Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5279

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
5796683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erflater heeft een testamentair bewind ingesteld over wat zijn twee erfgenamen toekomt. De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair, dat wil zeggen onder het voorrecht van boedelbeschrijving, aanvaard. Dit brengt met zich mee dat de nalatenschap eerst moet worden afgewikkeld met inachtneming van het bepaalde in art. 4:195 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, voordat duidelijk is welk erfdeel ieder van de erfgenamen zal ontvangen. Pas na deze afwikkeling immers zal duidelijk zijn of er na aftrek van de aanwezige schulden nog baten zullen overblijven die aan de erfgenamen toekomen en - vervolgens - zullen vallen onder het ingestelde (testamentaire) bewind. De bewindvoerder zal mitsdien pas na de vereffening van de nalatenschap een eerste beschrijving kunnen maken van de goederen die onder zijn bewindstaken vallen. Het voorgaande brengt met zich mee dat de bewindvoerder zijn taken feitelijk pas zal kunnen (gaan) uitvoeren indien en zodra de nalatenschap is afgewikkeld en duidelijk is welke goederen toekomen aan beide erfgenamen, waarna een verdeling van die goederen ten behoeve van de beide erfgenamen kan plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/425
ERF-Updates.nl 2018-0214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 5796683 \ CV EXPL 17-1989

vonnis van de kantonrechter van 10 oktober 2017

in de zaak van

1. [eiser 1], wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] , in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [C.E.]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

eisers,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing

tegen

[gedaagde] ,

hierna te noemen: bewindvoerder,

wonende te [woonplaats] , [adres 2]

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P. Keijzer.

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 20 februari 2017 met producties;

de conclusie van antwoord met producties;

de nadere toelichtingen van partijen.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

De feiten

2.1.

Als gesteld en erkend of niet dan wel onvoldoende weersproken, alsmede gelet op de onweersproken inhoud van de overgelegde producties waarop door partijen een beroep is gedaan, staat het volgende voor zover van belang vast.

2.2.

Wijlen [erflater] , is gehuwd geweest met [eiser 2] . De echtscheiding tussen hen is uitgesproken op 23 november 2010, waarna beide ex-echtelieden verwikkeld zijn geraakt in verschillende gerechtelijke procedures omtrent alimentatie en verdeling.

[erflater] , de vader van eisers [eiser 1] en [C.E.] , is op [datum x] overleden. Bij testament van 16 maart 2011 heeft wijlen [erflater] over zijn nalatenschap beschikt, waarbij hij zijn beide kinderen voornoemd tot enig erfgenaam heeft benoemd. Erflater heeft tevens een (testamentair) bewind ingesteld over het te verkrijgen erfdeel van de erfgenamen tot het bereiken van de 25-jarige leeftijd. Als bewindvoerder is benoemd de broer van erflater, [gedaagde] .

2.3.

[eiser 1] is geboren op [geboortedatum] . [C.E.] is geboren op [geboortedatum] .

2.4.

[eisende partij] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.5.

Tot op heden heeft er geen vereffening van de nalatenschap plaatsgevonden.

De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert bewindvoerder te bevelen volledig rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van de nalatenschap van erflater op straffe van een dwangsom, alsmede bewindvoerder te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van kosten wegens schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met rente, en verder te veroordelen in de (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.

[eisende partij] voert daartoe aan dat bewindvoerder zijn taken - kort samengevat - veronachtzaamt en/of dat hij twijfels heeft omtrent het onttrekken van gelden aan de nalatenschap door de bewindvoerder.

4.1.

Bewindvoerder heeft de vordering betwist en geconcludeerd tot afwijzing. Volgens bewindvoerder gaat zijn taak pas in als de nalatenschap is vereffend en verdeeld.

4.2.

Hetgeen partijen verder respectievelijk ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd zal voor zover van belang voor de beslissing hierna worden besproken.

De beoordeling

5.1.

Erflater heeft in zijn testament een bewind ingesteld over hetgeen zijn beide kinderen als erfgenaam zullen verkrijgen, zowel gedurende hun minderjarigheid als tijdens hun meerderjarigheid over de periode tot dat zij de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt. Op de datum van overlijden, [datum x] , waren beide erfgenamen nog minderjarig, zodat op dat moment het minderjarigenbewind, als bedoeld in het bepaalde van artikel 1: 253i lid 4 aanhef en sub c BW is ingegaan. Het testamentair bewind, als bedoeld in artikel 4: 153 BW, over de aan de erfgenamen nagelaten goederen is vervolgens aangevangen op het tijdstip waarop de erfgenamen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. In beide gevallen is de bewindvoerder dezelfde persoon, namelijk [gedaagde] . Beide erfgenamen zijn inmiddels meerderjarig.

5.2.

Het bewind als bedoeld in artikel 1: 253i lid 4 aanhef en sub c BW brengt slechts een wijziging aan in de persoon van degene die het bewind voert in de zin van boek 1 BW. Bij minderjarigen is dat gewoonlijk de ouder(s). Ingevolge het bepaalde in lid 5 van laatstgenoemd artikel zijn de ouders, of - indien een ouder het gezag alleen uitoefent - die ouder, bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen. Dat brengt met zich mee dat in beginsel de bewindvoerder gehouden is vanaf de aanvang van dat bewind een deugdelijke administratie te voeren van de door hem verrichte beheersdaden met betrekking tot de goederen die onder dat bewind vallen. Daarvoor is vanzelfsprekend nodig dat duidelijk is welke goederen onder zijn bewind vallen, zodat in voorkomende gevallen een beschrijving zal moeten worden gemaakt van die goederen.

