Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:539

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
18/092295-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/092295-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 februari 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2011 tot en met 03 mei 2016 te

[pleegplaats] , gemeente De Marne, althans in Nederland, meermalen (telkens)

opzettelijk een geldbedrag (tot een totaalbedrag van 95.453,50), dat/die

geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e)

goed(eren) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke
dienstbetrekking van/als penningmeester van genoemde

[slachtoffer1] onder zich had, althans tegen een geldelijke

vergoeding onder zich had,

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen en heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met het standpunt van de officier van justitie verenigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 april 2016, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier met nummer [nummer] d.d. 24 mei 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode 01 januari 2011 tot en met 03 mei 2016 te

[pleegplaats] , gemeente De Marne, meermalen telkens

opzettelijk een geldbedrag (tot een totaalbedrag van 95.453,50),

dat toebehoorde aan [slachtoffer1] ,

welk verdachte tegen een geldelijke vergoeding onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. verduistering, gepleegd door hem die het goed tegen een geldelijke vergoeding onder
zich heeft, meermalen gepleegd

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ervoor gepleit verdachte te veroordelen tot een taakstraf, onder verwijzing naar het advies van de reclassering in haar rapport d.d. 14 juli 2016.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan,

de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van in totaal

€ 95.453,50 van [slachtoffer1] door jarenlang telkens geldbedragen, welke hij als penningmeester van voornoemde [slachtoffer1] tegen een geldelijke vergoeding van € 300,00 per jaar onder zich had, van de bankrekening van [slachtoffer1] over te boeken naar zijn eigen bankrekeningen.

Met zijn handelwijze heeft verdachte op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van zowel het bestuur als de leden van [slachtoffer1] . Daar waar zij dat vertrouwen in handen legden van de penningmeester om de kas en daarmee hun gelden te beheren, hebben zij moeten ervaren dat het geld stelselmatig door de penningmeester van de rekening werd afgeschreven ten behoeve van diens eigen gewin. [slachtoffer1] heeft haar vermogen in rook zien opgaan en het is nog maar de vraag of verdachte nog enige reële verhaalsmogelijkheid biedt.

De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en overweegt dat een dergelijk feit het opleggen van een substantiële straf zonder meer rechtvaardigt.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Als uitgangspunt voor verduistering met een benadelingsbedrag tussen de € 70.000,00 en € 125.000,00 wordt daarin een gevangenisstraf tussen de vijf en negen maanden of een combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd.

In het nadeel van verdachte betrekt de rechtbank bij de straftoemeting het stelselmatig karakter en de jarenlange duur van de verduistering, die pas geëindigd is toen het bestuur inzage in de bankbescheiden van [slachtoffer1] kreeg en aldus op de hoogte geraakte van de handelwijze van verdachte.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij een blanco strafblad heeft en dat verdachte als gevolg van deze strafzaak regionaal veel negatieve aandacht van de media heeft gehad.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, ondanks het feit dat het aanzienlijke benadelingsbedrag in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, toch kan worden volstaan met het opleggen van de maximale taakstraf, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank wijkt daarmee af van de door de officier van justitie geëiste straf omdat zij in vergelding door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte thans geen meerwaarde ziet.

Benadeelde partij

[slachtoffer1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partij aangegeven dat er na het indienen van bovengenoemde vordering nog een bedrag van in totaal € 25,00 door verdachte is terugbetaald en dat dit bedrag in mindering kan worden gebracht op de ingediende vordering. Daarenboven heeft de raadsman van de benadeelde partij ter zitting aangegeven dat de ingediende vordering kan worden verlaagd met een bedrag ter grootte van € 50,00 zijnde de geldelijke vergoeding voor verdachte in zijn functie als penningmeester van de verenging in de eerste maanden van 2016. Derhalve resteert thans een vordering ter hoogte van € 93.648,50 (zijnde materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met het standpunt van de officier van justitie verenigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 93.648,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] te betalen een bedrag van € 93.648,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2017.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.