Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5189

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
180496 / 17-3539
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Interne rechtspositie conform Wet Bopz in FPC. Beperking rechten artikel 40. Mededeling ex artikel 40a Wet Bopz. Onderscheid tussen formeel en materieel gegrond zijn van de klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Meervoudige kamer

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/180496 / FA RK 17-3539

Klachtprocedure ex artikel 41a en 41b Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz)

Uitspraak d.d. 13 december 2017

inzake

[verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. S van Mesdag kliniek te Groningen,

hierna ook te noemen verzoeker,

advocaat mr. B.F.M. Kievitsbosch, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. S van Mesdag kliniek te Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna ook te noemen verweerder.

1PROCESVERLOOP

1.1.

Verzoeker heeft op 17 november 2017 een verzoekschrift (met bijlagen) ex artikel 41a Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) ingediend bij de rechtbank, waarin hij een beslissing vraagt op twaalf klachten. Verzoeker vraagt tevens om hem een schadevergoeding toe te kennen.

1.2.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van verzoeker bijgestaan door mr. Kievitsbosch en verweerder vertegenwoordigd door de heer [naam] , geneesheer-directeur en de heer [naam] , behandelend psychiater.

1.3.

Op 28 november 2017 is ter griffie een faxbericht met een behandelplan Bopz inzake verzoeker, ontvangen.

1.4.

Op 29 november 2017 is ter griffie een schriftelijke reactie van mr. Kievitsbosch binnengekomen.

OVERWEGINGEN

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 10 oktober 2016 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 wet Bopz verleend met een geldigheidsduur tot 11 april 2017.

Aan deze beslissing is ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens. Hij lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet nader omschreven met daarbij parafilieën (exhibitionisme, masochisme) en ook sadistisch gedrag. Bovendien is er sprake van een stoornis in het autismespectrum. Ook doet deze stoornis betrokkene gevaar veroorzaken, te weten:

- het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen,

- het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat, en

- het gevaar dat betrokkene door hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.

2.2.

Bij beschikking van 13 april 2017 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet Bopz verleend, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 10 april 2018.

2.3.

Op 2 december 2016 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot toepassing van de beperking van de post, de bewegingsvrijheid en het telefoon- en internetverkeer ingaande 29 november 2016, uitgereikt. In de toelichting is vermeld dat verzoeker bekend is met het versturen van brieven binnen en buiten de kliniek die door anderen als kwetsend of dreigend worden ervaren, Ook is verzoeker bekend met automutilatie en veroorzaakt hij geluidsoverlast op de afdeling. Daarom wordt de bewegingsvrijheid beperkt door insluiting in zijn verblijf in de avond en nacht en heeft verzoeker geen toegang tot een mobiele telefoon of internet. De maatregel zal maandelijks worden geëvalueerd.

2.4.

Op 3 maart 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 39 Wet Bopz tot separatie voor de avond/nacht uitgereikt.

2.5.

Op 8 maart 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling tot nachtelijke separatie in het kader van dwangbehandeling ex artikel 38, hetgeen de rechtbank leest als artikel 38c, Wet Bopz uitgereikt.

2.6.

Op 22 april 2017 is aan verzoeker een mededeling ex artikel 40a Wet Bopz uitgereikt waarin het besluit tot toepassing van de beperking van de post, de bewegingsvrijheid en het telefoon- en internetverkeer ingaande 29 november 2016, is aangevuld. De volgende beperkingen van de bewegingsvrijheid worden vermeld: nachtelijke insluiting, beperking tot de afdeling, beperking tot de kliniek, beperking tot het Bopz-kliniek. Daarnaast is sprake van beperkingen in telefoon- en internetverkeer.

2.7.

Op 22 april 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 39 Wet Bopz tot separatie uitgereikt.

2.8.

Op 25 april 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot beperking van de bewegingsvrijheid uitgereikt.

2.9.

Op 28 april 2017 is aan verzoeker een mededeling ex artikel 39 wet Bopz tot afzondering uitgereikt.

2.10.

Op 1 mei 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot toepassing van beperking van de post, de bewegingsvrijheid en het telefoon- en internetverkeer ingaande 20 april 2017 uitgereikt.

2.11.

Op 7 mei 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot beperking van zijn onbegeleide bewegingsvrijheid (unit-beperking) voor onbepaalde duur, uitgereikt.

2.12.

Op 11 juli 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot beperking van de bewegingsvrijheid (afdelingsarrest) tot 17 juli 2017, uitgereikt.

2.13.

Op 4 augustus 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a wet Bopz tot beperking van de bewegingsvrijheid (unit-beperking) uitgereikt.

2.14.

Verzoeker heeft op 9 en 22 augustus 2017 bij de beklagcommissie van verweerder elf klaagschriften ingediend. Verzoeker heeft voorts op 4 september 2017 nog een klaagschrift ingediend. De klachtencommissie heeft bij beslissing van 22 september 2017 2 klachten van verzoeker (deels) gegrond en de overige klachten ongegrond verklaard.