Ook ingevolge het bepaalde in artikel 4: 160 BW dient de bewindvoerder zo spoedig mogelijk een beschrijving te maken van de goederen waarop het bewind betrekking heeft.

5.3.

In het onderhavige geval heeft [eisende partij] de nalatenschap beneficiair, dat wil zeggen onder het voorrecht van boedelbeschrijving, aanvaard. Dit brengt met zich mee dat de nalatenschap eerst moet worden afgewikkeld met inachtneming van het bepaalde in art. 4: 195 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, voordat duidelijk is welk erfdeel ieder van [eisende partij] zal ontvangen. Pas na deze afwikkeling immers zal duidelijk zijn of er na aftrek van de aanwezige schulden nog baten zullen overblijven die aan [eisende partij] toekomen en - vervolgens - zullen vallen onder het ingestelde (testamentaire) bewind. De bewindvoerder zal mitsdien pas na de vereffening van de nalatenschap een eerste beschrijving kunnen maken van de goederen die onder zijn bewindstaken vallen.

5.4.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de bewindvoerder zijn taken feitelijk pas zal kunnen (gaan) uitvoeren indien en zodra de nalatenschap is afgewikkeld en duidelijk is welke goederen toekomen aan beide erfgenamen, waarna een verdeling van die goederen ten behoeve van de beide erfgenamen kan plaatsvinden.

5.5.

Nu tot op heden geen vereffening van de nalatenschap heeft plaatsgevonden en nog onbekend is welke goederen er onder het bewind vallen, kan de facto van de bewindvoerder geen rekening en verantwoording worden gevorderd. Door het ontbreken van de noodzakelijke vereffening (en verdeling) kon de bewindvoerder immers nog geen invulling geven aan zijn taken.

5.6.

De kantonrechter overweegt hierbij nog het volgende. Waar [eiser 2] bij dagvaarding heeft opgetreden als wettelijke vertegenwoordiger van haar toenmalig minderjarige dochter [C.E.] en de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording van de bewindvoerder (mede) is ingegeven door het hiervoor besproken artikel 1: 253i lid 5 BW en vast staat dat nog geen vereffening heeft plaatsgevonden van de nalatenschap, waardoor de bewindvoerder de facto zijn bewindstaken niet heeft kunnen uitoefenen, kan die vordering wegens het ontbreken van belang evenmin worden toegewezen. Doordat beide erfgenamen inmiddels meerderjarig zijn, kunnen zij zelf in rechte rekening en verantwoording vragen van de bewindvoerder zodra hij zijn taken kan gaan uitvoeren.

5.7.

Met betrekking tot het minderjarigenbewind (art. 1: 253 i lid 4 aanhef en sub c BW) heeft erflater bij testament uitdrukkelijk benoemd dat het vermogensbeheer over al hetgeen zijn kinderen van hem erven niet bij zijn gewezen echtgenote maar steeds bij de genoemde bewindvoerder zal berusten. In verband met wat hiervoor onder 5.4. is overwogen, zou dat hebben kunnen mee brengen dat bij ontstentenis van een door de erflater aangewezen executeur of vereffenaar, belast met de vereffening van de nalatenschap - zoals in deze zaak het geval was - de gewezen echtgenote, [eiser 2] , als wettelijk vertegenwoordiger van haar beide toen nog minderjarige kinderen, belast was met de vereffening van de nalatenschap. Daarmee zou tegen de uitdrukkelijke wens van de erflater zijn gewezen echtgenote bemoeienis hebben gehad met de afwikkeling van zijn nalatenschap en daarmee met het vermogensbeheer van de erfdelen van beide kinderen. Die omstandigheid, als die zich had voorgedaan, zou in dat geval een gevolg zijn geweest van het verzuim van erflater om een executeur of vereffenaar aan te wijzen. Nu evenwel vast staat dat nog geen vereffening heeft plaatsgevonden en zich die omstandigheid (dus) niet heeft voorgedaan, kunnen en moeten beide erven zelf zorgdragen voor de vereffening van de nalatenschap. Daarbij ligt het naar het oordeel van de kantonrechter voor de hand om dat samen met de benoemde bewindvoerder te doen, opdat de bewindvoerder daarmee tevens een aanvang kan nemen met de aan hem opgedragen taak. Hoewel - zoals overwogen - de bewindvoerder feitelijk zijn taken pas oppakken indien en zodra duidelijk is of er een positief saldo resteert na de vereffening van de nalatenschap, zal het betrekken van de bewindvoerder bij de vereffening van de nalatenschap door beide erven tegemoet komen aan de wens van hun vader om het beheer van het nagelaten vermogen tot hun leeftijd van 25 jaar aan de zorg van een bewindvoerder toe te vertrouwen.

5.8.

Nu de bewindvoerder feitelijk nog geen uitvoering heeft gegeven aan zijn bewindstaken zal ook de gevorderde schadestaatprocedure thans worden afgewezen. Indien uit de vereffening mocht blijken dat baten uit de nalatenschap door of door toedoen van bewindvoerder zijn onttrokken dan wel ontvreemd, dan ontstaat er mogelijk een grond voor (terug)vordering. Nu is die vordering onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond.

5.9.

[eisende partij] zal in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten bedragen aan de zijde van bewindvoerder tot op heden € 600,00 (2 punten van het toepasselijke liquidatietarief) wegens salaris gemachtigde.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eisende partij] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de bewindvoerder ( [gedaagde] ) vastgesteld op € 600,00 wegens salaris gemachtigde

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

typ/conc: 482/AM

coll: