Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5193

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
C/18/171987 / HA RK 16-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil – val van patiënt in ziekenhuis – feiten en omstandigheden onvoldoende duidelijk - leveren van nader bewijs zal niet beperkt blijven tot het horen van een enkele getuige – verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2018/59
GZR-Updates.nl 2018-0105
PS-Updates.nl 2018-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/171987 / HA RK 16-314

Beschikking van 2 mei 2017

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer te Groningen,

tegen

de stichting

STICHTING ALGEMEEN CHRISTELIJK ZIEKENHUIS GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

verweerster,

advocaat mr. M.F. Hulsebosch te Utrecht.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Martini Ziekenhuis genoemd.

1 De procedure

Op 23 november 2016 heeft [verzoeker] een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ter griffie ingediend. Martini Ziekenhuis heeft zich bij verweerschrift, ontvangen ter griffie op 7 maart 2017, tegen het verzoek verzet. Op 9 maart 2017 en 10 maart 2017 heeft [verzoeker] nadere producties in het geding gebracht. Martini Ziekenhuis heeft bij brief van 18 januari 2017 om een nadere dagbepaling van de mondelinge behandeling verzocht omdat de bij deze procedure betrokken verpleegkundige niet op de geplande zittingsdag aanwezig kon zijn. [verzoeker] heeft zich bij brief van 19 januari 2017 tegen dit verzoek verzet. Bij brief van 20 januari 2017 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De zaak is behandeld ter zitting van 13 maart 2017. Partijen en hun advocaten zijn ter zitting verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Poortman-de Boer heeft daartoe zittingsaantekeningen in het geding gebracht. Van het verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden. Vervolgens is de behandeling gesloten en heeft de rechtbank beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

In verband met een versleten rechterknie is [verzoeker] (geboren op [geboortedatum] 1956) op 12 februari 2016 in Martini Ziekenhuis te Groningen geopereerd alwaar bij hem een knieprothese is geplaatst. De operatie is zonder complicaties verlopen. Na de ingreep is [verzoeker] om 10.24 uur naar de afdeling gebracht. Om 10.34 uur is zijn bloeddruk, temperatuur, adem- en hartfrequentie gemeten en is het zuurstofgehalte in het bloed van [verzoeker] onderzocht. De gemeten waarden leverden tezamen een “0” op, op de zogenaamde alarmscorekaart.

2.2.

Op 12 februari 2017 rond 15.15 uur is [verzoeker] onder begeleiding van de fysiotherapeut ( [D] ) begonnen met mobiliseren. [verzoeker] is toen onder begeleiding van de fysiotherapeut met behulp van elleboogkrukken en/of een looprek naar het toilet gelopen. De fysiotherapeut heeft in het medisch dossier aangetekend:

“lopen met LR [rechtbank: looprek] naar toilet en terug met EK [rechtbank: elleboogkrukken], gaat zelfst”

2.3.

Uit de registratie van de verpleegkundigen (23:07 uur) volgt dat [verzoeker] op 12 februari 2016 aan het einde van de dag onder begeleiding naar het toilet is gelopen en dat hij een urinaal voor de nacht heeft ontvangen.

2.4.

Op 13 februari 2017 in de ochtend, voor en na het ontbijt, zijn de onder 2.1 genoemde waarden van [verzoeker] wederom gemeten. Beide keren leverden de metingen een “1” op, op de alarmscorekaart. Rond 09.15 uur heeft [verzoeker] zich onder begeleiding van verpleegkundige [B] en met gebruik van hulpmiddelen (krukken of een looprek) naar de sanitaire ruimte verplaatst waar een douche, wasbak en toilet zijn. [verzoeker] heeft plaatsgenomen op een stoel of krukje voor de wasbak zodat hij zich kon scheren en verfrissen. De verpleegkundige heeft de sanitaire ruimte vervolgens verlaten. Na het scheren en wassen heeft [verzoeker] zich al zittend op een in de ruimte aanwezige kruk richting het toilet verplaatst. Na gebruik van het toilet heeft [verzoeker] zich voorover gebogen om zijn boxershort, die achter de wonddrain was blijven haken, over/langs de drain te trekken. [verzoeker] is duizelig geworden en heeft een doekje van de wastafel gepakt om zijn gezicht te bevochtigen. Kort voor het moment dat [verzoeker] zijn bewustzijn verloor heeft hij aan het zich in de ruimte bevindende rode koord getrokken waardoor de (alarm)bel is afgegaan. Vervolgens is [verzoeker] buiten bewustzijn geraakt en in de sanitaire ruimte ten val gekomen.

2.5.

