Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:568

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
5524682 Ar VERZ 16-235
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

WWZ: opzegging arbeidsovereenkomst na 2 jaar ziekte zonder toestemming UWV. Transitievergoeding plus billijke vergoeding (€ 1.000,-)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0200
AR 2017/921
Prg. 2017/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5524682 AR VERZ 16-235

beschikking van de kantonrechter d.d. 15 februari 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.D. Postma,

tegen

de stichting Stichting Kinderopvang Noord-West Friesland,

gevestigd te Franeker,

verweerster,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en de Stichting worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 17 november 2016, ter griffie binnengekomen op

18 november 2016, heeft [verzoekster] verzocht - samengevat weergegeven - om de Stichting te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW en vergoeding voor nog openstaande en niet genoten verlofuren.

1.2

Bij brief van 18 november 2016 heeft de rechtbank een exemplaar van het verzoekschrift toegezonden aan de Stichting. Vervolgens heeft de rechtbank de Stichting bij brief van 29 november 2016 meegedeeld dat het verzoekschrift zal worden behandeld ter zitting op 21 december 2016 en de Stichting in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

1.3

De Stichting is niet verschenen op de zitting van 21 december 2016. In verband hiermee is de behandeling van het verzoekschrift aangehouden. Vervolgens heeft de rechtbank de Stichting bij brief van 21 december 2016 meegedeeld dat het verzoekschrift zal worden behandeld ter zitting op 30 januari 2016 om 14:00 uur. De gemachtigde van [verzoekster] heeft een afschrift van deze oproepingsbrief alsmede een afschrift van het verzoekschrift op 3 januari 2017 per deurwaardersexploot betekend aan de Stichting.

1.4

Het verzoekschrift is (verder) behandeld op 30 januari 2017. De Stichting is daarbij (opnieuw) niet verschenen.

2 De feiten

2.1

[verzoekster] , geboren op 30 oktober 1954, is op 1 april 2007 in dienst getreden bij de Stichting. Laatstelijk vervulde [verzoekster] de functie van adjunct-hoofd, tegen een maandsalaris van € 2.183,52 bruto (exclusief emolumenten).

2.2

Per 26 september 2014 is [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt geraakt.

2.3

Bij beslissing van 4 augustus 2016 heeft Uwv [verzoekster] meegedeeld dat zij met ingang van 23 september 2016 (einde wachttijd 104 weken) een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) zal ontvangen.

2.4

Bij brief van 6 september 2016 heeft de Stichting [verzoekster] meegedeeld dat haar dienstverband bij de Stichting met ingang van 23 september wordt beeindigd. Over de reden hiervoor is in de brief aangegeven: "U ontvangt vanaf deze datum een WIA-uitkering (….)".

2.5

Bij brief van 30 september 2016 heeft [verzoekster] de Stichting er op gewezen dat de Stichting terzake de beëindiging van het dienstverband per 23 september 2016 nog een transitievergoeding en vergoeding voor 435 niet genoten verlofuren verschuldigd is. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft mr. Postma voornoemd de Stichting hier nogmaals op gewezen. Daarnaast heeft hij namens [verzoekster] aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding ex

artikel 7:681 BW wegens het opzeggen van de arbeidsovereenkomst in strijd met

artikel 7:671 ter grootte van tweemaal de transitievergoeding.

2.6

In reactie op laatstgenoemde brief heeft de Stichting, bij monde van haar directeur

J. van den Akker, mr. Postma bij e-mail van 27 oktober 2016 het volgende laten weten:

"Uw brief d.d. 21 oktober 2016 heb ik maandag 24 oktober jl. in goede orde ontvangen. Door omstandigheden heb ik uw brief nog niet kunnen behandelen. Ik verzoek u mij hiervoor twee weken de tijd te geven. U ontvangt uiterlijk 7 november bericht van mij."

2.7

Sedertdien heeft de Stichting echter niets meer van zich laten horen in de richting van [verzoekster] en/of mr. Postma.

3 De verzoeken

3.1

[verzoekster] verzoekt om de Stichting bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling, binnen 7 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, van:

1. een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW van € 7.074,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016;

2. een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW van € 14.128,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016;

3. een bedrag van € 6.955,65 bruto terzake nog niet genoten verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2016 alsmede met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50%;

met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, inclusief nakosten.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter oordeelt dat de bij wet voorgeschreven formaliteiten en een (gezien de omstandigheden) redelijke termijn voor de oproeping voor de zitting van 30 januari 2017 in acht zijn genomen. Tegen de Stichting, die zoals hiervoor is overwogen niet op de zitting is verschenen, zal daarom verstek worden verleend.

