Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:543

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
4689694 \ CV EXPL 15-13675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

- verbod publicaties, rectificatie en immateriële schadevergoeding op grond van diverse beschuldigingen aan het adres van eiser in een boek en overige publicaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4689694 \ CV EXPL 15-13675

vonnis van de kantonrechter d.d. 22 februari 2017

inzake

[eiser ] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. H.J. Reyneveld,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. T.J. Stapel,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde sub 2,

verschenen in persoon

Partijen zullen hierna [eiser ] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken waaronder het vonnis in het bevoegdheidsincident van 17 mei 2016. Abusievelijk is in dat vonnis geen melding gemaakt van een akte van depot van de zijde van [eiser ] , waarbij het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " is gedeponeerd.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis ex artikel 130 Rv;

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser ] ;

- de conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde 1] .

[gedaagde 2] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek genomen.

Nadat mr. Stapel bij faxbericht van 4 oktober 2016 de kantonrechter namens [gedaagde 1] had verzocht om geen eindvonnis te wijzen voordat op het toen bij de kantonrechter onder zaak/rolnummer 5296214 / VZ VERZ 16-28 aanhangige verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv zou zijn beslist en de kantonrechter dit verzoek om aanhouding had afgewezen, heeft [gedaagde 1] een verzoek tot wraking ingediend. Dit wrakingsverzoek is bij uitspraak van 7 december 2016 afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Op [datum] is [het slachtoffer] vermoord aangetroffen in een weiland in Veenklooster.

2.2.

[eiser ] woonde ten tijde van de moord in een caravan op het terrein van het nabijgelegen AZC De Poelpleats (hierna: het AZC) in Kollum. In de nacht van 24 op 25 juni 1999 is deze caravan uitgebrand.

2.3.

Na de moord kwam een geruchtenstroom op gang over de mogelijke daders van de moord. In eerste instantie werden asielzoekers uit het AZC in deze geruchten aangeduid als de moordenaars, later werd ook [eiser ] in deze geruchten als één van de daders genoemd.

2.4.

In juni 2002 heeft [eiser ] een interview aan de Leeuwarder Courant gegeven, welk interview door de Leeuwarder Courant is gepubliceerd op 13 juni 2002 onder de kop " [eiser ] wil af van de praatjes". In dit interview heeft [eiser ] onder meer aangegeven dat hij een dag na de moord naar Duitsland is vertrokken en pas bij terugkeer uit Duitsland, twee weken later, hoorde wat er was gebeurd. Voorts heeft hij aangegeven dat hij niets met de moord te maken heeft, dat hij door de politie ook is uitgesloten als dader, maar dat desalniettemin de geruchten over zijn betrokkenheid bij de moord aanhouden en dat hij wordt bedreigd.

2.5.

Op 18 november 2012 is na een DNA-onderzoek de heer [A] opgepakt als verdachte van de moord. Hij heeft vervolgens een bekentenis afgelegd en is bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 april 2013 door deze rechtbank, locatie Leeuwarden, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar veroordeeld wegens de moord.

2.6.

[gedaagde 2] exploiteert een uitgeverij genaamd Novio Media Uitgevers.

2.7.

[gedaagde 1] heeft een website met de domeinnaam [S] .

2.8.

In mei 2014 heeft Novio Media Uitgevers een boek uitgegeven, geschreven door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , getiteld "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " met de ondertitel: "De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] " (hierna: het boek). In dit boek staat - voor zover van belang en onder verwijzing naar het nummer van de bladzijde - het volgende vermeld:

blz 17:

[…]

Twee rotmoffen, organisatoren en facilitatoren van de moord op [het slachtoffer] en de volbloed-Friezen [B] en [C] krijgen de guillotine, live uitgezonden op alle Nederlandse zenders.

[…]

blz 61:

[…]

[A] is er ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [eiser ] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. […]

De moord is zeer waarschijnlijk in de caravan gepleegd en [het slachtoffer] is met de BMW naar het weiland vervoerd. […]

Dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar wekt sterk de indruk dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd, waarbij ze hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [D] en [eiser ] . […]

blz 212 e.v.:

[…]

De duistere kanten van [eiser ]

[…]

Als we hem confronteren met het feit dat hij tegen één van de bewakers gezegd zou hebben dat hij van zijn auto, waarmee hij op de dag van de moord naar Duitsland was vertrokken, een pakketje had laten maken, grijpt hij woest een ordner met garagerekeningen. De hoeveelheid papier moet overtuigen waar zijn lichtgrijze Citroën BX is gebleven, maar of die is ingeruild of verkocht, kan hij niet laten zien. 'Ik heb dat ding pas een jaar na de moord naar de sloop gebracht, hier in [woonplaats] . Ga daar maar heen, want die moeten nog wel een administratie hebben!' Het gesprek wordt met de minuut onvriendelijker.

[…]

Net als bij [E] proberen we de kaart van ‘de duivelsruil’ te spelen. We sparen [eiser ] in ruil voor de informatie waarnaar we op zoek zijn. Al was het alleen maar dat hij zou bevestigen dat [het slachtoffer] op het plein bij [F] in een auto is gestapt en in het geheel geen fietstrapper of bagagedrager heeft aangeraakt. [eiser ] heeft een heerlijk accent. In de tientallen gesprekken die beide auteurs met elkaar voeren, imiteren we [eiser ] om beurten. ‘Was wielen joelie nou reulen, alles steht ja lang op die website von [gedaagde 1] ’, was het langste blijven hangen.

[…]

Hij koos een briljante strategie, zo voelden we aan. Iets wat gewoonlijk door pathologische leugenaars met vaardigheid wordt bedreven: de waarheid tot leugen maken en andersom en dat met veel elan en overtuiging brengen. Na het eerste gesprek twijfelden we. Klopt het dan niet wat we over hem toch echt als harde feiten naar boven hadden gekregen? Die [eiser ] klonk zo overtuigend dat we zelf in de mood kwamen om het hele project te cancelen.

[…]

In de auto terug naar huis mijmeren we over de zogenaamde snuff movies die in het chalet van [eiser ] zouden worden gemaakt. Gruwelijker seksfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden. Het zijn banden die zomaar 30.000 euro per klant opleveren. Big business dus als je - zoals in het kopiëercentrum van [eiser ] - er nog een paar kunt multipliceren. Van meerdere getuigen hoorden we dat [eiser ] samen met [D] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio. Verhalen over fel licht in [eiser ] ’s caravan versterkten deze stelling. Los van wat we later allemaal nog hard konden krijgen wisten we dat hij op de ochtend van de moord naar Duitsland was vertrokken. Over die datum had hij in verschillende media meerdere keren gelogen. Waarom eigenlijk, als je niets te verbergen hebt? Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto en hij vertelde de bewaking desgevraagd van ‘het pakketje’.

[…]

De brandweer werd niet toegelaten en vanaf dat moment werd duidelijk dat hier sporen moesten worden gewist. Slim als [eiser ] is, had ie kort te voren zijn caravan aan [G] verkocht. Mondeling, nog niet op papier. [G] mocht al beginnen met opknappen, maar niet binnen. Alleen aan de buitenkant. Een sleutel kreeg hij ook niet. Toen de woonwagen in de hens ging, was er een briljant alibi voor brandstichting. [eiser ] had het chalet al verkocht en dus was er geen reden de hele handel in de fik te steken. Nee, met dit soort oplossingen, kon je bij [eiser ] wel aankomen.

[…]

[B] en [C] kwamen regelmatig bij hem. Net als [het slachtoffer] hoewel dat bij weinigen, zoals buurman [H] , bekend was. [I] kwam er ook. Hij zat aardig aan het wiet. Zodanig dat hij daar een schuld bij [B] voor had opgebouwd. Was het hele AZC De Poelpleats al een poel des verderfs, bij [eiser ] werd er ook een handel gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [eiser ] opgaf. Onder andere [C] en [B] verdienden er een aardig centje mee.

[…]

[eiser ] is nooit door de politie op een normale wijze verhoord, hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als een pyromaan in een hooiberg. Zelf heeft hij de politie aangeboden DNA af te staan, hetgeen ook is gebeurd. Niet zo moeilijk natuurlijk als je ‘slechts’ als facilitator zou hebben opgetreden en je leuter in je broek hebt gehouden. Niks aan de hand.

Vast staat ook dat [J] begin 1998 in het chalet van [eiser ] in het voormalige AZC ‘De Poelpleats’ te Kollum is geweest. Dit is namelijk door meerdere getuigen verklaard. Wat zij daar precies te zoeken had, is zoveel jaar na dato onduidelijk gebleven maar laat zich natuurlijk gemakkelijk raden. [J] was een Gronings hoertje en trok ook veel op met [D] . Heeft [D] dan ook [J] geofferd voor een snuff movie? Het zou zo maar kunnen als je bedenkt dat hij ooit aan [K] , de beheerder van het Landbouwmuseum, had gevraagd wat er gebeurde als je een lijk in een gierput zou mieteren. [K] had zo’n put en het AZC ook... En er is nog iets: Net als het chalet van [eiser ] , is ook de caravan van [L] , een kennis van [J] die zich ook prostitueerde en ook werd vermoord, onder verdachte omstandigheden in rook opgegaan. De één noemt dit louter toeval en de ander ziet er een causaal verband in.

We bezochten [eiser ] nog een tweede en derde keer waarbij in het laatste gesprek het wat ons betreft haring of kuit moest zijn. Op één enkele vraag hoefde hij alleen maar te knikken. Is de moord door asielzoekers gepleegd? Ja of Nee? Hij twijfelde maar gaf aan dat we mogelijk verder konden. Uiteindelijk zei [eiser ] ja. Hij leek om en in een licht euforische opwelling liet hij mailtjes zien tussen hem en [M] . ‘Als jullie mij belazeren dan weet ik de weg’, zei [eiser ] en liet ons ongevraagd de mailtjes zien. We waren verbijsterd. Een hoofdverdachte, toch zeker toen in 1999, mailt met de zaaksofficier, die van [eiser ] wil weten of de ‘complotters’ hem benaderen. Je gaat van alles denken.

[…]

In een ultieme poging hem alsnog te overtuigen gooien we er een mailtje tegenaan.

[…]

Voor wat betreft de zaak zelf hebben we nu dus twee ‘kroongetuigen’ en als het om jou gaat van drie verschillende mensen (die elkaar niet kennen) verklaringen die vernietigend voor je zijn. Kortom, als je nog steeds niet op ons voorstel in wilt gaan is ons dat om het even omdat de info die we nu compleet en hard hebben een geweldige bijdrage levert aan het plot van het boek. Feitelijk is dat nog sensationeler dan het hebben van een derde bron voor de hoofdzaak: ‘who did it’ (en vooral wie niet).

[…]

Wat er onder meer uit naar voren komt zijn tal van zaken die jij tot dusver met klem hebt ontkend. Buiten dat jouw rol ons sowieso bekend is en wij die zullen publiceren zal de lezer een eenduidige conclusie trekken als het erom gaat wat jouw bijdrage is geweest.

Daarnaast is relevant dat al hetgeen je met kracht hebt ontkend onderuit wordt gehaald zoals:

1. [D] sliep in de blikken caravan van en naast jou. Jij ontkende dat.

2. [B] en [C] kwamen bij je in de caravan.

3. 3. [het slachtoffer] is al dan niet met haar AZC-vriendje meerdere malen bij je op bezoek geweest.

4. De caravan heb je leeggehaald voor je deze in de fik liet steken.

5. Gestolen spullen en pornografische video's (we weten ook welke) werden bij, met en door jou verhandeld.

6. Je Citroën is in Duitsland achtergebleven en vernietigd (twee getuigen).

7. Je bent pas op zaterdag 1 mei vertrokken naar Duitsland.

8. We weten wat er bij je in de caravan gebeurde. Honderd procent. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Inmiddels heeft je ex [N] ook al het nodige zeer waardevolle en ontluisterende informatie naar buiten gebracht. Informatie die aansluit bij hetgeen al bij ons bekend was en nieuwe info die uitermate belastend is.