Onderzoek naar het belsysteem van het ziekenhuis heeft uitgewezen dat de (alarm)bel om 9.20.04 is afgegaan. Het belsysteem werkt aldus dat na 300 seconden een groepsoproep naar alle collega’s op de afdeling gaat. Die oproep heeft om 9:25:06 plaatsgevonden. Verpleegkundige [B] heeft [verzoeker] buiten bewustzijn in de sanitaire ruimte aangetroffen. Zij heeft om hulp geroepen en op de assistentiebel gedrukt. Gebleken is dat er om 9.27.24 uur een reanimatieoproep heeft plaatsgevonden. Met behulp van een tillift is [verzoeker] uit de sanitaire ruimte verplaatst.

2.6.

Tijdens daarop volgende onderzoeken (MRI-scan en CT-scans) is bij [verzoeker] een hoge incomplete dwarslaesie gediagnosticeerd. Uit de MRI van de wervelkolom was verder een post-traumatische beknelling van het ruggenmerg te zien bij een pre-existente vernauwing van de nek (kanaalstenose). Deze pre-existente vernauwing was ten tijde van de val noch bij [verzoeker] noch bij Martini Ziekenhuis bekend.

[verzoeker] is van zijn voeten tot zijn schouders verlamd geraakt. Het revalidatietraject dat is opgestart heeft geen relevante verbetering in zijn situatie kunnen brengen.

2.7.

Bij brief van 29 maart 2016 heeft (de advocaat van) [verzoeker] Martini Ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de door [verzoeker] geleden en te lijden schade. Voorts heeft [verzoeker] een klacht ingediend bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna Inspectie te noemen).

2.8.

Martini Ziekenhuis heeft het valincident ook gemeld bij de Inspectie. In het kader van die melding heeft een commissie van Martini Ziekenhuis (hierna: de onderzoekscommissie) onderzoek verricht naar het valincident. Op 30 maart 2016 heeft in Beatrixoord te Haren een gesprek met [verzoeker] en commissieleden [naam] en [naam] plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren de echtgenote en zoon van [verzoeker] aanwezig. Van het gesprek heeft de onderzoekscommissie een verslag opgemaakt dat op 1 april 2016 aan [verzoeker] is gezonden. In het verslag is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) De volgende morgen, zaterdag 13 februari 2016, heeft dhr. [verzoeker] ontbeten in bed en daarna kon hij zich gaan wassen in de badkamer. Tussen 9 en 10 uur is hij onder begeleiding van een verpleegkundige naar de badkamer gelopen met een looprek. Er stond een krukje klaar en Dhr [verzoeker] is hier op gaan zitten. Tevens werd hij gewezen op de aanwezigheid van de bel en dat hij in geval van hulp gebruik moest maken van de bel. Dhr [verzoeker] beschrijft dat hij dat wel een beetje eng vond want hij moest van het krukje verplaatsen naar het toilet. Hij had van te voren aangegeven dat hij naar het

toilet moest om te plassen. De verpleegkundige die Dhr [verzoeker] begeleide gaf niet aan dat dit niet mocht zonder hulp. (…)

De echtgenote van Dhr. [verzoeker] gaf aan dat het bekend was bij de verpleegkundigen, anesthesist, fysiotherapeut en tijdens de intake dat hij schouderklachten heeft en dat hij meerdere malen is geopereerd aan beide schouders. Zij hadden daarom zorgen dat het met krukken lopen wel lastig zou worden. Toch heeft Dhr. [verzoeker] met krukken gelopen. Dokter Somford heeft zelfs aangegeven dat hij de schouders van Dhr. [verzoeker] zo zou leggen dat hij daar zo weinig mogelijk last van zou krijgen.

Dhr. [verzoeker] gaf aan dat hij altijd pijn heeft in zijn schouders en dat hij in totaal 6 operaties heeft gehad. Hij geeft daarentegen aan nooit nekklachten gehad te hebben. (…)

Dhr. [verzoeker] bevestigd dat hij uitleg heeft gekregen over het Rapid Recovery programma. Dit werd besproken tijdens de intake. Hem is verteld dat in principe de kans groot was dat hij de dag na de operatie naar huis kon met krukken want die moest hij zelf meenemen. Er is niet gesproken over het meenemen van een looprek. (…)

Dhr. [verzoeker] werd nog gevraagd of hij het een goed idee zou vinden als een verpleegkundige in de badkamer aanwezig zou zijn ook al voelt de patiënt zich goed. Dhr. [verzoeker] weet niet of dat zou helpen maar geeft wel aan dat hij het alleen zijn in de badkamer wel zorgelijk heeft ervaren. Nogmaals bevestigd Dhr. [verzoeker] dat de drain volgens hem geen invloed heeft gehad op het incident. (…)

2.9.

Bij e-mail van 11 april 2016 heeft [verzoeker] (via zijn zoon) aan de onderzoekscommissie laten weten dat het verslag op punten aanvulling en correctie behoefde. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe heeft de onderzoekscommissie niet op dit verzoek gereageerd.

2.10.

In haar rapport van 20 april 2016 heeft de onderzoekscommissie (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) Op 13 februari 2016 heeft de patiënt ’s morgens in bed ontbeten en de bloeddruk is om 8:42 uur geregistreerd als 137/72 mmHg. Temperatuur was 37.5 C en de hartfrequentie was 102 bpm. De redondrain had ‘s nachts 220cc geproduceerd. Verpleegkundige A heeft

nagevraagd bij verpleegkundige B of de drainpot vervangen moest worden aangezien zij nog niet eerder met een redondrain had gewerkt. Volgens verpleegkundige B was het niet nodig om de pot te vervangen en zij vermeldde dat de drain waarschijnlijk later die morgen

verwijderd zou worden volgens protocol.

De patiënt mocht zich in de badkamer gaan wassen en gaf aan ook naar het toilet te moeten. Verpleegkundige A legde alle spullen klaar in de badkamer en om ongeveer 9:15 uur is de patiënt onder begeleiding van verpleegkundige A zonder problemen naar de badkamer gelopen met behulp van een looprek. Eenmaal aangekomen in de badkamer is de patiënt gaan zitten op het aanwezige krukje. Hij is volgens verpleegkundige A gewezen op de bel en dat hij moest bellen wanneer hij naar het toilet wilde, maar dat hij alvast kon beginnen met wassen. De patiënt heeft in zijn interview aangegeven dat hij had aangegeven dat hij eerst wilde plassen en dat hij van het krukje naar het toilet moest verplaatsen en dat hij dat wel eng vond. Hij heeft op dat moment geen gebruik gemaakt van de bel.

Het onderzoeksteam is van mening dat er geen redenen aanwezig waren waarom de

patiënt niet onder begeleiding met een looprek naar de badkamer kon lopen. (…)


De patiënt had een drain in situ volgens het Rapid Recovery Zorgpad TKP, en deze zou dezelfde morgen nog verwijderd worden. Er zijn geen beperkingen voor patiënten met een drain in situ en mobiliseren onder begeleiding is prima mogelijk volgens alle betrokkenen. Uit gesprekken is het duidelijk geworden dat er een verschil bestaat in de benadering van patiënten met betrekking tot het naar de badkamer gaan met drain in situ. Sommige verpleegkundigen hebben aangegeven dat zij patiënten op bed laten wassen totdat de drain is verwijderd, maar sommige verpleegkundigen doen dit niet standaard. Dit is gebaseerd op een persoonlijke voorkeur maar dit is niet als zodanig beschreven in het Rapid Recovery zorgpad.

Het onderzoeksteam is van mening dat het hebben van een redondrain beter

beschreven moet worden in het protocol en dat het, op basis van de gevoerde

gesprekken, mogelijk geweest zou zijn dat de patiënt zich in bed had gewassen

indien er een andere verpleegkundige aan de patiënt was toegewezen. Hij was dan

niet met drain in situ naar de badkamer gelopen, maar dit is geen garantie dat

collaberen in een later stadium voorkomen had kunnen worden. (…)

Het onderzoeksteam concludeert dat de beleving van de patiënt verschilt met die van

verpleegkundige A. De urgentie voor de patiënt om te moeten plassen is in dit geval

niet duidelijk overgekomen bij verpleegkundige A. Het is voor het onderzoeksteam

niet mogelijk geweest om definitief te kunnen concluderen of de patiënt duidelijk heeft

aangegeven dat hij eerst naar het toilet wilde. (…)

Het onderzoeksteam is dan ook van mening dat verpleegkundige A de val niet had

kunnen voorkomen als zij direct gereageerd had op de bel. Wel concludeert het

onderzoeksteam dat de respons op de bel aantoonbaar iets meer dan 7 minuten

heeft geduurd en dit roept de vraag op of dit acceptabel is voor een patiënt op dag 1

van het Rapid Recovery zorgpad. (…)

Het onderzoeksteam concludeert dat verpleegkundige A op basis van de huidige

procedures juist heeft gehandeld; het is niet gebruikelijk om als verpleegkundige in de

badkamer aanwezig te zijn een dag na deze operatie.

Omdat het risico op collaberen door verpleegkundigen met verschil in ervaring

verschillend wordt ingeschat moet de afdeling orthopedie kijken op welke wijze ze het

risico op collaberen de dag na operatie objectief zo goed mogelijk kunnen vaststellen.

Overigens zijn ons bij de patiënt in de huidige gegevens geen factoren gebleken op

grond waarvan het risico op collaberen verhoogd lijkt.

Op basis van de beschreven conclusies is het onderzoeksteam van mening dat de

val van de patiënt in de badkamer niet voorkomen had kunnen worden. (…)

Aanbevelingen

RVE Orthopedie

1. Het hebben van een redondrain in combinatie met mobiliseren moet eenduidig

beschreven worden in het Rapid Recovery Zorgpad TKP, aangezien er variaties

aangegeven zijn door de verpleegkundigen.

2. Incidenten, waarbij patiënten collaberen, moeten worden geregistreerd en regelmatig

worden geëvalueerd.

3. Patiënten die zelfstandig in de badkamer zijn op dag 1 na hun operatie moeten

slechts 5 minuten (standaard instelling belsysteem) alleen worden gelaten. Dit moet

duidelijker worden beschreven in het Rapid Recovery Zorgpad TKP.

Cluster Kliniek

4. De minimale responsetijd op de bel bij patiënten op dag 1 postoperatief moet worden

vastgesteld.

RVE SEH

5. Het ontwikkelen van een protocol waarin beschreven wordt hoe te handelen bij een

patiënt die bewusteloos op de grond ligt, zowel met betrekking tot de ABC-functies

als de neurologische beoordeling en een implementatieplan om dit protocol

ziekenhuisbreed bekend te maken.

2.11.

In opdracht van Medirisk heeft [C] , werkzaam bij Schaderegelingsburo [naam] op 26 april 2016 een informatief gesprek gevoerd met [verzoeker] . Tijdens het gesprek is [verzoeker] door zijn advocaat bijgestaan. Van het gesprek is op 2 mei 2016 een “bezoekrapport” opgemaakt. In het bezoekrapport staat dat [verzoeker] het Martini Ziekenhuis verwijt onzorgvuldig te hebben gehandeld door hem de ochtend na de operatie alleen in de sanitaire ruimte achter te laten terwijl hij zeer slecht mobiel was en voorts dat het ziekenhuis niet tijdig op de door [verzoeker] voor zijn val ingeschakelde alarmbel heeft gereageerd.

2.12.

Bij brief van 16 augustus 2016 heeft de Inspectie aan de advocaat van [verzoeker] geschreven (kort gezegd) dat klachten als informatiebron voor de toezichthoudende taak van de inspectie van belang zijn, dat in de klacht van [verzoeker] geen nieuwe informatie besloten ligt en het incident als afdoende onderzocht is afgesloten.

2.13.

Bij brief van 24 augustus 2016 heeft verzekeraar MediRisk namens Martini Ziekenhuis de aansprakelijkheid afgewezen.

2.14.

In een op verzoek van Martini Ziekenhuis opgemaakte verklaring van 27 februari 2017 schrijft fysiotherapeut [D] (voor zover hier van belang):

(…) De heer [verzoeker] had op 12 februari 2016 een totale knieprothese gekregen. Deze operatie was zonder problemen verlopen. Na de operatie nam de heer [verzoeker] deel aan het Rapid Recovery Zorgpad. Dat betekent, onder andere, dat indien de patiënt zich goed voelt uiterlijk 6 uur na de operatie begonnen wordt met mobiliseren.

Die dag kwam ik bij de heer [verzoeker] rond 15.15 uur. De heer [verzoeker] voelde zich op dat moment prima. Ik heb de sensibiliteit en motoriek beoordeeld. Vervolgens heb ik met hem met een looprekje gemobiliseerd van zijn bed naar het toilet. Ik heb de heer [verzoeker] hierbij geholpen tot voor het toilet in de douchruimte. Het looprek heeft hij hierbij mee de douche ingenomen tot voor het toilet. Hij heeft zelf zijn broek uitgedaan voor de toiletgang. Vervolgens heb ik met de deur op een kier aan de buitenzijde staan wachten tot hij klaar was. Hij heeft zich volledig zelfstandig gered op het toilet. Omdat hij erg vlot mobiliseerde met het looprek, zijn wij vervolgens met de elleboogkrukken teruggelopen naar het bed. Ook dat ging goed (veilig en stabiel). Voor zover ik mij kan herinneren heeft de heer [verzoeker] toen geen duizeligheidsklachten aangegeven. Aan de verpleging heb ik teruggekoppeld dat hij met de elleboogkrukken onder begeleiding mag mobiliseren. (…)

2.15.

In een op verzoek van Martini Ziekenhuis opgemaakte schriftelijke verklaring van 2 maart 2017 van verpleegkundige [B] staat over het valincident (voor zover hier van belang):

(…) Aangezien het op dat moment goed ging met de heer [verzoeker] , mocht hij zich na het ontbijt en het doen van de alarmscore, in de badkamer gaan wassen. Voordat ik de heer naar de

badkamer begeleidde, heb ik alles voor de heer binnen handbereik klaargezet zoals

bijvoorbeeld zijn toilettas en een washand en handdoek. Onder begeleiding is de heer [verzoeker]

met behulp van de elleboogkrukken zonder problemen naar de badkamer gelopen. Hierbij heb ik ondersteund door het dragen van de drainpotten. In de badkamer aangekomen zei hij; ‘Ik moet straks ook nog naar het toilet’. Ik heb de heer toen gevraagd of dat ‘nu’ gelijk moest of , dat het ook ‘straks’ kon. Daar op heeft de heer gezegd dat het ook ‘straks’ kon. Ik weet dat voor 100% zeker. Als hij had aangegeven dat hij op dat moment naar het toilet moest, dan had ik hem niet alleen in de badkamer gelaten en de heer eerst naar het toilet begeleid.

Toen ik de heer in de badkamer achterliet om zich bij de wastafel op te frissen, zat hij op een kruk. De elleboogkrukken had ik in de hoek bij de wastafel neergezet. De heer voelde zich goed en het was daarom verantwoord de heer op de kruk bij de wastafel achter te laten. Maar ik wilde niet dat de heer op eigen houtje naar de wc zou gaan. Daarom heb ik, voordat ik wegging, tegen de heer gezegd dat hij niets moest doen wat niet zou lukken en zodra de heer naar het toilet wilde dat hij dan moest bellen. Ik heb hem op het alarmkoord bij de wastafel gewezen. Ik heb erbij gezegd dat ik in de buurt zou zijn. De heer [verzoeker] kwam op mij over als een verstandige man. Hij kwam goed en helder over en was gezellig. Ik had dan ook geen reden om te denken dat hij zich niet aan de instructie zou houden.

Nadat ik de heer [verzoeker] naar de badkamer had begeleid, ben ik terug naar de zaal gegaan om de andere patiënten te helpen. Er lagen die dag 4 patiënten op zaal waarvoor ik verantwoordelijk was. Regelmatig heb ik de verantwoordelijkheid over meer dan 4 patiënten tegelijk, dus had ik relatief veel tijd voor elke patiënt. Geen van deze patiënten had mijn hulp spoedig nodig.

Indien de heer [verzoeker] had aangegeven dat hij direct had moeten plassen, had ik dan ook tijd

gehad om hem daarbij te helpen.

Op het moment dat de bel ging, was ik een andere patiënt terug naar bed aan het begeleiden. Ik was net bezig om de broek van deze patiënt omhoog te trekken. Dat heb ik zo snel mogelijk afgemaakt en ben toen direct naar de badkamer gegaan. Daar trof ik de heer [verzoeker] op de grond aan. Hij lag met zijn hoofd in de hoek van de douche.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. voor recht te verklaren dat Martini Ziekenhuis onzorgvuldig jegens [verzoeker] heeft gehandeld, hetgeen heeft geresulteerd in het valincident van 13 februari 2016,

II. te bepalen dat Martini Ziekenhuis aansprakelijk is voor het valincident en daardoor geleden en nog te lijden schade aan de zijde van [verzoeker] ,

III. te bepalen dat Martini Ziekenhuis gehouden is binnen 14 dagen na de in deze te wijzen beschikking een bedrag van € 50.000,00 ter zake een voorschot op de schade die [verzoeker] heeft geleden en zal lijden te vergoeden,

IV. Martini Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[verzoeker] grondt zijn verzoek op onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen aan de zijde van Martini Ziekenhuis. In het geval van [verzoeker] was sprake van een sterk verhoogd risico op vallen. Dat risico lag besloten in zijn persoonlijke, bij het ziekenhuis bekende, lichamelijke beperkingen aan schouders en knie en in het feit dat hij zonder hulp of supervisie een kleine voor hem onbekende sanitaire ruimte van het ziekenhuis diende te gebruiken. De bloeddruk van [verzoeker] was gedaald na het ontbijt, zijn ademhalingsfrequentie was toegenomen en er was sprake van een verhoogde lichaamstemperatuur. Deze factoren hebben het risico op een val vergroot. De verpleegkundige heeft [verzoeker] met een looprek naar de ruimte begeleid, omdat lopen met elleboogkrukken vanwege schouderklachten niet ging. In die ruimte heeft zij [verzoeker] op een krukje bij de wastafel geplaatst en hem vervolgens alleen gelaten, terwijl hij had aangegeven dat hij naar het toilet moest. Zij wist niet alleen maar behoorde ook te weten (het urinaal was de hele nacht ongebruikt gebleven) dat [verzoeker] het toilet wilde gebruiken. Het had op de weg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verpleegkundige gelegen hem eerst naar het toilet te begeleiden, hem vervolgens op een kruk of stoel nabij de wastafel te plaatsen en toezicht te houden op zijn handelingen.

[verzoeker] betwist dat de verpleegkundige met hem heeft afgesproken dat hij zich eerst zou scheren/verfrissen en dat hij geïnstrueerd is om aan het (alarm)koord te trekken op het moment dat hij naar het toilet wilde, zoals Martini Ziekenhuis aanvoert.

[verzoeker] voert voorts aan dat de richtlijn valpreventie MZH van toepassing is en dat het Martini Ziekenhuis niet conform dit protocol heeft gehandeld. Er is onvoldoende toezicht gehouden, de vereiste controlemomenten zijn niet in acht genomen, er is onvoldoende uitleg over hulpmiddelen verstrekt, er is onvoldoende ondersteuning geboden bij de mobilisatie van [verzoeker] en er is geen rekening gehouden met de verandering van zijn waarden, waaronder zijn bloeddrukdaling na het ontbijt, hetgeen een voorbode kan zijn voor een val.

De val had voorkomen kunnen worden indien de verpleegkundige in de nabijheid van [verzoeker] was gebleven. Het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis en de val is daarmee gegeven.

[verzoeker] heeft (subsidiair) aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat ook indien de door hem betwiste lezing van Martini Ziekenhuis omtrent de afspraken/instructie rond de toiletgang door de rechtbank zou worden gevolgd, nog steeds sprake is van onzorgvuldig handelen omdat zijn veiligheid gezien zijn kwetsbare positie op onvoldoende wijze door deze afspraken/instructie was gewaarborgd. Martini Ziekenhuis had kunnen voorzien dat [verzoeker] na de nacht het toilet zou gaan gebruiken. Aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde kelderluikcriteria moet worden geconcludeerd dat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld. De verpleegkundige had [verzoeker] naar en van het toilet dienen te begeleiden. Zij had [verzoeker] op het toilet moeten zetten en eventueel buiten voor de deur moeten wachten om hem vervolgens weer overeind te helpen, alsmede zijn boxershort (helpen) omhoog te doen.

3.3.

Het verweer van Martini Ziekenhuis strekt primair tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] , althans afwijzing van het verzoek. Het ziekenhuis voert daartoe aan dat partijen verdeeld zijn over de feitelijke gang van zaken rond de val in de sanitaire ruimte en dat het in de rede ligt alle betrokkenen daaromtrent te horen, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent.

Subsidiair voert Martini Ziekenhuis - kort gezegd - tot verweer aan dat zij jegens [verzoeker] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. Voor het bezoek aan de sanitaire ruimte is [verzoeker] onderzocht. Zijn bloeddruk, temperatuur, adem- en hartfrequentie en zijn zuurstofgehalte in het bloed waren normaal. De totale alarmscore was een “1” hetgeen betekent dat [verzoeker] klinisch in goede staat verkeerde.

De richtlijn valpreventie is geschreven voor patiënten met een verhoogd valrisico, waartoe [verzoeker] niet behoorde.
is onder begeleiding en met loopondersteuning naar het toilet gelopen en is daar op een krukje voor de wastafel geplaatst om zich te scheren en te verfrissen. [verzoeker] heeft aan de verpleegkundige laten weten dat hij van het toilet gebruik wenste te maken. De vraag aan [verzoeker] of de toiletgang nog even kon wachten werd door hem bevestigend beantwoord. De verpleegkundige heeft aan [verzoeker] gezegd dat hij “niets moest doen wat niet zou lukken” en dat hij diende te bellen zodra hij het toilet wilde gebruiken. Zij heeft de werking van het alarmkoord uitgelegd en de sanitaire ruimte verlaten. De fysieke gesteldheid van [verzoeker] na zijn operatie was goed en stond er niet aan in de weg om hem enige tijd op de kruk in de sanitaire ruimte alleen te laten. Hij had na zijn operatie al enkele malen eerder onder begeleiding de gang naar het toilet gemaakt. De sanitaire ruimte was hem dus niet onbekend, zoals [verzoeker] stelt. Door aldus te handelen is [verzoeker] niet blootgesteld aan een groter risico dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was.