Transitievergoeding (verzoek 1)

4.2

Het verzoek om toekenning van een transitievergoeding, door [verzoekster] berekend op

€ 7.074,00 bruto, komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit verzoek zal daarom worden toegewezen.

Billijke vergoeding (verzoek 2)

4.3

Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW, in samenhang gelezen met artikel 7:669 lid 3 sub b BW en artikel 7:670 lid 1 sub a BW, kan de werkgever het dienstverband met een werknemer opzeggen indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van deze werknemer ten minste twee jaar heeft geduurd. Vast staat dat die situatie zich hier voor doet. Artikel 7:671a lid 1 BW bepaalt echter dat de werkgever in een dergelijk geval voor opzegging van het dienstverband schriftelijk toestemming moet hebben van Uwv. Deze toestemming ontbreekt. De opzegging van het dienstverband per 23 september 2016 door de Stichting is derhalve in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW. Op grond van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW had [verzoekster] de keuze om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen of om een verzoek te doen tot toekenning van een billijke vergoeding. [verzoekster] heeft berust in de opzegging en verzocht om een billijke vergoeding.

4.4

Voor de toekenning van de billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW is geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, zij het dat de regering erop heeft gewezen dat het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels de werkgever ernstig valt aan te rekenen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4, p. 61). Daarmee is de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding ten laste van de Stichting aan [verzoekster] in beginsel gegeven. Het is evenwel aan de rechter om de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding te bepalen, waarbij met alle relevante omstandigheden rekening kan worden gehouden. Terzake overweegt de kantonrechter als volgt.

4.5

Gedurende de arbeidsongeschiktheid heeft de Stichting het loon van [verzoekster] doorbetaald conform de voor haar geldende regels. [verzoekster] ontvangt sinds 23 september 2016 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] ontvangt vanaf die datum geen loon meer van de Stichting. [verzoekster] heeft immers ingestemd met een beëindiging van haar dienstverband per die datum. Bovendien is de Stichting vanwege de vanaf deze datum meer dan twee jaar durende arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] geen loon meer verschuldigd aan [verzoekster] . Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, mocht de Stichting vanwege de langer dan twee jaar voortdurende arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] in beginsel het dienstverband met haar opzeggen. De Stichting heeft echter verzuimd hiervoor toestemming te vragen van Uwv. De kantonrechter acht het echter alleszins aannemelijk dat indien de Stichting Uwv om toestemming had gevraagd, de Stichting deze toestemming zou hebben verkregen waarna de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig had kunnen worden opgezegd.

Zoals gezegd, heeft de Stichting verzuimd Uwv om toestemming te vragen, hetgeen de Stichting te verwijten valt. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft mr. Postma de Stichting gewezen op deze omissie en de Stichting nogmaals - in navolging van [verzoekster] in haar brief van 30 september 2016 - gemeld dat de Stichting een transitievergoeding en een vergoeding terzake niet genoten verlofuren verschuldigd is aan [verzoekster] . In reactie hierop heeft de Stichting aan mr. Postma meegedeeld dat zij uiterlijk 7 november 2016 zou reageren, maar vervolgens niets meer van zich laten horen. De Stichting is evenmin ter zitting verschenen om haar standpunt toe te lichten. Deze houding voedt de gedachte dat de Stichting wat betreft de financiële afwikkeling van het dienstverband van [verzoekster] "de kop in het zand steekt". Ook dat is de Stichting te verwijten. De door [verzoekster] gevorderde billijke vergoeding van € 14.128,00 bruto acht de kantonrechter voor een geval als het onderhavige evenwel bovenmatig. Gegeven voormelde omstandigheden en alles afwegende, acht de kantonrechter de toekenning van een billijke vergoeding van € 1.000,00 bruto in dit geval redelijk.