[…]

[gedaagde 2]

En deze na ons laatste telefoongesprek met [eiser ] :

[…]

Los van al je leugens tot nu toe weten we via een getuige van de moord hoe het gegaan is en wie er verantwoordelijk zijn. Zoals eerder gezegd weet ik wat jij weet en dat wilde ik alleen uit jouw mond horen zoals de laatste keer bij je thuis. Als derde bron, maar niet perse noodzakelijk.

Ik had je een eenvoudige deal voorgesteld waar we allebei ‘wijzer’ van zouden worden. Simpeler kon het niet. De laatste keer dat ik bij je was wilde je ‘er nog over nadenken’.

Het gaat al helemaal niet meer om jouw leugens. Hoewel, jij noemt het ‘praatjes’ maar dat zijn het niet. Het is door ons inmiddels bewezen. Als 3 mensen, die elkaar niet kennen en elkaar nooit gesproken hebben, los van elkaar hetzelfde bevestigen dat - bijvoorbeeld - [B] en [C] vaak bij jou kwamen en jij stelt bij voortduring dat zulks nooit het geval is geweest dan is dat verder zo klaar als een klontje. En dan hebben we het nog maar over één feit ten opzichte van een geheel feitencomplex.

Nogmaals, het ging al niet meer om jouw leugens. Door de thans voor handen zijnde kluisverklaring van een bij de moord betrokkene weten we nu wat er gebeurd is. Punt.

Je zei in het telefonisch onderhoud van zojuist dat je ons voor smaad en laster zou aanklagen. Je had je advocaat al gebeld, begreep ik. Da's prima, maar als het boek straks is verschenen zal jouw advocaat (ook hij zal je vertellen dat je verweer kansloos is) je toch echt afraden nog verder in de stront te roeren. Neem dat maar aan. Je liet weten dat de kwaliteit van jouw getuigen meer gewicht in de schaal zouden leggen dan de onze. Dat is onmogelijk gezien de hoeveelheid waarover wij beschikken. Bovendien, de mensen die jij als getuige ziet, verklaren tegenover ons juist het tegenovergestelde van wat jij beweert. Bijvoorbeeld: Je zou [H] en [N] er wel eens bij roepen, zei je twee maanden geleden. Nou, ik ben bij [H] geweest. Heb hem meerdere malen gesproken. Hij verklaart op alle punten wat we al van anderen wisten en wat haaks staat op jouw beweringen. Nee, met zulke getuigen ga jij een smaad- of lasterzaak zeker winnen…

[…]

[gedaagde 2]

Er heeft zich nog steeds geen advocaat namens [eiser ] gemeld. We hebben nooit meer van hem vernomen. Het bleek ook allemaal niet meer van belang toen we begin van dit jaar met maar liefst drie direct en indirect betrokkenen wel tot een ruil kwamen die leidde tot evenveel kluisverklaringen zoals valt te lezen in het laatste hoofdstuk van dit boek. Een heftige passage uit één van de verklaringen:

… Ik ben tegen mijn wil in getuige geweest van de moord op [het slachtoffer] maar wens over de details niet te verklaren. Wel verklaar ik bij deze dat [B] [het slachtoffer] heeft gedood in de caravan van [eiser ] , bewoner van het AZC Kollum op dat deel dat niet tot het AZC behoorde maar werd bewoond door vaste standplaatshouders uit de periode dat het AZC nog niet bestond…

… Ik verklaar dat ik weet wie een derde persoon heeft gebeld om [B] in de nacht van de moord naar [P] te brengen.

2.9.

In een e-mailbericht aan getuige [E] is blijkens blz 199 e.v. van het boek onder meer het volgende aan [E] medegedeeld door [gedaagde 2] :

[…]

Ik gun het je niet dat je leven na het boek op zijn kop komt te staan en je straks niet meer over straat kunt. Denk ook aan je vrouw en je kinderen in je overwegingen. Ik wil me in geen geval schuldig maken aan aantasting van jouw persoonlijke levenssfeer. Echter in het algemeen belang en om het deksel van deze doofpot te krijgen is dat onvermijdelijk. Het is een lastige afweging maar het is nou eenmaal niet anders.

Uiteraard blijft, zoals je gevraagd hebt, onze afspraak strikt onder ons.

Niemand zal ooit weten dat wij elkaar gesproken hebben.

Nogmaals:

• Optie 1 is dus dat ik jouw rol in zijn geheel (ook een nauwkeurige omschrijving van mijn

bezoek aan jou en hoe we je gevonden hebben) in het boek zet met de waarheid dat jij mee

hebt gewerkt om de ware toedracht van een moord te verhullen.

• Optie 2 is dat ik je uit het boek houd in ruil voor het ware verhaal.

En dat je simpelweg bevestigt dat het fietsverhaal verzonnen is.

• Optie 3 is nog iets waar je over na kunt denken. We kunnen ook overeenkomen dat je uit wroeging, medemenselijkheid en spijt niet langer met de leugen kon leven en de loden gewetenslast daarvan kwijt wilde. In dat geval kan ik je ook neerzetten als de grootste held van Friesland, die je dan ook daadwerkelijk bent. Van jouw vrienden weet ik dat jij een ‘goedzak’ bent. Daarom weet ik ook dat het zwaar voor je moet zijn om de waarheid voor je te houden.

[…]

Op bladzijde 204 van het boek is omtrent dit e-mailbericht voorts het volgende vermeld:

[…]

Dat van die getuigenverklaringen was bluf. Althans, we hadden dat toen nog niet geheel rond. Je moet echter in een dergelijk dossier anticyclisch en onorthodox te werk gaan omdat je anders niet ver komt.

[…]

2.10.

[gedaagde 2] heeft bij e-mail van 27 juni 2014 een persbericht ten aanzien van het boek aan [eiser ] gestuurd. In deze e-mail staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

In het kader van hoor en wederhoor leggen wij dit bericht ter becommentariëring aan u voor. Indien u de inhoud ervan niet weerlegt of weerspreekt zullen wij dat in het persbericht opnemen. In verband met een op stapel staande grootscheepse marketingactie wordt de derde druk van ‘Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ’ gedrukt in een oplage van 30.000 stuks. Hierin wordt het bijgaande persbericht alsdan opgenomen.

2.11.

In reactie hierop heeft mr. Reyneveld voornoemd namens [eiser ] bij e-mail van

7 juli 2014 aan [gedaagde 2] bericht dat [eiser ] nadrukkelijk de juistheid van de inhoud van het persbericht betwistte en niet akkoord ging met verspreiding van het persbericht.

2.12.

Bij e-mailbericht van 9 juli 2014 heeft [gedaagde 2] onder meer het volgende aan

mr. Reyneveld medegedeeld:

[…]

Overigens dient u te begrijpen dat onze statements ten aanzien van uw cliënt niet slechts onze eigen mening is, maar gebaseerd zijn op de verklaringen van derden, getuigen die uw cliënt kenden tijdens de moord op [het slachtoffer] .

Zoals u in het boek heeft kunnen lezen beschikken wij over twee getuigenverklaringen van ex-asielzoekers, onder ede bij de notaris afgelegd, die bij de moord betrokken zijn geweest. Beiden stellen dat de moord plaatsvond in de caravan van uw cliënt. In diens bijzijn.

[…]

Des te meer bevreemdt dat in het licht van de omstandigheid dat wij onze lezers kennelijk kunnen overtuigen, gezien de vele lovende recensies op de website van Bol.com, waarin uw cliënt ook door tal van derden met naam en toenaam wordt genoemd:

" [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leveren het sluitende bewijs dat de hoofdverantwoordelijke daders zijn te vinden in het Duitse criminele georganiseerde drugs-/porno-/pedomilieu van [eiser ] en [D] . […]

Gezien de hardheid van de zeer belastende informatie die reeds twee maanden te lezen is in een succesvol boek, waar uw cliënt al die tijd van op de hoogte is geweest en zelfs daarvoor, maar niets heeft ondernomen, zijn wij niet voornemens af te zien van een dergelijk persbericht en zien eventuele gerechtelijke stappen met vertrouwen tegemoet.

[…]

2.13.

Op 9 juli 2014 heeft [gedaagde 1] het volgende e-mailbericht aan [gedaagde 2] gezonden:

[…]

Subject: RE: In rood > Re: Ter overdenking> Re: Inzake [eiser ] /Novio Media, persbericht "Medeplichtige / medepleger van moord op [het slachtoffer] woont gewoon in [woonplaats] "

Concept bericht voor Recht is Krom. Akkoord?

[eiser ] vertelt weer niet de waarheid

Geplaatst op 9 juli door wdankbaar

Vervolgens is een tekst vermeld die nagenoeg overeenkomt met de navolgende tekst, die [gedaagde 1] diezelfde dag op zijn website [S] heeft geplaatst:

[eiser ] wil af van de praatjes maar is er zelf meester in.

[eiser ] heeft bij herhaling ontkend dat hij [D] kent.

Wij hebben meer dan vijf getuigen, allen bereid te verklaren onder ede, dat [D] een zeer goede vriend en zakenpartner van [eiser ] was, die zelfs bij hem heeft ingewoond. Ook [moeder slachtoffer] schreef dit al in haar dagboek.

Overigens dient men te begrijpen dat onze statements ten aanzien van [eiser ] niet onze eigen mening is, maar gebaseerd zijn op de verklaringen van derden, getuigen die [eiser ] kenden ten tijde van de moord op [het slachtoffer] . Zo beschikken wij onder meer over twee getuigenverklaringen van ex-asielzoekers, onder ede bij de notaris afgelegd, die bij de moord betrokken zijn geweest. Beiden stellen dat de moord plaatsvond in de caravan van [eiser ] . In diens bijzijn. (…) Gecombineerd met de overige bewijzen is onze onomstotelijke conclusie dat dit bloedverlies heeft plaatsgevonden in de caravan van [eiser ] . Die dan ook niet voor niks in vlammen opging, een brand waarvan de ware toedracht ook weer door Justitie met leugens werd omkleed. Kortsluiting midden in de nacht in een onbewoonde caravan.

[…]

Wij hebben [eiser ] onlangs een concept persbericht gestuurd met als kop “Medeplichtige / medepleger van moord op [het slachtoffer] woont gewoon in [woonplaats] ”.

[…]

[eiser ] heeft ooit zelf onder eigen naam de media gezocht. Dan moet je niet piepen als je “praatjes” eens doorprikt worden. Bekend was ook al dat [eiser ] na terugkeer uit Duitsland een nieuwe auto had en desgevraagd zei dat hij van zijn vorige auto “een pakketje” had laten maken. Wij laten de conclusie over hoe het lichaam van [het slachtoffer] in het weiland terecht is gekomen aan de lezer over.

[gedaagde 2] heeft op dit bericht van [gedaagde 1] diezelfde dag het woord "Doen" geantwoord.

2.14.

Het hiervoor onder 2.10 bedoelde persbericht is vervolgens gepubliceerd op de website van [gedaagde 1] [S] . In dit persbericht is het volgende vermeld:

Medeplichtige / medepleger van moord op [het slachtoffer] woont gewoon in [woonplaats]

In het geruchtmakende boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " wordt gesteld dat de Duitser [eiser ] medeplichtig is aan de moord op [het slachtoffer] . Destijds bewoonde de man een stacaravan op een camping welke onderdeel uitmaakte van het Asielzoekerscentrum Kollumerland. Hij dreef in de jaren negentig een videotheek in Dokkum, waar porno een groot deel van assortiment uitmaakte. De verkrachting en moord zou in deze caravan plaatsgevonden hebben en gefilmd zijn door [eiser ] . De moord zelf is volgens de auteurs [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gepleegd door de Irakese asielzoeker [B] . "De moordenaar is reeds dezelfde dag door Justitie in Leeuwarden opgepakt en heimelijk via het Grenshospitium Amsterdam het land uitgezet."

De auteurs baseren zich op een tweetal kluisverklaringen van ex-asielzoekers die dit voorjaar onder ede bij de notaris zijn afgelegd. Eén van de mannen, een toenmalige vriend van [B] , verklaart getuige te zijn geweest van de moord in de caravan van de Duitser. Hij stelt tevens dat hij op de dag van de moord van het AZC is opgehaald door de politie en op het bureau te Buitenpost het hele verhaal heeft verteld, inclusief het huuradres van [B] te [P] . De volgende dag is de man vrijgelaten en weer een dag later naar het AZC Musselkanaal overgeplaatst. Kort daarop is hem een verblijfvergunning verleend en is hij regulier gehuisvest in Nederland.

De andere verklaarder is een man die stelt [B] met zijn auto te hebben opgepikt van de [P] (de plek waar [het slachtoffer] werd gevonden) en een lift naar [P] heeft gegeven. Ook deze man stelt dat de moord in de caravan van [eiser ] is gepleegd. Justitie is bekend met de identiteit van beide verklaarders, aldus de auteurs.

Bekend was al dat [eiser ] op de ochtend na de moord naar Duitsland is vertrokken en twee weken later terugkwam met een andere auto. Volgens oud AZC bewakers zei [eiser ] desgevraagd dat hij van zijn auto ''een pakketje'' had laten maken. Ook is bekend dat zijn caravan anderhalve maand na de moord in vlammen opging. Hoewel het inmiddels onbewoonde chalet midden in de nacht afbrandde, oordeelde de recherche dat kortsluiting de oorzaak was. In 2002 werd DNA van [eiser ] afgenomen dat hem volgens Justitie uitsloot als dader. De auteurs stellen dat dit logisch is omdat hij de moord niet pleegde, maar wel faciliteerde. De gang van zaken impliceert volgens hen dat de auto van [eiser ] is gebruikt om het lichaam van [het slachtoffer] te dumpen in het weiland langs de [P] . Zowel de auto als de caravan zijn dan vernietigd om bewijsmateriaal te wissen.

De auteurs hebben voor uitgave van hun boek ook bezoeken aan [eiser ] gebracht. Hierbij ontkende hij alles maar liet wel zien dat hij emailverkeer onderhoudt met de zaaksofficier van Justitie [M] .

Als de kluisverklaringen op waarheid berusten, dan betekent dit dat Justitie direct de ware toedracht kende, maar deze in de doofpot heeft gestopt en de dader en medeplichtigen een vrijgeleide heeft gegeven. En uiteindelijk de veeboer [A] op valse gronden voor de moord heeft laten veroordelen.

Het OM heeft via de Leeuwarder Courant laten weten niet te willen reageren op de onthullingen in het boek. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] vinden dat vreemd gezien de ernst van de aantijgingen, maar ook gezien de grote hoeveelheid, vrijwel uitsluitend lovende kritieken die hun boek ontvangt op de website Bol.com.

[eiser ] heeft desgevraagd laten weten zich te beraden op mogelijke stappen tegen het boek. In het licht van de beschuldigingen menen de auteurs dat hij weinig haast maakt.

[…]

2.15.

Eind juli 2014 is er onenigheid ontstaan tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Op 23 oktober 2014 heeft [gedaagde 1] een blog op zijn website omtrent zijn conflict met [gedaagde 2] geplaatst getiteld 'Wanhoopsprongen in [gedaagde 2] -gate'. in dit artikel staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Merk ook op dat [gedaagde 2] op generlei wijze ingaat op de inhoudelijkheid van mijn beschuldiging dat hij de "kluisverklaringen" verzonnen heeft. Dat is nu wel echt bewezen, anders had hij immers reeds lang de bewijzen ervan getoond. Hij durft zelfs niet eens te zeggen: Ze bestaan wel! In plaats daarvan camoufleert hij de kern van de zaak - zijn bedrog m.b.t. de kluisverklaringen - met nieuwe wanhoopspogingen. (…)

2.16.

In een kort-geding-procedure tussen [moeder slachtoffer] (de moeder van [het slachtoffer] ) als eiseres en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als gedaagden, heeft het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep bij arrest van 17 maart 2015 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - kort

gezegd - verboden om hoofdstuk 4 getiteld " [moeder slachtoffer] dagboek" van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " te (doen) publiceren en alle reeds gedrukte exemplaren van het boek, indien en voor zover hoofdstuk 4 daarin voorkomt, op hun kosten te (doen) vernietigen op straffe van een dwangsom.

2.17.

Kort na dit arrest heeft [gedaagde 2] aangekondigd dat hij het boek opnieuw zou publiceren onder de titel "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] , deel II" (hierna ook te noemen: Deel II). De inhoud werd op de website www.bol.com - voor zover van belang - als volgt omschreven:

Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] , deel II' is de vervanger van de eerder gelijknamige titel zonder de toevoeging 'Deel II'. Het boek is nagenoeg identiek aan de versie welke het vervangt, echter zonder het verboden hoofdstuk 4 maar met een schokkende scoop en tal van verbijsterende aanvullingen.

Tot op heden is genoemd boek niet gepubliceerd.

2.18.

Op 2 april 2015 heeft [gedaagde 1] in een blog op zijn website aangekondigd dat hij verwacht eind juni 2015 een nieuw boek op de markt te hebben, getiteld "Het [R] Complot". In dit blog staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Voorbestellen kan desgewenst door 22,90 euro over te maken op rekening (…). Vergeet niet uw adres te vermelden, anders weet ik niet waarheen ik het moet sturen. Ook desgewenst uw emailadres, want alle voorbestellers krijgen niet alleen een gesigneerd exemplaar, maar ook direct een gratis E-book versie van het oude boek “Het Verboden Dagboek van [moeder slachtoffer] ”. Uiteraard zonder hoofdstuk 4, de beschrijvende versie van [moeder slachtoffer] dagboek dat onlangs door de rechter verboden werd, (…)

2.19.

Het boek "Het [R] Complot" is in juni 2015 gepubliceerd. De inhoud van het boek, dat ook te koop wordt aangeboden op www.bol.com, wordt op de website www.bol.com - voor zover van belang - als volgt omschreven:

Het boek vertelt hoe, en waar, doorgedraaide asielzoekers en twee Duitsers [het slachtoffer] verkrachtten, vermoordden en haar lichaam in een weiland dumpten.

2.20.

Voorafgaand aan de publicatie van het boek "Het [R] Complot" heeft [gedaagde 1] een website in de lucht gebracht met de domeinnaam www. [R] .nl. Op deze website stond onder meer een artikel getiteld 'De Moordenaars', waarin het volgende is vermeld:

DE MOORDENAARS

[…]

De werkelijke moordenaar van [het slachtoffer] is de Irakese Koerd [B] , destijds bewoner van het asielzoekerscentrum Kollumerland. De moord is niet gepleegd in het weiland waar [het slachtoffer] 's lichaam werd gevonden, maar in het chalet van de duitser [eiser ] , op het campinggedeelte grenzend aan het AZC. Aanwezig bij de verkrachting en moord waren verder [D] , een duitse vriend van [eiser ] , en de destijds 15 jarige [C] , een vriend van [B] . [C] is de volgende dag, [datum] , door de politie van het AZC opgehaald en verhoord op het bureau Buitenpost. De leiding van het onderzoek was in handen van [T] die zich nu met [M] en [U] op de borst trommelt hoe geweldig ze de zaak hebben "opgelost". Echter, op het bureau heeft [C] al op dag 1 het hele verhaal verteld, inclusief de verblijfplaats van [B] op zijn huurkamer in [P] . Die kennis is door justitie niet gebruik om de zaak op te lossen, maar om de ware toedracht voor altijd verborgen te houden, onder meer door [B] heimelijk het land uit te sluizen en [C] als getuige van de moord buiten beeld te brengen. Het hoe en waarom kunt u verder gedetailleerd in het boek lezen.

[…]

2.21.

De domeinnaam www. [R] .nl is inmiddels in gebruik genomen door een andere exploitant.

2.22.

Bij vonnis van deze rechtbank, afdeling strafrecht, locatie Leeuwarden van 5 juli 2016 is [gedaagde 2] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Daarbij is als bijzondere voorwaarde opgelegd dat [gedaagde 2] bij een eventuele hernieuwde uitgave van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " en met de ondertitel: "De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] " de teksten die betrekking hebben op [eiser ] zal verwijderen en ook overigens geen nieuwe teksten zal publiceren die betrekking hebben op [eiser ] .

In het vonnis is onder meer het volgende vermeld:

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de vraag of de in het boek over aangever opgenomen passages als smadelijk kunnen worden aangemerkt, overweegt de rechtbank het volgende. Aangever wordt genoemd in het boek met als ondertitel “de schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] ” en aan hem wordt hierin een bepaalde mate van betrokkenheid toegedicht bij deze moord en andere kwalijke zaken. Door aangever op deze wijze in verband te brengen met een ernstig misdrijf als moord, hebben verdachte en de medeverdachte aangever in een kwaad daglicht gesteld en is hij in zijn eer en goede naam aangetast. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het bij bepaalde aantijgingen gaat om citaten van anderen of dat hierbij termen als “wellicht”, “zeer waarschijnlijk” ,“mijmeren” en “sterk de indruk wekt” zijn gebruikt, waarmee verdachte en diens medeverdachte kennelijk hebben beoogd de aantijgingen aan het adres van aangever niet als “eigen overtuiging” te formuleren. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de aan het adres van aangever gedane aantijgingen, in onderling verband en samenhang bezien, worden geplaatst in de context van het gehele boek, dat onder meer de beschuldiging inhoudt dat aangever op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de moord op [het slachtoffer] , waardoor de uitingen een smadelijk karakter hebben. Daaraan doet evenmin af dat aangever reeds eerder door anderen in verband is gebracht met het tenlastegelegde feit. Die omstandigheid maakt niet dat jegens aangever niet langer smadelijke uitingen geuit zouden kunnen worden. Integendeel, door de vorm waarin de uitingen zijn gedaan -een boek met een oplage van een paar duizend stuks- hebben verdachte en zijn medeverdachte een ruimer en (deels) ander publiek gezocht dan diegenen die reeds eerder op andere wijze (veelal via internet) op de hoogte waren van de beschuldigingen aan het adres van aangever. Uit de verklaring van aangever en mailberichten die in het boek zijn opgenomen volgt daarnaast dat is overwogen aangever als anonieme bron weer te geven, mits hij een verklaring zou afleggen die paste in het plot van het boek. Nu aangever hieraan niet wilde voldoen, is hij, in de wetenschap welke gevolgen een dergelijke publicatie voor aangever zou kunnen hebben, bewust met naam en toenaam aangeduid. Gelet daarop en in aanmerking

genomen de inhoud en vorm van de uitingen gedaan jegens aangever, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachte ook opzettelijk en onnodig grievend hebben gehandeld.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van

[eiser ] heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachten een geschrift, te weten een boek met de titel: ''Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] '' en met de ondertitel: ''De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] '' geschreven en verspreid en uitgegeven, welk boek passages bevat die inhouden:

- dat [het slachtoffer] [D] goed kende omdat [D] altijd bij [eiser ] in de caravan kwam bij wie [het slachtoffer] en haar vriendjes regelmatig rondhingen (pagina 52),

en

- dat [A] er is ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [eiser ] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. Die bewuste nacht is [het slachtoffer] opgepikt in Kollum met de BMW van (de inmiddels wijlen) [D] . De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd in de caravan van [eiser ] en [het slachtoffer] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat de bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [eiser ] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen (pagina 65),

en

- dat dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, sterk de indruk wekt dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd waarbij zij hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [D] en [eiser ] (pagina 65),

en

- de duistere kanten van [eiser ] (pagina 212),

en

- dat er zogenaamde snuff movies in het chalet van [eiser ] zouden worden gemaakt. Gruwelijker seksfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden (pagina 214),

en

- dat [eiser ] samen met [D] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor

ingerichte studio (pagina 214),

en

- dat hij, die [eiser ] , de ochtend voor de moord naar Duitsland was vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto (pagina 214),

en

- dat bij [eiser ] er ook een handel werd gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De

achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [eiser ] opgaf(pagina 214),

en

- dat [eiser ] nooit door de politie op een normale wijze is verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als pyromaan in een hooiberg (pagina 215),

en

- dat juist en vooral [eiser ] God op de blote knieën mag danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel [eiser ] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen (pagina 471).