Martini Ziekenhuis betwist het causaal verband tussen het gestelde onzorgvuldig handelen en de schade omdat het nog maar de vraag is of de val voorkomen had kunnen worden als de door [verzoeker] voorgestelde maatregel (dat er een verpleegkundige in de buurt was gebleven) was genomen. Immers niet duidelijk is of [verzoeker] van het toilet/de kruk is gevallen of tijdens het lopen van het toilet naar de wastafel. Ook is onduidelijk of er tijd zat tussen het moment van onwel worden en de val. Alleen in dat geval had [verzoeker] mogelijk op tijd om hulp kunnen vragen. Maar ook als er in die situatie een verpleegkundige buiten de sanitaire ruimte had gewacht is het de vraag of de verpleegkundige de val en de schade had kunnen voorkomen, gelet op de lengte en het gewicht van [verzoeker] ten tijde van de val (1.70m en 88 kg). Daarbij speelt ook een rol dat [verzoeker] een pre-existente vernauwing had van zijn halswervelkanaal en dat deze vernauwing bij een val waarbij de nek sterk strekt of buigt tot beschadiging van de ruggenmerg en daarmee tot uitval kan leiden. Kortom alleen door [verzoeker] continue te begeleiden in de badkamer had de val voorkomen kunnen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen om een impasse te doorbreken. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak als bodemzaak zou zijn aangebracht. De rechterlijke uitspraak moet partijen dus in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.2.

Het onderhavige verzoek, er mede toe strekkende dat in de deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat Martini Ziekenhuis ten opzichte van [verzoeker] aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door zijn val, valt binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Nu de aansprakelijkheidsvraag komt vóór alle andere vragen die partijen verdeeld houden en nog verdeeld zouden kunnen houden, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.

Bij de beoordeling van een deelgeschil dient de rechtbank zich wel de vraag te stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Een deelgeschil waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zal zich minder snel lenen voor een deelgeschilprocedure (MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 10). De rechtbank is op grond van het navolgende van oordeel dat dit geval zich in deze zaak voordoet.

4.4.

Partijen zijn sterk verdeeld over onder meer de voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van belang zijnde omstandigheden waaronder de val van [verzoeker] in de sanitaire ruimte van Martini Ziekenhuis op 13 februari 2016 heeft plaatsgevonden, over de medische gesteldheid van [verzoeker] kort voor het ongeval en over de vraag of Martini Ziekenhuis het protocol (de richtlijn valpreventie) in acht had dienen te nemen/heeft genomen.

4.5.

[verzoeker] stelt samengevat dat hij in de ochtend van de dag na zijn knieoperatie met aanmerkelijke mobiele beperkingen door de verpleegkundige naar de sanitaire ruimte is begeleid waar hij op een stoel of krukje bij de wastafel is achtergelaten, terwijl hij aan de verpleegkundige te kennen had gegeven dat hij het toilet diende te gebruiken.

[verzoeker] heeft (subsidiair) aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat ook indien de door hem betwiste lezing van Martini Ziekenhuis omtrent de afspraken/instructie rond de toiletgang door de rechtbank zou worden gevolgd, nog steeds sprake is van onzorgvuldig handelen omdat zijn veiligheid gezien zijn kwetsbare positie op onvoldoende wijze door deze afspraken/instructie was gewaarborgd.

4.6.

Martini Ziekenhuis heeft als verweer gevoerd dat [verzoeker] onder begeleiding en met loopondersteuning naar het toilet is gelopen en daar op kruk voor de wastafel is geplaatst om zich te scheren en te verfrissen. [verzoeker] heeft - aldus Martini Ziekenhuis - aan de verpleegkundige laten weten dat hij van het toilet gebruik wenste te maken. De vraag aan [verzoeker] of de toiletgang nog even kon wachten werd volgens de verpleegkundige door hem bevestigend beantwoord. De verpleegkundige heeft - aldus Martini Ziekenhuis - [verzoeker] vervolgens gezegd dat hij ‘niets moest doen wat niet zou lukken’ en dat hij diende te bellen zodra hij het toilet wilde gebruiken. Zij heeft de werking van het alarmkoord uitgelegd en de sanitaire ruimte verlaten. Martini Ziekenhuis heeft voorts aangevoerd dat de fysieke gesteldheid van [verzoeker] na zijn operatie goed was en er niet aan in de weg stond hem enige tijd op de kruk in de sanitaire ruimte alleen te laten en dat [verzoeker] reeds enkele malen onder begeleiding de gang naar het toilet had gemaakt.

