankrijk. Verder heeft hij verklaard dat verdachte na de overnachting in Woerden een plaatsnaam in de tomtom heeft gezet en dat [medeverdachte 1] het adres wist. [medeverdachte3] heeft verklaard niets te weten van een plan om naar het strand te gaan dat verdachte en [medeverdachte 1] alleen hebben gesproken over naar het noorden rijden.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij graag naar Nederland wilde en dat er geen specifieke dingen waren die zij wilde bezichtigen. [medeverdachte 1] verklaarde dat ze naar Nederland wilde en daarna misschien nog naar Duitsland en dat beide mannen de hele reis met haar mee zouden gaan. [medeverdachte 1] heeft op de vraag naar de eindbestemming op de dag van aanhouding verklaard dat ze naar het noorden van Nederland gingen en dat zij de bestemming niet wist maar verdachte wel. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat ze naar een kennis gingen, de zus van een vriendin, die woont in Duitsland.

De rechtbank is - net als de officier van justitie - van oordeel dat uit de nader op te nemen bewijsmiddelen valt af te leiden dat de eindbestemming van de rit het aanmeldcentrum aan de Ter Apelervenen te Ter Apel was. Voornoemde straat en plaats zijn door verdachte in het navigatiesysteem ingevoerd en de door verdachte bestuurde auto met daarin verdachte, [medeverdachte3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] werd door de Koninklijke Marechaussee aangetroffen in Ter Apel. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat [medeverdachte 1] een tas met daarin veel dames- en meisjeskleding bij zich had, maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte wist en zijn medeverdachte [medeverdachte3] minstgenomen ernstige reden had te vermoeden dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] asiel wilden aanvragen in Nederland en dat het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door België en Nederland derhalve wederrechtelijk was. Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte3] neemt de rechtbank daarbij nog het volgende in aanmerking. [medeverdachte3] heeft verklaard dat hij voor het verlaten van Frankrijk heeft gevraagd of [medeverdachte 1] “wel met dat document mocht reizen” en dat zij zei dat het wel voor een paar dagen kon. De rechtbank leidt hier uit af dat [medeverdachte3] zich bewust was van de kans dat [medeverdachte 1] niet over de benodigde papieren beschikte en de rechtbank stelt vast dat deze vraag kennelijk betrekking had op het document dat verdachte bij de aanhouding heeft overhandigd, te weten een Mongools paspoort met een op 18 oktober 2010 verlopen Schengenvisum. Voorts heeft [medeverdachte3] verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat ze bijna een verblijfsvergunning had. De rechtbank stelt vast dat het voor [medeverdachte3] duidelijk moet zijn geweest dat [medeverdachte 1] op dat moment dus (nog) geen verblijfsvergunning had.

De rechtbank zal derhalve bewezen verklaren dat verdachte en [medeverdachte3] de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang en doorreis door Nederland en België, terwijl zij wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat de toegang en doorreis wederrechtelijk was.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van de Koninklijke Marechaussee d.d. 28 april 2015, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier met nummer PL27NN/15-001979 d.d. 22 mei 2015, inhoudende:

Op dinsdag 28 april 2015 zag ik een grijze [auto] voorzien van Frans kenteken [kentekennummer] rijden over de Westerstraat te Ter Apel, komende vanuit de richting van Nieuw-Weerdinge. Hierop hebben wij, verbalisanten, het voornoemde voertuig staande gehouden op de Markeweg. In het voertuig zaten vier inzittenden. Voorin zaten [medeverdachte3] en [verdachte] . Achterin zaten een vrouw en een meisje. De vrouw kon ons geen document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit tonen. Zij overhandigde aan ons een paspoort uit Mongolië, voorzien van documentnummer [nummer] . Het paspoort was niet voorzien van een geldig Schengenvisum. Het visum was verlopen op 18 oktober 2010. Het paspoort stond op naam van [medeverdachte 1] , [voornaam] geboren op [geboortedatum]