[…]

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair: medeplegen van smaadschrift.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij de passages over aangever heeft gepubliceerd om een hoger doel te dienen, te weten het aan de kaak stellen van misstanden. De rechtbank vat dit verweer op als een beroep op de bijzondere rechtvaardigingsgrond die in artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht staat opgenomen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de exceptie die in artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht staat omschreven,

moet er onder meer worden vastgesteld dat verdachte te goeder trouw heeft aangenomen dat het tenlastegelegde waar was. De rechtbank ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag geplaatst of verdachte redelijke inspanningen heeft verricht bij het vaststellen en controleren van het waarheidskarakter alvorens de uitlatingen in het boek werden opgenomen en verspreid. De rechtbank neemt de wijze waarop verklaringen die van belang waren voor de totstandkoming van het boek werden verkregen in aanmerking. Hierover staat in het uitgegeven boek het een en ander opgetekend. De rechtbank wijst op de manier waarop geprobeerd wordt een verklaring van een zekere [E] te verkrijgen. Eenzelfde methode wordt toegepast ten aanzien van aangever. Er wordt geprobeerd een verklaring te verkrijgen die past in de lezing van de schrijvers van het boek, waarbij wordt aangegeven dat er getuigen zijn die anders verklaren en waarbij wordt gedreigd met de gevolgen die de

verschijning van het boek zal hebben, indien niet wordt ingegaan op het gedane voorstel. Op pagina 205 staat in dit verband opgemerkt: “Dat van die getuigenverklaringen was bluf. Althans, we hadden dat toen nog niet geheel rond. Je moet echter in een dergelijk dossier anticyclisch en onorthodox te werk gaan, omdat je anders niet ver komt.” Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende zorgvuldig bronnenonderzoek verricht, gelet op de manier waarop verklaringen werden verkregen. De

rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus niet in redelijkheid te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat aangever op enigerlei wijze betrokken was bij de moord op [het slachtoffer] . Gelet daarop behoeft het verweer dat verdachte met de publicatie het algemeen belang diende, geen bespreking. De rechtbank acht het feit strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die

de strafbaarheid uitsluiten.

[…]

[gedaagde 2] heeft tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld.

2.23.

Bij vonnis van deze rechtbank, locatie Leeuwarden van 5 juli 2016 is [gedaagde 1] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en is de tenuitvoerlegging gelast van een bij vonnis van 3 maart 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken. In het vonnis van 5 juli 2016 is onder meer het volgende vermeld:

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de vraag of de in het boek over aangever opgenomen passages als smadelijk kunnen worden aangemerkt, overweegt de rechtbank het volgende. Aangever wordt genoemd in het boek met als ondertitel “de schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] ” en aan hem wordt hierin een bepaalde mate van betrokkenheid toegedicht bij deze moord en andere kwalijke zaken. Door aangever op deze wijze in verband te brengen met een ernstig misdrijf als moord, hebben verdachte en de medeverdachte aangever in een kwaad daglicht gesteld en is hij in zijn eer en goede naam aangetast. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het bij bepaalde aantijgingen gaat om citaten van anderen of dat hierbij termen als “wellicht”, “zeer waarschijnlijk” ,“mijmeren” en “sterk de indruk wekt” zijn gebruikt, waarmee verdachte en diens medeverdachte kennelijk hebben beoogd de aantijgingen aan het adres van aangever niet als “eigen overtuiging” te formuleren. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de aan het adres van aangever gedane aantijgingen, in onderling verband en samenhang bezien, worden geplaatst in de context van het gehele boek, dat onder meer de beschuldiging inhoudt dat aangever op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de moord op [het slachtoffer] , waardoor de uitingen een smadelijk karakter hebben. Daaraan doet evenmin af dat aangever reeds eerder door anderen in verband is gebracht met het tenlastegelegde feit. Die omstandigheid maakt niet dat jegens aangever niet langer smadelijke uitingen geuit zouden kunnen worden. Integendeel, door de vorm waarin de uitingen zijn gedaan - een boek met een oplage van een paar duizend stuks - hebben verdachte en zijn medeverdachte een ruimer en (deels) ander publiek gezocht dan diegenen die reeds eerder op andere wijze (veelal via internet) op de hoogte waren van de beschuldigingen aan het adres van aangever. Uit de verklaring van aangever en mailberichten die in het boek zijn opgenomen volgt daarnaast dat is overwogen aangever als anonieme bron weer te geven, mits hij een verklaring zou afleggen die paste in het plot van het boek. Nu aangever hieraan niet wilde

voldoen, is hij, in de wetenschap welke gevolgen een dergelijke publicatie voor aangever zou kunnen hebben, bewust met naam en toenaam aangeduid. Gelet daarop en in aanmerking genomen de inhoud en vorm van de uitingen gedaan jegens aangever, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachte ook opzettelijk en onnodig grievend hebben gehandeld. Voorts overweegt de rechtbank dat uit bestendige rechtspraak volgt dat artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht is aan te merken als een bijzondere rechtvaardigingsgrond. Honorering van het verweer leidt derhalve, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet tot een vrijspraak van het ten laste gelegde maar tot een ontslag van alle rechtsvervolging. De

rechtbank zal dit verweer derhalve bespreken bij het onderdeel “strafbaarheid van het bewezenverklaarde".

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [eiser ] heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachten een geschrift, te weten een boek met de titel: ''Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] '' en met de ondertitel: ''De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] '''geschreven en verspreid en uitgegeven, welk boek passages bevat die inhouden:

- dat [het slachtoffer] [D] goed kende omdat [D] altijd bij [eiser ] in de caravan kwam bij wie [het slachtoffer] en haar vriendjes regelmatig rondhingen (pagina 52), en

- dat [A] er is ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [eiser ] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. Die bewuste nacht is [het slachtoffer] opgepikt in Kollum met de BMW van (de inmiddels wijlen) [D] . De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd in de caravan van [eiser ] en [het slachtoffer] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat de bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [eiser ] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen (pagina 65),

en

- dat dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, sterk de indruk wekt dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd waarbij zij hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [D] en [eiser ] (pagina 65),

en

- de duistere kanten van [eiser ] (pagina 212),

en

- dat er zogenaamde snuff movies in het chalet van [eiser ] zouden worden gemaakt. Gruwelijker seksfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden (pagina 214),

en

- dat [eiser ] samen met [D] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio (pagina 214),

en

- dat hij, die [eiser ] , de ochtend voor de moord naar Duitsland was vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto (pagina 214),

en

- dat bij [eiser ] er ook een handel werd gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [eiser ] opgaf (pagina 214),

en

- dat [eiser ] nooit door de politie op een normale wijze is verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als pyromaan in een hooiberg (pagina 215),

en

- dat juist en vooral [eiser ] God op de blote knieën mag danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel [eiser ] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen (pagina 471).

[…]

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair: medeplegen van smaadschrift.

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van een situatie als omschreven in artikel 261 lid 3 Sr. Hiertoe heeft hij naar voren gebracht dat verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat hetgeen hij over aangever heeft opgemerkt waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste. Verdachte wilde een misstand aan de kaak stellen en in het kader daarvan zijn de uitlatingen over aangever opgetekend. Het is hierbij nooit de primaire bedoeling van verdachte geweest om aangever te belasteren of te beledigen. De mededelingen waren noodzakelijk om datgene over te brengen wat verdachte over wilde brengen over de werkelijke toedracht van de moord op [het slachtoffer] . Verdachte heeft gehandeld op grond van betrouwbare informatie en zijn publicatie diende het algemeen belang. Een verschil met de zaak tegen [V] , waarin deze veroordeeld werd voor smaad, is dat in deze zaak sprake is van een minder ernstige beschuldiging; aangever wordt niet beschuldigd van moord. Daarnaast heeft het openbaar ministerie in de onderhavige zaak nimmer onderzoek gedaan naar de bevindingen van verdachte, waarmee het maatschappelijke belang van zijn mededelingen

over een alternatieve toedracht van de moord op [het slachtoffer] veel groter is dan in het geval van [V] , aldus de raadsman. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de exceptie die in artikel 261 lid 3 Sr staat omschreven, moet er onder meer worden

vastgesteld dat verdachte te goeder trouw heeft aangenomen dat het tenlastegelegde waar was. De rechtbank ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag geplaatst of verdachte redelijke inspanningen heeft verricht bij het vaststellen en controleren van, het waarheidskarakter alvorens de uitlatingen in het boek werden opgenomen en verspreid. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat diverse personen tegenover medeverdachte [gedaagde 2] hebben verklaard over de

rol en handelingen van aangever. Ook heeft verdachte verklaard dat hij voor de publicatie van het boek weliswaar heeft gezien dat de medeverdachte contact had met verschillende personen, maar dat hij zelf niet met de personen heeft gesproken die zich in belastende zin over aangever zouden hebben uitgelaten. Verdachte is afgegaan op de inhoud van de verklaringen zoals deze door medeverdachte [gedaagde 2] aan hem zijn voorgehouden. Daarbij heeft verdachte naar voren gebracht dat met name de omstandigheid dat de medeverdachte hem verzekerde dat hij de afgelegde verklaringen bij een notaris had gedeponeerd -de

zogenaamde kluisverklaringen-, hem het vertrouwen gaf dat de inhoud van de verklaringen in overeenstemming was met de waarheid. Voorts neemt de rechtbank de wijze waarop verklaringen die van belang waren voor de totstandkoming van het boek werden verkregen in aanmerking. Hierover staat in het

uitgegeven boek het een en ander opgetekend. De rechtbank wijst op de manier waarop geprobeerd wordt een verklaring van een zekere [E] te verkrijgen. Eenzelfde methode wordt toegepast ten aanzien van aangever. Er wordt geprobeerd een verklaring te verkrijgen die past in de lezing van de schrijvers van het boek, waarbij wordt aangegeven dat er getuigen zijn die anders verklaren en waarbij wordt gedreigd met de gevolgen die de verschijning van het boek zal hebben, indien niet wordt ingegaan op het gedane voorstel. Op

pagina 205 staat in dit verband opgemerkt: “Dat van die getuigenverklaringen was bluf. Althans, we hadden dat toen nog niet geheel rond. Je moet echter in een dergelijk dossier anticyclisch en onorthodox te werk gaan, omdat je anders niet ver komt.” De betreffende mailberichten staan in het boek opgenomen, zodat het niet anders kan dan dat verdachte van deze wijze van opereren door zijn medeverdachte op de hoogte was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende en onzorgvuldig bronnenonderzoek verricht. In plaats daarvan is hij volledig afgegaan op hetgeen de medeverdachte hierover verklaarde, terwijl hij op de hoogte moet zijn geweest van de manier waarop verklaringen werden verkregen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus niet in redelijkheid te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat aangever op enigerlei wijze betrokken was bij de moord op [het slachtoffer] . Gelet daarop behoeft het verweer dat

verdachte met de publicatie het algemeen belang diende, geen bespreking. De rechtbank acht het feit strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

[…]

[gedaagde 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.24.

Op 8 juli 2016 heeft [gedaagde 1] op zijn website een blog met de titel "Vonnis bewijst doofpot" geplaatst. In dat artikel staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

De heer [eiser ] heeft aangifte gedaan wegens smaad en smaadschrift, vanwege publicaties van mijn hand waarin onder meer de stelling wordt onderbouwd dat de moord op [het slachtoffer] door een asielzoeker, genaamd [B] , is gepleegd in de caravan van [eiser ] in het bijzijn van de laatste. (…) In zijn aangifte ontkent de heer [eiser ] met nadruk dat hij bovengenoemde personen, te weten [B] , [C] , [D] en [het slachtoffer] , ooit gekend of ontmoet te hebben. Ik beschik echter over bewijzen, bronnen en getuigen die het bovengenoemde tegenspreken. Naar mijn overtuiging is er dan ook sprake van een valse aangifte. Daarnaast stel ik dat de heer [eiser ] in de publieke arena heeft gelogen, door te stellen dat hij tijdens de moord bij familie in Duitsland was.

