Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:580

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
C/18/150644 / FA RK 14-2360
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:5 lid 8 BW. Eenheid van naam. Wijziging van de geboorteakte niet in het belang van de minderjarige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 5
Burgerlijk Wetboek Boek 1 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5060
JIN 2017/136 met annotatie van S.C. Braun

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/150644 / FA RK 14-2360

beschikking d.d. 21 februari 2017

Op het verzoek van:

De officier van justitie,

te Groningen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    [moeder 1] en [moeder 2],

  • -

    de ambtenaar van de burgerlijke stand (abs) van de gemeente Groningen.

PROCESVERLOOP

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    de op 30 september 20014 ter griffie ontvangen brief van [moeder 1] en [moeder 2],

  • -

    de beschikking d.d. 31 mei 2016,

  • -

    het verslag van bevindingen van de bijzondere curator,

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 januari 2017 in aanwezigheid van de officier van justitie mr. L. de Ruijter, mevrouw [abs] en de heer [abs] namens de gemeente Groningen, de dames [moeder 1] en [moeder 2] en de bijzondere curator mr. E. Henkelman.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.

De feiten

[moeder 1] en [moeder 2] (hierna gezamenlijk ook te noemen de moeders) zijn op 20 oktober 2006 met elkaar gehuwd.

Tijdens het huwelijk is op 29 augustus 2007 te Groningen uit [moeder 2] geboren de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen [naam]).

Op 27 juni 2009 is te Groningen uit [moeder 1] geboren de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen [naam]).

De moeders hebben op grond van artikel 1:253sa Burgerlijk Wetboek van rechtswege gezamenlijk het gezag over de beide minderjarigen.

Op 10 april 2014 is in de gemeente Haren een akte erkenning opgemaakt van de erkenning van [minderjarige 1] door [moeder 1]. De akte van erkenning vermeldt als geslachtsnaam na erkenning van [minderjarige 1] de naam [naam moeder 2].

Op 10 april 2014 is in de gemeente Haren een akte erkenning opgemaakt van de erkenning van [minderjarige 2] door [moeder 2]. De akte erkenning vermeldt als geslachtsnaam van [minderjarige 2] na erkenning de naam [naam moeder 1].

2.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij persisteert bij het gedane verzoek.

2.3.

Standpunt van de ambtenaar van de burgerlijke stand

Ingevolge artikel 1:5 lid 8 BW hebben kinderen van dezelfde ouder en dezelfde echtgenoot of geregistreerde partner, die niet de ouder is, en die van rechtswege het gezag gezamenlijk zullen uitoefenen, dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.

Op 29 augustus 2007 is [minderjarige 1] geboren binnen het huwelijk van [de moeders]. Twee jaar later is [minderjarige 2] geboren. De gemeente is toen voorbij gegaan aan de eenheid van naam en heeft per abuis de verkeerde geslachtsnaam op de geboorteakte vermeld.

Hieruit volgt dat [minderjarige 2] als tweede kind geboren staande het huwelijk van de moeders, de geslachtsnaam van het eerste kind ([minderjarige 1]) zou moeten volgen. De geslachtsnaam van [minderjarige 2] dient hierom [naam moeder 2] te zijn.

2.4.

Standpunt van de moeders

De moeders verzetten zich tegen het wijzigen van de achternaam van [minderjarige 2] van [naam moeder 1] in [naam moeder 2]. Zij voeren daartoe aan dat zij bij de geboorteaangifte van [minderjarige 2] aan de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben gevraagd of, gelet op de achternaam van hun eerste zoon, de achternaam van [minderjarige 2] [naam moeder 2] diende te zijn. De ambtenaar gaf toen aan dat dat niet zo was omdat [moeder 2] niet de ouder van [minderjarige 2] was. [minderjarige 2] heeft toen als achternaam [naam moeder 1] gekregen.

De moeders voeren voorts aan dat [minderjarige 2] zelf zijn achternaam ook niet gewijzigd wil hebben. Hij wil zijn eigen naam behouden. Hij is inmiddels zeven jaar oud en heeft altijd [naam] geheten.

De moeders zijn van mening dat [minderjarige 2] recht heeft op het behouden van zijn eigen naam. Zijn achternaam is onderdeel van zijn identiteit. het belang dat [minderjarige 2] heeft bij het behouden van zijn identiteit is groter dan het formele standpunt van eenheid van naam binnen een gezin. De huidige maatschappij kent tegenwoordig allerlei samengestelde gezinnen, waarin meerdere verschillende namen voorkomen.

De moeders stellen tenslotte dat dit hele probleem niet had gespeeld als zij niet de wens hadden gehad om [minderjarige 2] door [moeder 2] te laten erkennen. De achternaam van [minderjarige 2] was dan gewoon [naam moeder 1] gebleven. De moeders voeren aan meerdere stellen te kennen die om deze reden bewust niet tot erkenning van hun kinderen overgaan, terwijl zij dat wel graag zouden willen.

2.5.

Standpunt van de bijzondere curator

De bijzondere curator vermeld in zijn rapport van bevindingen dat [minderjarige 2] in een gesprek dat hij met de aan het kantoor van de bijzondere curator verbonden orthopedagoge heeft gevoerd, heeft aangeven dat hij het fijn vindt dat hij niet dezelfde achternaam heeft als zijn broer.

[minderjarige 2] vindt [naam moeder 2] geen mooie naam. Hij vindt [naam moeder 1] een veel mooiere achternaam. [minderjarige 2] wil dan ook het liefst de naam [naam moeder 1] houden. Daarbij heeft hij deze achternaam al zijn hele leven.