Het meisje kon aan ons, verbalisanten, geen document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit tonen. Zij overhandigde aan ons een paspoort van Mongolië. Het paspoort was niet voorzien van een geldig Schengenvisum. Het visum was verlopen op 20 januari 2011. Het paspoort stond op naam van [medeverdachte2] , [voornaam] geboren op [geboortedatum] . Geen van de inzittenden kon aan ons een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit tonen. Voor ons bleef de verblijfsrechtelijke positie onbekend. Wij hebben het voertuig laten volgen naar de brigade Koninklijke Marechaussee te Coevorden. Wij zagen tijdens het verplaatsen van het voertuig dat het navigatiesysteem in het voertuig nog aan stond. Hierop stond dat de te bereiken bestemming circa 42 kilometer van Coevorden lag. Wetende dat de afstand vanaf de brigade Koninklijke Marechaussee tot Ter Apel 42 kilometer is, rees bij ons het vermoeden dat hun vermoedelijk ingevoerde eindbestemming Ter Apel betrof.

In het voertuig zagen wij dat de bagage in het voertuig voornamelijk bestond uit vrouwen- en meisjeskleding en veel medicatie voor vermoedelijk een langere periode.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant(en):

Bij het handmatig uitlezen van het navigatiesysteem, kwam ik onder “recent”, de volgende adressen, in de volgende volgorde tegen:

- [straatnaam] , [plaatsnaam] , Utrecht

- Ter Apelervenen, 9561 Ter Apel, Groningen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de Koninklijke Marechaussee d.d. 28 april 2015, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

V: u bent vanaf 2013 al illegaal in Frankrijk.

A: dat klopt.

V: Wat was je eindbestemming vandaag?

A: We gingen naar het Noorden van Nederland. De chauffeur wist waar we heen gingen.

V: Hoe heb je deze reis georganiseerd?

A: De chauffeur ken ik.

V: Waar vandaan ben je gisteren vertrokken?

A: We zijn vertrokken vanuit mijn woonplaats. Vanuit [plaatsnaam] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Koninklijke Marechaussee d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Van waaruit zijn jullie eergisteren vertrokken?

A: We zijn vertrokken vanuit de woning van “ [medeverdachte 1] ”.

V: Wanneer zijn jullie vertrokken?

A: Op 27 april 2015

V: Had je nog bagage bij je?

A: “ [medeverdachte 1] ” had een hele tas met kleding bij zich. Ik en mijn vriend hadden allebei twee kledingstukken bij zich.

V: Is het navigatie systeem alleen door jou bediend?

A: Ja, ik heb alle bestemmingen ingevoerd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Koninklijke Marechaussee d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Hoe bent u naar Nederland gereisd? Welke landsgrenzen heeft u overschreden?

A: We zijn vanaf Frankrijk naar België gereisd. Van België zijn we naar Nederland gereisd.

Toen we onderweg waren zei mijn vriend (bijrijder) dat het makkelijker was om een nachtje bij zijn vriend in Woerden te slapen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Koninklijke Marechaussee d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte3] :

V: Waar wilde [verdachte] heen?

A: Wat ik heb begrepen is dat de vrouw die in de auto zat naar Nederland wilde. [verdachte] heeft een plaatsnaam in de TomTom gezet. (..) We hebben vannacht overnacht bij een vriend van mij die in Nederland woont.

V: Waar zijn jullie vervolgens heen gereden?

A: Mevrouw wist het adres. (..) In de auto heb ik met haar gesproken. Ze vertelde dat ze haar verblijfsvergunning bijna binnen had.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Koninklijke Marechaussee d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte3] :

Ik had aan [medeverdachte 1] gevraagd voordat ik Frankrijk ging verlaten, of zij wel met dat document mocht reizen? Zij zei dat het wel voor een paar dagen kon.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode 27 april 2015 tot en met 28 april 2015 in Nederland en België en Frankrijk, tezamen en in vereniging, anderen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] , behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten België, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn medeverdachte, voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte2] in een auto vanuit [plaatsnaam] in Frankrijk, via België naar Woerden en Ter Apel in Nederland vervoerd, terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het protocol genoemd in artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 januari 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij hij twee personen behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke toegang tot en doorreis door Nederland en België, door hen met de auto vanuit Frankrijk en via België naar Nederland te brengen. Verdachte doorkruist daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat niet is gebleken dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder in Nederland voor strafbare feiten is veroordeeld.

Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2017.

Mr. Bosker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.