2.25.

Op 10 juli 2016 heeft [gedaagde 1] op zijn website een blog met de titel "Analyse van het vonnis" geplaatst. In dat artikel staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Nogmaals in een notendop: [het slachtoffer] is in de caravan van [eiser ] vermoord door [B] (en vrijwel zeker [W] ) met [C] , [eiser ] en [D] erbij. (…) Ik heb willen aangeven dat Justitie vanaf dag één wist dat [eiser ] bij de moord betrokken en medeplichtig was. En dat Justitie dus crimineel heeft gehandeld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser ] vordert na wijziging van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. gedaagden zal veroordelen alle publicaties waarin [eiser ] direct of indirect wordt

beschuldigd van strafbare feiten, waaronder maar niet beperkt tot medeplichtigheid

aan moord, handel in en productie van kinderporno en snuff movies, dan wel andere

verdachtmakingen rond strafbare feiten jegens [eiser ] binnen 14 dagen na datum

vonnis te staken en gestaakt te houden, onder meer door

( a) de herziene uitgave van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] "

genaamd "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] Deel II" waarin

bovenstaande onrechtmatige passages uit de handel te nemen,

( b) de door gedaagden op het internet geplaatste beschuldigingen en

verdachtmakingen, onder meer op maar niet beperkt tot de websites

[S] , Youtube, www.waldnet.nl en

[S] , te verwijderen en verwijderd te houden en

( c) zich te onthouden van overige en toekomstige publicaties waarin [eiser ]

beschuldigd wordt van de in het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer]

" beweerdelijk door hem verrichtte criminele activiteiten,

een en ander op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom ad € 1.000,00 per

dag dat niet voldaan is aan dit deel van het vonnis;

II. [gedaagde 2] zal veroordelen tot het overleggen van de in zijn conclusie van antwoord

genoemde door de 'Leeuwarder' bij de notaris onder ede afgelegde incriminerende

verklaring, gewaarmerkt door de notaris, doch niet voorzien van een handtekening van

getuige, met een bijgaande verklaring van de notaris dat de ingebrachte verklaring

inderdaad de op zijn kantoor onder ede afgelegde verklaring is, alsmede aan [eiser ]

schriftelijk mede te delen de naam- en adresgegevens van de 'Leeuwarder' die deze

verklaring heeft afgelegd en de naam- en adresgegevens van de notaris die de

beëdigde verklaring heeft afgenomen, een en ander binnen 14 dagen na het in dezen te

wijzen vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag

dat niet aan dit punt in het vonnis voldaan wordt;

III. [gedaagde 1] zal veroordelen tot het binnen drie weken na het in deze gewezen vonnis op zijn kosten plaatsen van een rectificatie op de website [S] , alsmede deze minimaal 3 maanden geplaatst te houden, zichtbaar geplaatst op de landingspagina van die website gebruikmakend van hetzelfde lettertype, - grootte en - kleur als waarin de overige geplaatste artikelen opgemaakt zijn, althans op die posities waar eerder de beschuldigingen zijn geuit, op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 per dag per overtreding, een en ander gebruik makende van de volgende tekst met invulling van de datum van het vonnis maar verder zonder enige toevoeging, commentaar of weglating:

“RECTIFICATIE. De afgelopen jaren hebben wij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in meerdere publicaties de heer [eiser ] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder het medeplegen van moord. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. …. zijn wij op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.”

IV. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot het binnen drie weken na het in deze

gewezen vonnis (doen) plaatsen van rectificaties in de dagbladen 'Leeuwarder

Courant' en de 'Nieuwe Dockumer Courant', steeds op pagina 1 van een sectie naar

keuze, in een zwart kader met de afmetingen minimaal 104 mm breed en 75 mm hoog,

met de volgende inhoud en, afgezien van het toevoegen van de datum van het vonnis,

zonder toevoegingen, commentaar of weglating:

“RECTIFICATIE. De afgelopen jaren hebben wij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in meerdere publicaties de heer [eiser ] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder het medeplegen van moord. Bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. ….. zijn wij op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.”

V. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen, althans [gedaagde 2] zal veroordelen tot betaling van € 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan [eiser ] inzake schadevergoeding van door [eiser ] ten gevolge van de publicatie van het boek "Het verboden dagboek van [het slachtoffer] " geleden immateriële schade;

VI. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen, althans [gedaagde 1] zal veroordelen tot betaling van € 6.000,00 aan [eiser ] inzake schadevergoeding van door [eiser ] ten gevolge van de publicatie van het persbericht op de website [S] geleden immateriële schade;

VII. [gedaagde 1] zal veroordelen tot betaling van € 6.000,00, althans een door de rechtbank in

goede justitie te bepalen bedrag aan [eiser ] inzake schadevergoeding van door

[eiser ] ten gevolge van de publicatie van het boek "Het [R] Complot", publicatie

van de pagina "De Moordenaars" op de website [R] .nl, het digitaal

verspreiden van het e-book inhoudende het boek "Het Verboden Dagboek van [moeder slachtoffer]

" zonder hoofdstuk 4, alsmede de publicaties van 8 en 10 juli 2016 op [S] geleden en nog te lijden immateriële schade.

VIII. gedaagden zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser ] en [gedaagde 2] hebben ieder voor zich verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling daarvan

De vordering jegens zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1]

4.1.

Wijziging van eis

[eiser ] heeft bij conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis, zijn eis gewijzigd. Nu noch [gedaagde 2] , noch [gedaagde 1] bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijziging van eis en ook de kantonrechter ambtshalve geen redenen ziet om deze eiswijziging wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten, wordt recht gedaan op de gewijzigde eis.

4.2.

[eiser ] heeft - kort samengevat - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [eiser ] wordt in publicaties van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ten onrechte beschuldigd van het medeplegen van de moord op [het slachtoffer] , het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, de handel in en het produceren van kinderporno, het produceren en distribueren van andersoortige pornofilms en het handelen in wapens. Ook wordt [eiser ] in deze publicaties ten onrechte in verband gebracht met de moord op [J] . Ter onderbouwing van deze beschuldigingen worden door gedaagden in de betreffende publicaties onwaarheden verkondigd en worden getuigenverklaringen en kluisverklaringen opgevoerd die zijn verzonnen door gedaagden ofwel door de "getuigen". Aldus hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in de periode 2009 tot en met heden meerdere malen opzettelijk de eer en goede naam van [eiser ] aangerand. Dergelijk handelen kwalificeert als laster althans smaadschrift en is volgens [eiser ] onrechtmatig. De vordering van [eiser ] strekt ertoe dat dit handelen wordt gestaakt en gestaakt blijft en dat de betreffende publicaties worden gerectificeerd. Voorts strekt de vordering van [eiser ] tot het vergoeden van door hem als gevolg van dit handelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] geleden immateriële schade.

4.3.

Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de publicaties dient een afweging te worden gemaakt tussen twee gelijkwaardige belangen: tegenover elkaar staan het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op vrijheid van meningsuiting en het onder andere door artikel 6:162 BW beschermde recht van [eiser ] om niet te worden blootgesteld aan negatieve publicaties die inbreuk maken op zijn eer en goede naam respectievelijk op zijn recht op bescherming daarvan. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder dient te wegen is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het ene of het andere recht. Dat betekent dat de toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op dat andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM respectievelijk artikel 10 lid 2 EVRM (zie onder meer: HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602 (het Paroolarrest)). Bij deze beoordeling spelen onder meer de volgende omstandigheden een rol:

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren.

De vordering jegens [gedaagde 2]

4.4.

[gedaagde 2] heeft allereerst aangevoerd dat de dagvaarding als een obscuur libel dient te worden aangemerkt en dat deze om die reden nietig is. [gedaagde 2] heeft daartoe aangevoerd dat door [eiser ] in zijn vorderingen en de onderbouwing daarvan ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] . Volgens [gedaagde 2] kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor de publicaties op de website van [gedaagde 1] , nu hij daar geen bemoeienis mee heeft gehad en op de inhoud waarvan hij geen invloed heeft kunnen uitoefenen.

4.4.1.

De kantonrechter zal het verweer verwerpen. Anders dan [gedaagde 2] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat het feit dat [eiser ] beide gedaagden "over één kam scheert" niet de conclusie rechtvaardigt dat de dagvaarding zodanig onduidelijk of tegenstrijdig is dat sprake is van een obscuur libel. Het moet [gedaagde 2] uit het betoog bij dagvaarding over de volgens [eiser ] onterechte beschuldigingen door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan zijn adres, voldoende duidelijk zijn wat de strekking van het betoog is. Het feit dat [eiser ] in dit betoog weinig onderscheid maakt tussen beide gedaagden, maakt niet dat voor [gedaagde 2] onvoldoende duidelijk zou zijn waartegen hij zich moet verweren. Immers uit het feit dat weinig onderscheid wordt gemaakt tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] volgt dat zij zich in de visie van [eiser ] beiden tegen de onrechtmatigheid van alle door hem genoemde publicaties dienen te verweren, hetgeen [gedaagde 2] (gelijk [gedaagde 1] ) ook heeft gedaan.

4.5.

In het verlengde van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser ] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [gedaagde 2] verantwoordelijk is voor de publicaties op de (voormalige) websites van [gedaagde 1] , te weten de websites met de domeinnamen [S] en www. [R] .nl. Het enkele feit dat [gedaagde 2] in een e-mailbericht van 9 juli 2014 ten aanzien van één van deze publicaties, waarvan een concept door [gedaagde 1] aan hem werd voorgelegd, heeft aangegeven: "Doen" is daartoe onvoldoende. Nog daargelaten dat het slechts één van de gewraakte publicaties op de website van [gedaagde 1] betreft (en overigens - anders dan [eiser ] heeft betoogd - geen betrekking lijkt te hebben op het persbericht), is niet gebleken dat [gedaagde 2] degene is geweest die het blog heeft geschreven en is hij niet degene geweest die het blog op de website van [gedaagde 1] heeft geplaatst. Niet gesteld kan worden dat hij door het woord "Doen" te mailen zodanige invloed heeft uitgeoefend op de inhoud en de plaatsing van het blog op de website dat hij daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Ook voor het onder 2.14. geciteerde persbericht - waarvan enkel is gesteld dat dit op de website van [gedaagde 1] is gepubliceerd - kan [gedaagde 2] naar het oordeel van de kantonrechter om dezelfde reden niet verantwoordelijk worden gehouden. Ten aanzien van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " heeft [gedaagde 2] daarentegen erkend dat hij mede-auteur is en dat dit boek is uitgegeven door Novio Media Uitgevers, welke uitgeverij door [gedaagde 2] wordt geëxploiteerd. Ten aanzien van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] , deel II" is door [gedaagde 2] weliswaar niet weersproken dat hij (mede)auteur van dit boek is maar hij heeft onweersproken gesteld dat dit boek tot op heden niet is gepubliceerd. Ten aanzien van de vraag of sprake is van onrechtmatige publicaties van de zijde van [gedaagde 2] , is derhalve slechts het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " aan de orde.

4.6.

Hierna zal nader worden ingegaan op de vraag naar de onrechtmatigheid van de door [eiser ] geciteerde passages (zoals onder 2.8. opgenomen) uit het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ". Daarbij wordt reeds nu overwogen dat de enkele omstandigheid dat dit boek - zoals [gedaagde 2] onweersproken heeft aangevoerd - reeds uit de handel is gehaald na de hiervoor onder 2.16. bedoelde uitspraak in kort geding, niet aan onrechtmatigheid in de weg kan staan. Ook de omstandigheid dat er nauwelijks exemplaren zouden zijn verkocht - zoals [gedaagde 2] heeft opgemerkt maar door [eiser ] is weersproken - doet daar niet aan af.