4.7.

Als partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten en omstandigheden, draagt [verzoeker] - in het licht van het gemotiveerde verweer van Martini Ziekenhuis - de bewijslast van die feiten. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden gegeven om van dat uitgangspunt af te wijken. De rechtbank constateert dat de gemotiveerd betwiste verklaring van [verzoeker] en de inhoud van het gespreksverslag van de onderzoekscommissie van 1 april 2016 (zie 2.8) beperkte bewijskracht hebben, nu het in beide gevallen een eigen opgave van [verzoeker] betreft omtrent de feiten en omstandigheden rondom de val.

In het licht van dit alles kan de rechtbank thans niet als vaststaand aannemen dat [verzoeker] aan de verpleegkundige heeft kenbaar gemaakt dat hij het toilet wilde gebruiken, en dat zij vervolgens - zonder afspraken omtrent de toiletgang - [verzoeker] in de sanitaire ruimte heeft achtergelaten. Evenmin kan, op basis van hetgeen nu bekend is, worden aangenomen dat de fysieke gesteldheid van [verzoeker] zodanig was dat de verpleegkundige hem hoe dan ook (dus ongeacht of er afspraken waren gemaakt/instructies waren gegeven over de toiletgang) niet alleen in de sanitaire ruimte had mogen achterlaten zodat het door [verzoeker] subsidiair betrokken standpunt ook niet tot toewijzing van het verzoek kan lijden.

4.8.

Wil de rechtbank de door [verzoeker] onder I. verzochte verklaring voor recht uit kunnen spreken, dan is zowel voor de beoordeling van de primaire als de subsidiaire grondslag nadere bewijslevering onvermijdelijk.

4.9.

Uit de parlementaire geschiedenis van de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure volgt dat deze rechtsgang slechts beperkte ruimte biedt om feiten te onderzoeken; de rechter in een deelgeschil moet afwegen of de investering (hier: in het faciliteren van bewijslevering door partijen) wordt gerechtvaardigd door de verwachting dat een minnelijke regeling tot stand komt. Op grond van door beide partijen overlegde stukken kan de rechtbank op dit moment onvoldoende de feiten, die van belang zijn voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag, vaststellen. De nadere bewijslevering zal, gelet op het aantal punten dat tussen partijen in discussie is, naar het zich laat aanzien niet beperkt blijven tot het horen van een enkele getuige. Van een snelle beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag zal dan ook geen sprake kunnen zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzochte onder I., II. en III. zal daarom op grond van het bepaalde bij artikel 1019z Rv worden afgewezen.

Kostenbegroting

4.10.

[verzoeker] verzoekt voorts veroordeling van Martini Ziekenhuis in de kosten van de procedure. Dit zal worden afgewezen omdat in dit deelgeschil niet is vast komen te staan dat Martini Ziekenhuis aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt evenwel dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Dat van deze situatie sprake is, is gesteld noch gebleken. Dat het verzoek is afgewezen omdat het zich niet leent voor de behandeling in deelgeschil, betekent niet dat het indienen van het verzoekschrift en het maken van de daarmee gepaard gaande kosten in dit geval onredelijk was. Mede tegen de achtergrond van het nu in deelgeschil gevoerde partijdebat over de voor de aansprakelijkheid van belang zijnde feiten, kan het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift niet bij voorbaat als volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd.

4.11.

[verzoeker] heeft in zijn pleitaantekeningen en in de ongenummerde productie die op 9 maart 2017 in het geding is gebracht uiteengezet dat de tijdsbesteding die tot dat moment aan de kostenveroordeling ten grondslag heeft gelegen 22,6 uur beloopt. Daarbij dient de voorbereiding van de zitting (5 uur), het opstellen van de pleitnota (3 uur) en de duur van de zitting (de rechtbank heeft deze op 3,4 uur bepaald) te worden opgeteld. De totale tijdsbesteding beloopt derhalve 34 uur. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de complexiteit van de zaak, het gevorderde aantal uren de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank acht een besteding van 24 uren aanvaardbaar. Het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief vermeerderd met kantoorkosten en BTW heeft Martini Ziekenhuis niet betwist en komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op € 7.899,84 (24 uur x € 245,00 + 7% kantoortoeslag en 21% BTW, vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 287,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek van [verzoeker] af,

5.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 7.899,84.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.T. de Jonge, mr. S.B. van Baalen en mr. J. Wichers, bijgestaan door mr. R. Huisman, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2017.1

1 rh