Vergoeding voor niet genoten verlofuren (verzoek 3)

4.6

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de kantonrechter stelt voorop dat, nu tegen de Stichting verstek is verleend, het verzoek dient te worden toegewezen, tenzij het verzoek de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

4.7

Ter onderbouwing van het verzoek heeft [verzoekster] gewezen op een door haar overgelegde verlofkaart 2016. Hierop is vermeld dat het verlofsaldo in 2016 in totaal 435 uren bedraagt. Dit aantal is volgens de verlofkaart 2016 als volgt opgebouwd:

- vakantieverlof 2016 123,50

- verlofbudget 2016 56,75

- restant vakantieverlof 2015 123,50

- opgebouwd verlofbudget 0,00

- seniorenverlof 131,25

Totaal 2016 435,00.

Verlofuren 2015

4.8.1

Ten aanzien van 'restant vakantieverlof 2015' is in de verlofkaart aangegeven dat deze verlofuren vóór 1 juli 2016 moeten worden opgenomen en dat, indien dit niet gebeurt, deze verlofuren vervallen. Of dit (onder andere met het oog op de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] ) terecht is, kan de kantonrechter, zonder verweer van de zijde van de Stichting, op basis van de beschikbare feiten niet bepalen. De Stichting zal daarom worden veroordeeld tot uitbetaling van deze uren. Dit komt neer op een bedrag van (afgerond) € 1.974,77 bruto (123,50 uren x € 15,99 bruto per uur).

Verlofuren 2016

4.8.2

Naar het oordeel van de kantonrechter is voor wat betreft de verzochte vergoeding voor niet genoten verlofuren over 2016 voor een deel sprake van ongegrondheid als bedoeld in rechtsoverweging 4.6. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Het verlofsaldo over 2016 bedraagt 311,5 uren (vakantieverlof 123,50 uren; verlofbudget 56,75 uren; seniorenverlof 131,25). Uit de verlofkaart volgt evenwel dat dit saldo uit gaat van een dienstverband van [verzoekster] bij de Stichting gedurende het gehele jaar 2016, dus van 52 weken. Het saldo aan verlofuren voor geheel 2016 is immers al in januari 2016 bijgeboekt. Het dienstverband van [verzoekster] bij de Stichting is echter per 23 september 2016 (week 38) beëindigd. Het dienstverband van [verzoekster] duurde in 2016 dus geen 52 weken maar 38 weken. Dit leidt er toe dat het verlofsaldo dient te worden gecorrigeerd naar (afgerond) 228 uren (38/52 x 311,5 uren). De Stichting zal daarom worden veroordeeld tot uitbetaling van deze uren. Dit komt neer op een bedrag van € 3.645,72 bruto (228 uren x € 15,99 bruto per uur).

Resumé

4.8.3

De vergoeding voor niet genoten verlofuren komt daarmee in totaal op € 5.620,49 bruto (€ 1.974,77 bruto terzake 2015 plus € 3.645,72 bruto terzake 2016).

Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW

4.9

De wettelijke rente over de transitievergoeding en de vergoeding voor niet genoten verlofuren zal worden toegewezen als verzocht nu dit volgt uit respectievelijk de artikelen 7:686a lid 1 BW en 6:83 sub a. BW jo. 6:119 BW. De wettelijke verhoging (over de vergoeding voor niet genoten verlofuren) zal worden toegewezen als verzocht nu dit de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Wat betreft de billijke vergoeding zal de kantonrechter bepalen dat hierover per 22 februari 2017 wettelijke rente is verschuldigd nu de verschuldigdheid van een billijke vergoeding per heden is vastgesteld en de betaling binnen 7 dagen na heden dient plaats te vinden.

Proceskosten

4.10

Omdat de Stichting (grotendeels) ongelijk krijgt, komen de proceskosten voor haar rekening. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden vastgesteld op:

griffierecht € 79,00

explootkosten € 76,40

salaris gemachtigde € 400,00

Totaal € 555,40.

Ten aanzien van de nakosten wordt beslist als hieronder is aangegeven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt de Stichting tot betaling aan [verzoekster] , binnen 7 dagen na dagtekening van deze beschikking, van:

- een transitievergoeding van € 7.074,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016;

- een billijke vergoeding van € 1.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2017;

- een vergoeding van € 5.620,49 bruto terzake nog niet genoten verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2016 over € 5.620,49 alsmede met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over

€ 5.620,49;

5.2

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 555,40, te vermeerderen met nakosten tot een bedrag van maximaal

€ 100,00;

5.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017 door

mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c467