4.7.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " slechts een opsomming bevat van hetgeen derden hebben verklaard. De (kluis)verklaringen, die volgens [gedaagde 2] onder grote druk van hem tot stand zijn gekomen, zijn volgens [gedaagde 2] enkel opgenomen omdat zij qua chronologie treffend op elkaar aansluiten. Met betrekking tot deze (kluis)verklaringen wordt bovendien nergens in het boek gesteld waar en bij welke notaris deze zijn afgelegd. De inhoud van de kluisverklaringen is voor rekening van de verklaarder, aldus [gedaagde 2] . Er wordt nergens gesteld dat deze op waarheid zouden berusten. [gedaagde 2] wijst er voorts op dat in het boek woorden worden gebruikt als "wellicht" en "waarschijnlijk" en dat er sprake is van een "mijmering". Bladzijde 214 van het boek betreft voorts geen beschuldiging maar een vraag, terwijl de vraag meer ziet op de rol van [D] dan op [eiser ] . De bladzijden 15 tot en met 18 betreffen voorts slechts een droom van [gedaagde 2] , waarbij het voor de lezer duidelijk is dat het gaat om fictie, aldus nog steeds [gedaagde 2] .

4.8.

Ten aanzien van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " heeft deze rechtbank, afdeling strafrecht, locatie Leeuwarden bij door [eiser ] bij akte in het geding gebracht vonnis van 5 juli 2016 bewezen verklaard dat [gedaagde 2] "in de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [eiser ] heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachten een geschrift, te weten een boek met de titel: ''Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] '' en met de ondertitel: ''De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] '' geschreven en verspreid en uitgegeven, welk boek passages bevat die inhouden: […]".

4.9.

Op grond van artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Gelet op de omstandigheid dat genoemd vonnis een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis betreft, zal de kantonrechter dan ook uitgaan van de dwingende bewijskracht van voornoemd vonnis.

4.10.

Uit hetgeen in het strafvonnis is vermeld onder "bewijsoverweging" en "bewezenverklaring" leidt de kantonrechter af dat het bewezenverklaarde betrekking heeft op het toedichten aan [eiser ] van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] en "andere kwalijke zaken". Onder deze "andere kwalijke zaken" vallen blijkens de in het strafvonnis opgenomen passages de in de onderhavige procedure door [eiser ] genoemde beschuldigingen als het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms en het handelen in wapens. Blijkens de onder de "bewezenverklaring" opgenomen passages zien deze echter niet op het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] , alsmede het produceren en distribueren van kinderporno. Ook uit de door [eiser ] in de onderhavige procedure geciteerde passages van het boek (zoals weergegeven onder 2.8.) blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat daarin wordt gesproken over het produceren en distribueren van kinderporno. Voor zover de vordering op die stelling is gebaseerd, zal deze dus worden afgewezen. Ook blijkt uit de in de onderhavige procedure, alsmede in de strafzaak geciteerde passages, weliswaar van de beschuldiging van betrokkenheid van [eiser ] bij de moord op [het slachtoffer] maar niet van het "medeplegen" daarvan en ook wordt de strafrechtelijke term "medeplichtigheid" daarbij niet gebruikt. De kantonrechter overweegt voorts dat [eiser ] in de in deze procedure geciteerde passages wél in verband wordt gebracht met de moord op [J] . Hierop zal hierna in rechtsoverweging 4.11. nader worden ingegaan.

4.11.

Op grond van artikel 151 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering houdt dwingend bewijs in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens bindt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel staat tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, vrij, tenzij de wet het uitsluit. Omdat hetgeen [gedaagde 2] in de onderhavige procedure heeft aangevoerd - zoals hiervoor onder 4.6. is samengevat - geen andere onderbouwing oplevert van zijn stelling dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld dan het door hem tijdens het strafproces gevoerde verweer (zoals blijkt onder "bewijsoverweging" van voormeld strafvonnis), is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 2] zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd om toegelaten te worden tot tegenbewijs. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde 2] opzettelijk de eer en goede naam van [eiser ] heeft aangerand. Zoals in het strafvonnis is overwogen, doet daar niet aan af dat [gedaagde 2] kennelijk heeft beoogd de onderhavige aantijgingen niet als "eigen overtuiging" te formuleren. Hoewel de strafprocedure geen betrekking heeft op de passage waarin [eiser ] in verband wordt gebracht met de moord op [J] , is de kantonrechter van oordeel dat op dit punt hetzelfde heeft te gelden als ten aanzien van hetgeen in de strafprocedure is overwogen omtrent het toedichten aan [eiser ] van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] en "andere kwalijke zaken", alsmede omtrent hetgeen hiervoor (behoudens hetgeen omtrent de dwingende bewijskracht van het strafvonnis is overwogen) is overwogen. Ook in zoverre is immers sprake van het in verband brengen van [eiser ] met een ernstig misdrijf, waarmee [gedaagde 2] [eiser ] in een kwaad daglicht heeft gesteld en waarmee [eiser ] in zijn eer en goede naam is aangetast.

4.12.

Uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 162) bij artikel

161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat enkel van belang is of het strafvonnis bewezen verklaart dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Niet relevant is, of de strafrechter een straf of maatregel heeft opgelegd, dan wel de verdachte bijvoorbeeld heeft ontslagen van rechtsvervolging. Hetgeen deze rechtbank, afdeling strafrecht in het vonnis van 5 juli 2016 heeft overwogen omtrent artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafrecht - waarbij een soortgelijke afweging is gemaakt als de in rechtsoverweging 4.3. bedoelde afweging - levert derhalve geen dwingende bewijskracht op. De kantonrechter is echter op dezelfde gronden als die in het vonnis van 5 juli 2016 zijn vermeld, van oordeel dat het belang van [eiser ] op bescherming van zijn eer en goede naam zwaarder dient te wegen dan het door [gedaagde 2] gestelde belang bij vrijheid van meningsuiting. Op de aldaar vermelde gronden heeft de rechtbank overwogen dat [gedaagde 2] onvoldoende zorgvuldig bronnenonderzoek heeft verricht. De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormeld vonnis onder "strafbaarheid van het bewezen verklaarde" is overwogen. Kort samengevat heeft [gedaagde 2] onvoldoende zorgvuldig bronnenonderzoek verricht, gelet op de manier waarop verklaringen werden verkregen. De rechtbank voegt daar thans aan toe dat [gedaagde 2] zélf in de onderhavige procedure heeft gesteld dat het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " slechts een opsomming bevat van hetgeen derden hebben verklaard en dat hij tevens heeft gesteld dat deze verklaringen onder grote druk van hem tot stand zijn gekomen. Ten aanzien van de zogenaamde "kluisverklaringen" heeft [gedaagde 2] voorts onvoldoende gemotiveerd weersproken dat deze niet daadwerkelijk bestaan. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de beschuldigingen ten tijde van de publicatie onvoldoende steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Wat betreft de beschuldiging van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] voegt de kantonrechter daaraan toe dat het voorgaande des te meer heeft te gelden nu [A] bij onherroepelijk vonnis van 19 april 2013 is veroordeeld wegens de moord op [het slachtoffer] .

Behoudens het produceren en distribueren van pornofilms zijn de beschuldigingen bovendien alle als ernstig aan te merken, evenals de te verwachten gevolgen voor [eiser ] . Behoudens de moord op [het slachtoffer] - maar waarvan reeds is geoordeeld dat de verdenkingen jegens [eiser ] onvoldoende steun vinden in het toen aanwezige feitenmateriaal - is er ten aanzien van de overige beschuldigingen aan het adres van [eiser ] bovendien geen misstand gesteld die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen en die publicatie om die reden (afgezien van de omstandigheid dat de verdenkingen onvoldoende steun vinden in het toen aanwezige feitenmateriaal) zou kunnen rechtvaardigen.

4.13.

Staken/zich onthouden van publicaties

4.13.1.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de door [eiser ] gevorderde veroordeling van [gedaagde 2] tot het - kort samengevat - staken/zich onthouden van publicaties, waarin beschuldigingen voorkomen, zoals in het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ", in die zin toewijsbaar is, dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld zich te onthouden van toekomstige publicaties waarin [eiser ] beschuldigd wordt van de in het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " genoemde, hiervoor bedoelde zaken, te weten betrokkenheid bij moord, het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms, het handelen in wapen en het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] . Hieronder valt naar het oordeel van de kantonrechter ook publicatie van het (thans nog niet gepubliceerde) boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] Deel II". Weliswaar heeft [gedaagde 2] gesteld dat de inhoud niet ziet op de rol van [eiser ] , maar uit de onder 2.17 geciteerde inhoud van de website www.bol.com blijkt dat dit boek "de vervanger is van de eerder gelijknamige titel zonder de toevoeging "Deel II" en dat dit boek "nagenoeg identiek [is] aan de versie welke het vervangt, echter zonder het verboden hoofdstuk 4 maar met een schokkende scoop en tal van verbijsterende aanvullingen". [gedaagde 2] heeft niet aangevoerd dat deze weergave op www.bol.com onjuist is en hij heeft voorts nagelaten om de thans van belang zijnde bladzijden uit dit boek in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn verweer dat dit boek niet ziet op de rol van [eiser ] . Voor zover de vordering strekt tot het staken van reeds aanwezige publicaties op de website [S] , wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.5. is overwogen. Voor wat betreft de overige door [eiser ] met naam genoemde websites (www.waldnet.nl, Youtube en www.hetverbodendagboek.nl) heeft [eiser ] onvoldoende gesteld dat daarop thans publicaties met de hiervoor bedoelde inhoud aanwezig zijn en dat [gedaagde 2] verantwoordelijk is te houden voor deze publicaties en voor zover [eiser ] doelt op overige reeds aanwezige publicaties, heeft hij zijn vordering naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. In zoverre zal de vordering dus worden afgewezen.

4.13.2.

De gevorderde oplegging van dwangsommen acht de kantonrechter toewijsbaar, zoals hierna in het dictum te melden.

4.14.

Kluisverklaring

4.14.1.

[eiser ] vordert voorts een veroordeling van [gedaagde 2] tot het overleggen van de in zijn conclusie van antwoord genoemde door de "Leeuwarder" bij de notaris onder ede afgelegde incriminerende verklaring, gewaarmerkt door de notaris, doch niet voorzien van een handtekening van de getuige, met een bijgaande verklaring van de notaris dat de ingebrachte verklaring inderdaad de op zijn kantoor onder ede afgelegde verklaring is, alsmede aan [eiser ] schriftelijk mede te delen de naam- en adresgegevens van de "Leeuwarder" die deze verklaring heeft afgelegd en de naam- en adresgegevens van de notaris die de beëdigde verklaring heeft afgenomen.

4.14.2.

Nog afgezien van het antwoord op de vraag of de kluisverklaring al dan niet daadwerkelijk bestaat, zal de vordering wegens gebrek aan belang worden afgewezen. Voor zover de kluisverklaring al zou bestaan, heeft [eiser ] immers zelf bij conclusie van repliek aangegeven dat hij van mening is dat het een getuige niet is aan te rekenen dat hij onder druk van [gedaagde 2] - die heeft erkend dat daarvan sprake is geweest - mogelijkerwijze iets zou hebben verklaard dat in strijd is met de waarheid. In het licht hiervan valt, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat [eiser ] belang heeft bij deze kluisverklaring om - zoals bij dagvaarding is gesteld - "stappen jegens de getuigen te ondernemen".

4.15.

Rectificatie

4.15.1.