De bijzondere curator concludeert dat het verzoek van de officier van justitie op grond van het dwingendrechtelijke karakter van artikel 1:5 lid 8 BW, dient te worden toegewezen en dat er dus een wijziging van de achternaam van [minderjarige 2] dient te komen. Dit zal volgens de bijzondere curator slechts anders zijn als de beide moeders wederzijds tot adoptie zouden overgaan. Een adoptie doet volgens de bijzondere curator echter geen recht aan de feitelijke gezinssituatie van partijen, waarbij beide moeders altijd als moeder van [minderjarige 2] hebben gefungeerd.

2.6.

Beoordeling

2.6.1.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een regeling gegeven voor de geslachtsnaam van het kind. Artikel 5 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien het kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, het haar geslachtsnaam heeft.

Komt een kind door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader te staan, dan houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben (lid 2).

Indien een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot beide ouders komt te staan dan verklaren de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders die ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt melding gemaakt in de akte van geboorte. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner, die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoel in artikel 1:253sa BW over het kind zullen uitoefenen of uitoefenen (lid 4).

Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede en vierde lid, kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. Volgende kinderen van dezelfde ouders dan wel kinderen over wie dezelfde ouders en dezelfde echtgenoot of geregistreerd partner die niet de ouder is, van rechtswege het gezag zullen uitoefenen, hebben dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind (lid 8).

2.6.2.

De moeders, die op grond van artikel 1:253sa BW van rechtswege het gezag over de minderjarigen hebben, hebben bij de geboorteaangifte van hun eerste zoon [naam] geen naamskeuze gedaan met als gevolg dat [minderjarige 1] op grond van artikel 1: 5 lid 5 sub b BW de naam van zijn geboortemoeder, [moeder 2], als achternaam heeft. Toen twee jaar later [minderjarige 2] werd geboren, hebben de moeders wederom geen naamskeuze gedaan. [minderjarige 2] heeft toen de achternaam van zijn geboortemoeder, [moeder 1], gekregen.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op beantwoording van de vraag of in de onderhavige situatie, waarbij er bij de geboorteaangifte van het kind, geboren binnen een geregistreerd partnerschap van twee vrouwen geen naamskeuze is gedaan en het kind op grond van de wet de geslachtsnaam van zijn geboortemoeder heeft gekregen, artikel 1:5 lid 8, dwingendrechtelijk voorschrijft dat een ander kind geboren binnen deze relatie maar uit de andere moeder, ook deze achternaam heeft.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Per 1 januari 1998 is de regeling van het naamrecht ingrijpend gewijzigd. Uitgangspunt van het (nieuwe) naamrecht is onder andere de gelijke behandeling van de man en de vrouw en van kinderen staande en buiten het huwelijk geboren, meer keuzevrijheid in het naamrecht, en eenheid van naam binnen het gezin, voor zover die tot uitdrukking komt in de naam.

De eenheid van naam is door de wetgever neergelegd in het achtste lid van artikel 5 waarin is bepaald dat een verklaring houdende naamskeuze slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind kan worden afgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbankbank kan uit de tekst van artikel 1:5 lid 8 BW niet worden afgeleid dat de wetgever het oog heeft gehad op gevallen als de onderhavige. Dat blijkt volgens de rechtbank in eerste plaats uit het eerste zin van lid 8 waar is bepaald dat dit artikellid van toepassing is indien de ouders - in het onderhavige geval de geregistreerd partners - een verklaring naamskeuze hebben afgelegd. Wanneer een dergelijke verklaring niet is afgelegd lijkt voor toepassing van artikellid 8 dan ook geen plaats.

De wetgever heeft kennelijk bedoeld de keuze voor het eerste kind, omwille van de eenheid van naam binnen het gezin, beslissend te laten zijn voor de volgende kinderen. Die eenheid van naam dwingt gelet op de tekst van lid 8 van artikel 5 echter niet tot het wijzigen van een achternaam in een geval als het onderhavige, waarin bij de geboorte géén naamskeuze is gedaan. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat op grond van de tekst van de wet niet kan worden geconcludeerd tot een dwingend voorgeschreven wijziging van de achternaam van [minderjarige 2].

De rechtbank is overigens daarbij van oordeel dat een verplichte wijziging van de achternaam van [minderjarige 2] in strijd is met de belangen van [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is inmiddels bijna 8 jaar en heeft sinds zijn geboorte de achternaam [naam moeder 1]. Op grond van internationale verdragen voor de rechten van het kind heeft een kind recht op een naam vanaf zijn geboorte. Deze achternaam is een belangrijk onderdeel van zijn persoonlijke identiteit. Gelet op het belang van de achternaam bij de persoonlijke identiteit moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeer terughoudend met een wijziging van de achternaam worden omgegaan. Dat de eenheid van naam door de wetgever niet als absoluut uitgangspunt heeft te gelden, blijkt volgens de rechtbank ook uit de uitzonderingen die door de wetgever op dit uitgangspunt zijn gemaakt. Zo behoudt een kind bij het achterwege laten van een naamskeuze bij adoptie, de naam die het voor de adoptie had en kan een minderjarige die op het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien jaar of ouder is, zelf ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de notaris of, in geval van adoptie of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan van de rechter verklaren of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben.

De rechtbank overweegt voorts ten overvloede dat er van eenheid van naam binnen het gezin van de moeders overigens toch al geen sprake is, aangezien de moeders beiden hun eigen achternaam gebruiken.

2.6.2

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de officier van justitie om te gelasten dat akte nr, 1G1870 van het jaar 2009, voorkomende in het register van geboorten van de gemeente Groningen, zal worden gewijzigd, dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Timmermans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 21 februari 2017 door mr. W.P. Claus in tegenwoordigheid van

mr. M.M. Verbeek, griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: mmv