Het onderhavige onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde 2] rechtvaardigt voorts naar het oordeel van de kantonrechter het plaatsen van een rectificatie. Gelet op de omstandigheid dat ten aanzien van [gedaagde 2] geen sprake is van de in de gevorderde rectificatie genoemde "meerdere publicaties" - maar ten aanzien van [gedaagde 1] wél - alsmede in de omstandigheid dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] blijkens de processtukken op enig moment gebrouilleerd zijn geraakt en het voor de kantonrechter onduidelijk is of dat nog steeds het geval is, ziet de kantonrechter aanleiding om de rectificatie aldus te formuleren, dat (ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde 2] ) deze alleen uit naam van [gedaagde 2] wordt geschreven. De omstandigheid dat dit (zoals zal volgen uit rechtsoverweging 4.25.1) leidt tot het publiceren van twee afzonderlijke rectificaties is daarvan een - niet onredelijk - gevolg. In die zin zal de door [eiser ] opgestelde tekst van de rectificatie - tegen de inhoud waarvan [gedaagde 2] overigens geen verweer heeft gevoerd - worden aangepast. Ook zal slechts gesproken worden van "een publicatie" en niet van "meerdere publicaties" omdat ten aanzien van [gedaagde 2] slechts de onrechtmatige publicatie van "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " is komen vast te staan. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.10. is overwogen, zal voorts in die tekst niet gesproken worden over het "medeplegen" aan moord, maar "betrokkenheid" bij moord. Voor het overige - zoals de kranten waarin de rectificatie moet worden geplaatst, alsmede de grootte en opmaak daarvan - zal de vordering (bij gebreke van enig verweer) worden toegewezen.

4.16.

Immateriële schadevergoeding

4.16.1.

De vordering van [eiser ] strekt allereerst tot betaling door [gedaagde 2] (hoofdelijk met [gedaagde 1] ) van een bedrag van € 10.000,00 ter zake van vergoeding van immateriële schade die [eiser ] stelt te hebben geleden als gevolg van de publicatie van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ". [eiser ] heeft hiertoe gesteld dat hij als gevolg van de incriminerende en grievende publicatie van onder meer voornoemd boek in een langdurige depressieve gemoedstoestand is komen te verkeren, terwijl hij juist verheugd had moeten zijn door de onherroepelijke veroordeling van [A] voor de moord op [het slachtoffer] . Onder meer de publicatie van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ", waarbij geld is verdiend "over de rug van [eiser ] ", heeft eerherstel van [eiser ] - na jarenlange "praatjes" - in de weg gestaan, aldus [eiser ] . [eiser ] verwijst ter onderbouwing van het bedrag van € 10.000,00 naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT:1877.

4.16.2.

[gedaagde 2] heeft naar het oordeel van de kantonrechter op juiste gronden gesteld dat [eiser ] reeds jarenlang geconfronteerd was met "praatjes" rond de moord op [het slachtoffer] voordat het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " werd gepubliceerd. Wél laat dit naar het oordeel van de kantonrechter onverlet dat publicatie van dit boek een eerherstel van [eiser ] in de weg heeft gestaan. De publicatie van dit boek zal dan ook naar het oordeel van de kantonrechter in zekere mate hebben bijgedragen aan de onweersproken langdurige depressieve gemoedstoestand waarin [eiser ] stelt te verkeren/hebben verkeerd. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de in dit boek geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser ] , gelet op de door [eiser ] genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, alsmede gelet op overige uitspraken zoals vermeld onder "inbreuk op privacy, aantasting in de persoon" in de smartengeldgids, 22e druk 2017 acht de kantonrechter toewijzing van een bedrag van € 7.500,00 billijk. Ten aanzien van de gevorderde hoofdelijkheid wordt verwezen naar hetgeen hierna 4.26.2 zal worden overwogen.

4.16.3.

Voor zover de vordering van [eiser ] daarnaast strekt tot het vergoeden van immateriële schade ter zake van publicatie van het persbericht op de website [S] , zal deze worden afgewezen. De kantonrechter verwijst naar hetgeen ter zake van dit persbericht in rechtsoverweging 4.5. is overwogen.

4.17.

Proceskosten

[gedaagde 2] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [eiser ] - waarvan de helft wordt toegerekend aan de procedure jegens [gedaagde 2] en de andere helft aan die jegens [gedaagde 1] - worden vastgesteld op:

- griffierecht € 39,00 (€ 78,00 : 2)

- salaris voor de advocaat € 500,00 ((2,5 punten x tarief € 400) : 2)

Totaal € 539,00.

De vordering jegens [gedaagde 1]

4.18.

[gedaagde 1] heeft tegen de vordering - kort samengevat - het navolgende aangevoerd. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat van een onrechtmatig handelen aan zijn zijde geen sprake is omdat de beschuldigingen jegens [eiser ] op waarheid berusten en er derhalve geen sprake is van een "eer en goede naam" aan de zijde van [eiser ] die zou kunnen worden geschaad. Voorts heeft [gedaagde 1] er op gewezen dat hij heeft gepubliceerd om een bepaalde misstand aan de orde te stellen, te weten het door de overheid/het Openbaar Ministerie doelbewust achterhouden van informatie over de werkelijke toedracht van de moord op [het slachtoffer] . In dat verband stelt hij dat de moord in de caravan van [eiser ] en in diens aanwezigheid is gepleegd. Het ging hem er derhalve niet zozeer om, om [eiser ] in een kwaad daglicht te stellen, maar om aan te geven dat de toedracht van de moord in zijn visie een geheel andere is dan wat thans - zeker na de aanhouding en daarop volgende bekentenis van [A] - algemeen wordt aanvaard.

4.19.

De kantonrechter overweegt allereerst dat [gedaagde 1] ten aanzien van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " heeft erkend dat hij mede-auteur daarvan is. Tevens heeft hij niet weersproken dat dit boek met zijn toestemming is uitgegeven door Novio Media Uitgevers. [gedaagde 1] heeft evenmin weersproken dat hij mede-auteur is van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] , deel II". Vast staat echter dat dit boek tot op heden niet is gepubliceerd. Evenmin heeft [gedaagde 1] weersproken dat hij auteur is van het boek "Het [R] Complot", welk boek is gepubliceerd en dat hij de auteur is van de onder 2. genoemde publicaties op de websites [R] .nl en [S] , welke artikelen door hem op deze websites zijn geplaatst.

4.20.

Ten aanzien van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] heeft deze rechtbank, afdeling strafrecht, locatie Leeuwarden bij door [eiser ] bij akte in het geding gebracht vonnis van 5 juli 2016 bewezen verklaard dat [gedaagde 1] "in de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [eiser ] heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachten een geschrift, te weten een boek met de titel: ''Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] '' en met de ondertitel: ''De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [het slachtoffer] '' geschreven en verspreid en uitgegeven, welk boek passages bevat die inhouden: […]".

4.21.

Uit hetgeen in het strafvonnis is vermeld onder "bewijsoverweging" en "bewezenverklaring" leidt de kantonrechter af dat het bewezenverklaarde betrekking heeft op het toedichten aan [eiser ] van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] en "andere kwalijke zaken". Onder deze "andere kwalijke zaken" vallen blijkens de in het strafvonnis opgenomen passages de in de onderhavige procedure door [eiser ] genoemde kwalijke zaken als het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms en het handelen in wapens. Blijkens de onder de "bewezenverklaring" opgenomen passages zien deze echter niet op het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] , alsmede het produceren en distribueren van kinderporno. Ook uit de door [eiser ] in de onderhavige procedure geciteerde passages van het boek (zoals weergegeven onder 2.8.) blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat daarin wordt gesproken over het produceren en distribueren van kinderporno. Voor zover de vordering op die stelling is gebaseerd, zal deze dus worden afgewezen. Ook blijkt uit de in de onderhavige procedure en in de strafzaak geciteerde passages weliswaar van de beschuldiging van betrokkenheid van [eiser ] bij de moord op [het slachtoffer] maar niet van het "medeplegen" daarvan en ook wordt de strafrechtelijke term "medeplichtigheid" daarbij niet gebruikt. De kantonrechter overweegt voorts dat [eiser ] in de in deze procedure geciteerde passages wél in verband wordt gebracht met de moord op [J] . Hierop zal hierna in rechtsoverweging 4.22. nader worden ingegaan.

4.22.

Alhoewel het hiervoor bedoelde vonnis van 5 juli 2016 niet in kracht van gewijsde is gegaan gelet op de omstandigheid dat [gedaagde 1] daartegen hoger beroep heeft ingesteld

- en dit vonnis derhalve slechts vrije bewijskracht heeft - is de kantonrechter op dezelfde gronden als in het hiervoor bedoelde vonnis is vermeld onder "bewijsoverweging" van oordeel dat [gedaagde 1] opzettelijk de eer en goede naam van [eiser ] heeft aangerand. De kantonrechter voegt daaraan toe dat in het algemeen het iemand anders beschuldigen van min of meer concreet omschreven misdrijven of zodanig omschreven feiten die met de positieve moraal strijden, een smadelijk karakter heeft. [gedaagde 1] kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat er geen sprake kan zijn van het schenden van de eer en goede naam van [eiser ] omdat de beschuldigingen volgens [gedaagde 1] op waarheid berusten. Voor het opzettelijk schenden van de eer en goede naam is naar het oordeel van de kantonrechter geen vereiste dat het bepaalde feit waarvan de beledigde wordt beschuldigd, onwaar is. Ook de omstandigheid dat het [gedaagde 1] - naar zijn zeggen - niet zozeer ging om [eiser ] in een kwaad daglicht te stellen, maar om aan te geven dat de toedracht van de moord in zijn visie een geheel andere is dan wat thans - zeker na de aanhouding en daarop volgende bekentenis van [A] - algemeen wordt aanvaard, kan naar het oordeel van de kantonrechter aan het voorgaande niet afdoen. [gedaagde 1] heeft de omstandigheid dat de eer en goede naam van [eiser ] werd geschaad immers bewust "op de koop toe genomen". Omdat hetgeen [gedaagde 1] overigens heeft aangevoerd niet ziet op de vraag of [gedaagde 1] al dan niet opzettelijk de eer of goede naam van heeft geschaad, maar op hetgeen [gedaagde 1] ter rechtvaardiging daarvan heeft aangevoerd, zal de kantonrechter er van uitgaan dat [gedaagde 1] opzettelijk de eer en goede naam van [eiser ] heeft aangetast.

Hoewel de strafprocedure geen betrekking heeft op de passage waarin [eiser ] in verband wordt gebracht met de moord op [J] , is de kantonrechter van oordeel dat op dit punt hetzelfde heeft te gelden als ten aanzien van hetgeen in de strafprocedure is overwogen omtrent het toedichten aan [eiser ] van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] en "andere kwalijke zaken", alsmede hetgeen hiervoor (behoudens hetgeen is overwogen omtrent de vrije bewijskracht van het strafvonnis) is overwogen . Ook in zoverre is immers sprake van het in verband brengen van [eiser ] met een ernstig misdrijf, waarmee [gedaagde 1] [eiser ] in een kwaad daglicht heeft gesteld en waarmee [eiser ] in zijn eer en goede naam is aangetast.

4.23.

Op dezelfde gronden als deze rechtbank, afdeling strafrecht in het vonnis van 5 juli 2016 heeft overwogen omtrent artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafrecht - waarbij een soortgelijke afweging is gemaakt als de in rechtsoverweging 4.3. bedoelde afweging - is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [eiser ] op bescherming van zijn eer en goede naam zwaarder dient te wegen dan het door [gedaagde 1] gestelde belang bij vrijheid van meningsuiting. Op de aldaar vermelde gronden heeft de rechtbank overwogen dat [gedaagde 1] onvoldoende zorgvuldig bronnenonderzoek heeft verricht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beschuldigingen ten tijde van de publicatie onvoldoende steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Wat betreft de beschuldiging van betrokkenheid bij de moord op [het slachtoffer] voegt de kantonrechter daaraan toe dat het voorgaande des te meer heeft te gelden nu [A] bij onherroepelijk vonnis van 19 april 2013 is veroordeeld wegens de moord op [het slachtoffer] . Voorts blijkt uit de stellingen van [gedaagde 1] dat hij het daadwerkelijk bestaan van de zogenaamde "kluisverklaringen" thans zelf ook ernstig in twijfel trekt. Behoudens het produceren en distribueren van pornofilms zijn de beschuldigingen bovendien alle als ernstig aan te merken, evenals de te verwachten gevolgen voor [eiser ] . Behoudens de moord op [het slachtoffer] - maar waarvan reeds is geoordeeld dat de verdenkingen jegens [eiser ] onvoldoende steun vinden in het toen aanwezige feitenmateriaal - is er ten aanzien van de overige beschuldigingen aan het adres van [eiser ] bovendien geen misstand gesteld die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen en die publicatie om die reden (afgezien van de omstandigheid dat de verdenkingen onvoldoende steun vinden in het toen aanwezige feitenmateriaal) zou kunnen rechtvaardigen.

4.24.

Staken/zich onthouden van publicaties

4.24.1.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de door [eiser ] gevorderde veroordeling van [gedaagde 1] tot het - kort

samengevat - het staken/zich onthouden van publicaties, waarin beschuldigingen voorkomen, zoals in het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ", toewijsbaar is, zoals in het dictum te melden. [gedaagde 1] zal worden veroordeeld om zich te onthouden van toekomstige publicaties waarin [eiser ] beschuldigd wordt van de in het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " genoemde, hiervoor bedoelde zaken, te weten betrokkenheid bij moord, het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms, het handelen in wapen en het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] . Hieronder valt ook publicatie van het (thans nog niet gepubliceerde) boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] Deel II". [gedaagde 1] heeft immers niet weersproken dat - zoals uit de inhoud van de website www.bol.com blijkt - dit boek "de vervanger is van de eerder gelijknamige titel zonder de toevoeging "Deel II" en dat dit boek "nagenoeg identiek [is] aan de versie welke het vervangt, echter zonder het verboden hoofdstuk 4 maar met een schokkende scoop en tal van verbijsterende aanvullingen". Wat betreft de vordering strekkende tot het staken van reeds aanwezige publicaties zal de kantonrechter slechts de website [S] met naam noemen. Ten aanzien van de door [eiser ] genoemde websites www.waldnet.nl, Youtube en www.hetverbodendagboek.nl heeft [eiser ] onvoldoende gesteld dat daarop thans publicaties met de hiervoor bedoelde inhoud aanwezig zijn en dat [gedaagde 1] verantwoordelijk is te houden voor deze publicaties.

4.24.2.

De gevorderde oplegging van dwangsommen acht de kantonrechter toewijsbaar, zoals hierna in het dictum te melden.

4.25.

Rectificatie

4.25.1.

Het onderhavige onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde 1] rechtvaardigt voorts naar het oordeel van de kantonrechter het plaatsen van een rectificatie. Gelet op de omstandigheid dat ten aanzien van [gedaagde 1] sprake is van de in de gevorderde rectificatie genoemde "meerdere publicaties" - maar ten aanzien van [gedaagde 2] niet - alsmede in de omstandigheid dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] blijkens de processtukken op enig moment gebrouilleerd zijn geraakt en het voor de kantonrechter onduidelijk is of dat nog steeds het geval is, ziet de kantonrechter aanleiding om de rectificatie aldus te formuleren, dat (ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde 1] ) deze alleen uit naam van [gedaagde 1] wordt geschreven. De omstandigheid dat dit leidt tot het publiceren van twee afzonderlijke rectificaties is daarvan een - niet onredelijk - gevolg. In die zin zal de door [eiser ] opgestelde tekst van de rectificatie - tegen de inhoud waarvan [gedaagde 1] overigens geen verweer heeft gevoerd - worden aangepast. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.21. is overwogen, zal voorts in die tekst niet gesproken worden over het "medeplegen" aan moord, maar "betrokkenheid" bij moord. Voor het overige - zoals de kranten waarin de rectificatie moet worden geplaatst, alsmede de grootte en opmaak daarvan - zal de vordering (bij gebreke van enig verweer) worden toegewezen.

4.25.2.

Ook plaatsing van de hiervoor bedoelde rectificatie op de website van [gedaagde 1] [S] , alsmede de ten aanzien daarvan gevorderde oplegging van dwangsommen, acht de kantonrechter toewijsbaar, zoals in het dictum te melden.

4.26.

Immateriële schadevergoeding

4.26.1.

De vordering van [eiser ] strekt allereerst tot betaling door [gedaagde 1] (hoofdelijk met [gedaagde 2] ) van een bedrag van € 10.000,00 ter zake van vergoeding van immateriële schade die [eiser ] stelt te hebben geleden als gevolg van de publicatie van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ". [eiser ] heeft hiertoe gesteld dat hij als gevolg van de incriminerende en grievende publicatie van onder meer voornoemd boek in een langdurige depressieve gemoedstoestand is komen te verkeren, terwijl hij juist verheugd had moeten zijn door de onherroepelijke veroordeling van [A] voor de moord op [het slachtoffer] . Onder meer de publicatie van het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] ", waarbij geld is verdiend "over de rug van" [eiser ] , heeft eerherstel van [eiser ]

- na jarenlange "praatjes" - in de weg gestaan, aldus [eiser ] . [eiser ] verwijst ter onderbouwing van het bedrag van € 10.000,00 naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT:1877.

4.26.2.

[gedaagde 1] heeft naar het oordeel van de kantonrechter op juiste gronden gesteld dat [eiser ] reeds jarenlang geconfronteerd was met "praatjes" rond de moord op [het slachtoffer] voordat het boek "Het verboden dagboek van [het slachtoffer] " werd gepubliceerd. Wél laat dit naar het oordeel van de kantonrechter onverlet dat publicatie van dit boek een eerherstel van [eiser ] in de weg heeft gestaan. De publicatie van dit boek zal dan ook naar het oordeel van de kantonrechter in zekere mate hebben bijgedragen aan de onweersproken langdurige depressieve gemoedstoestand waarin [eiser ] stelt te verkeren/heeft verkeerd. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de in dit boek geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser ] , gelet op de door [eiser ] genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, alsmede gelet op overige uitspraken zoals vermeld onder "inbreuk op privacy, aantasting in de persoon" in de smartengeldgids, 22e druk 2017 acht de kantonrechter toewijzing van een bedrag van € 7.500,00 billijk. Gelet op de omstandigheid dat sprake is van een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade als waartoe [gedaagde 2] zal worden veroordeeld, zal de gevorderde hoofdelijkheid op grond van artikel 6:102 lid 1 Burgerlijke Wetboek worden toegewezen.

4.26.3.

De vordering van [eiser ] strekt voorts tot betaling van een bedrag van € 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade ter zake van publicatie van het persbericht op de website [S] , alsmede een bedrag van € 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade ter zake van publicatie van het boek "Het [R] Complot", publicatie van de pagina 'De Moordenaars' op de website [R] .nl, het digitaal verspreiden van het e-book inhoudende het boek 'Het Verboden Dagboek van [moeder slachtoffer] ' zonder hoofdstuk 4, alsmede de publicaties van 8 en 10 juli 2016 op https:// [S] geleden en nog te lijden immateriële schade.

De kantonrechter acht ten aanzien van alle genoemde publicaties een extra vergoeding van

€ 2.500,00 billijk. De kantonrechter overweegt daartoe dat aannemelijk is dat "het ergste leed" - afgezien van de reeds bestaande "praatjes" voordat het boek "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] " was verschenen - is geschied door de publicatie van het boek "Het Verboden Dagboek van [moeder slachtoffer] ", maar dat de herhalingen van de in dat boek geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser ] de immateriële schade aan de zijde van [eiser ] wel heeft vergroot.

4.27.

Proceskosten

[gedaagde 1] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [eiser ] - waarvan de helft wordt toegerekend aan de procedure jegens [gedaagde 2] en de andere helft aan die jegens [gedaagde 1] - worden vastgesteld op:

- griffierecht € 39,00 (€ 78,00 : 2)

- salaris voor de advocaat € 500,00 ((2,5 punten x tarief € 400) : 2)

Totaal € 539,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak tegen [gedaagde 2]

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] zich te onthouden van toekomstige publicaties - waaronder "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] Deel II" - waarin [eiser ] direct of indirect wordt beschuldigd van betrokkenheid bij moord, het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms, het handelen in wapens en het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] ;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde 2] een dwangsom aan [eiser ] verbeurt van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde 2] in strijd handelt met de onder 5.1. bedoelde veroordeling;

5.3.

verbindt aan de aldus sub 5.2. te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 20.000,00;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 2] tot het binnen drie weken na de betekening van dit vonnis (doen) plaatsen van rectificaties in de dagbladen "Leeuwarder Courant" en de "Nieuwe Dockumer Courant", steeds op pagina 1 van een sectie naar keuze, in een zwart kader met de afmetingen minimaal 104 mm breed en 75 mm hoog, met de volgende inhoud en zonder toevoegingen, commentaar of weglating:

“RECTIFICATIE. De afgelopen jaren heb ik [gedaagde 2] in een publicatie de heer [eiser ] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder betrokkenheid bij moord. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 februari 2017 ben ik op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.”;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 2] (hoofdelijk met [gedaagde 1] ) tot betaling van € 7.500,00 ter zake van immateriële schade;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser ] vastgesteld op € 539,00;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het anders of meer gevorderde;

In de zaak tegen [gedaagde 1]

5.9.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen na heden alle publicaties waarin [eiser ] direct of indirect wordt beschuldigd van betrokkenheid bij moord, het maken, dupliceren en verspreiden van zogenoemde snuff movies, het produceren en distribueren van pornofilms, het handelen in wapens en het in verband brengen van [eiser ] met de moord op [J] - waaronder publicaties op de website [S] - te staken en gestaakt te houden en zich te onthouden van toekomstige publicaties - waaronder "Het verboden dagboek van [moeder slachtoffer] Deel II" - met één of meer van de hiervoor genoemde beschuldigingen aan het adres van [eiser ] ;

5.10.

bepaalt dat [gedaagde 1] een dwangsom aan [eiser ] verbeurt van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd handelt met de onder 5.9. bedoelde veroordeling;

5.11.

verbindt aan de aldus sub 5.10. te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 20.000,00;

5.12.

veroordeelt [gedaagde 1] tot het binnen drie weken na de betekening van dit vonnis

op zijn kosten plaatsen van een rectificatie op de website [S] , alsmede deze minimaal 3 maanden geplaatst te houden, zichtbaar geplaatst op de landingspagina van die website gebruikmakend van hetzelfde lettertype, -grootte en -kleur als waarin de overige geplaatste artikelen opgemaakt zijn, althans op die posities waar eerder de beschuldigingen zijn geuit, met de volgende inhoud en zonder toevoegingen, commentaar of weglating:

“RECTIFICATIE. De afgelopen jaren heb ik [gedaagde 1] in meerdere publicaties de heer [eiser ] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder betrokkenheid bij moord. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 februari 2017 ben ik op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.”;

5.13.

bepaalt dat [gedaagde 1] een dwangsom aan [eiser ] verbeurt van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd handelt met de onder 5.12. bedoelde veroordeling;

5.14.

verbindt aan de aldus sub 5.13. te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 20.000,00;

5.15.

veroordeelt [gedaagde 1] tot het binnen drie weken na dit vonnis (doen) plaatsen van rectificaties in de dagbladen "Leeuwarder Courant" en de "Nieuwe Dockumer Courant", steeds op pagina 1 van een sectie naar keuze, in een zwart kader met de afmetingen minimaal 104 mm breed en 75 mm hoog, met de volgende inhoud en zonder toevoegingen, commentaar of weglating:

“RECTIFICATIE. De afgelopen jaren heb ik [gedaagde 1] in meerdere publicaties de heer [eiser ] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder betrokkenheid bij moord. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 februari 2017 ben ik op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.”;

5.16.

veroordeelt [gedaagde 1] (hoofdelijk met [gedaagde 2] ) tot betaling aan [eiser ] van een bedrag van € 7.500,00 ter zake van immateriële schadevergoeding;

5.17.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiser ] van een bedrag van € 2.500,00 ter zake van immateriële schadevergoeding;

5.18.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser ] vastgesteld op € 539,00;

5.19.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.20.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 502