3 Beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

3.1.

De klachtencommissie heeft op 25 september 2017 een beslissing gegeven, welke op 17 oktober 2017 aan verzoeker is verzonden. Het onderhavige verzoekschrift is op 17 november 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het verzoekschrift is tijdig zodat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, met inachtneming van het volgende.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de klachten:

  1. K/17.033, voor zover het ziet op het niet tijdig verstrekken van een artikel 40a-mededeling omtrent de separatie d.d. 11 augustus 2017, en

  2. K/17.028 voor zover het de uitwerking van toezeggingen over het postverkeer gedaan ter terechtzitting betreft,

niet-ontvankelijk zijn, omdat de klachtencommissie deze klachten gegrond heeft verklaard en verzoeker om die reden geen belang bij dit verzoek heeft.

3.3.

Verzoeker heeft bij het verzoekschrift een beslissing gevraagd over diverse klachten. Verzoeker klaagt over een aantal onderwerpen, te weten:

  1. beperking van de bewegingsvrijheid,

  2. insluiting in de eigen verblijfsruimte,

  3. beperking van het postverkeer,

  4. gebruik van telefoon, internet en computer,

  5. bezit van USB-sticks, cd-roms en scanner,

  6. onheuse bejegening.

Voor de leesbaarheid en overzichtelijkheid van deze beschikking zal de rechtbank de klachten aan de hand van deze onderwerpen behandelen.

3.4.

Beperking van de bewegingsvrijheid

Verzoeker heeft de beperking van zijn bewegingsvrijheid, door verzoeker unit-arrest en vleugelarrest genoemd, aangekaart in klachtnummers K/17.025, K/17.026, K/17.035 en K/17.037. Verzoeker legt aan de klachten ten grondslag dat er geen beschikkingen zijn afgegeven die een beperking van zijn bewegingsvrijheid rechtvaardigen. Verzoeker is voorts van mening dat zijn gedragingen geen oplegging van beperkingen rechtvaardigt. Ter zitting heeft de raadsman van verzoeker verduidelijkt dat verzoeker ook overdag wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat verzoeker gegeven zijn pathologie zeer veel zorg en begrenzing behoeft en dat getracht wordt om binnen het kader van de instelling zoveel mogelijk maatwerk te leveren. Andere instellingen zijn niet in staat of bereid de noodzakelijke zorg aan verzoeker te geven. Het geldende ziekenhuisregime brengt mee dat soms kortdurende insluitingen overdag noodzakelijk zijn, omdat bewoners niet zonder toezicht op de afdeling mogen verblijven. Als bij voorbeeld de etenskar moet worden opgehaald, worden de bewoners tijdelijk kortdurend op hun kamer ingesloten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Insluiting in de eigen kamer - overdag of tijdens de avond en nacht - vormt een vergaande beperking van de bewegingsvrijheid van verzoeker. Aan een dergelijke insluiting dient daarom altijd een individueel gemotiveerd besluit ten grondslag te liggen. Een dergelijk besluit kan worden gebaseerd op artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz.

Artikel 40, lid 3 van de Wet Bopz bepaalt, voor zover hier van belang, dat beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels kunnen worden opgelegd:

  1. indien naar het oordeel van de voor behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid ernstig nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

  2. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.

Op 2 december 2016 is aan verzoeker een mededeling beperkingen conform artikel 40a Wet Bopz uitgereikt, waarbij aan verzoeker beperkingen zijn opgelegd met betrekking tot de post, de nachtelijke bewegingsvrijheid, het telefoon- en het internetverkeer. Op 22 april 2017 is deze mededeling aangepast en is expliciet de mogelijkheid van beperking van de bewegingsvrijheid tot de afdeling, de kliniek en het Bopz-terrein vermeld.

Op 25 april 2017 is aan verzoeker wederom een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot beperking van de bewegingsvrijheid uitgereikt.

De rechtbank volgt verzoeker dan ook niet in zijn stelling dat er geen beschikking is afgegeven die de beperking van zijn bewegingsvrijheid rechtvaardigt.

Met betrekking tot de noodzaak tot het opleggen van de beperking oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de reacties van verweerder op de klaagschriften blijkt dat de redenen voor het opleggen van de beperkingen met name waren gelegen in het provocerende en overlast veroorzakende gedrag van verzoeker richting medebewoners en bezoek van medebewoners.

Voorts bestond er gelet op het feit dat verzoeker duidelijke tekenen van ontregeling vertoonde (verzoeker sloeg zichzelf tegen het hoofd) gegronde vrees voor verdergaande ontregeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de noodzaak aanwezig geacht om de beperkingen op te leggen om zowel de orde in de kliniek als de veiligheid van

verzoeker te bewaken. De klachten hierover zullen derhalve ongegrond verklaard worden.

3.5.

Insluiting in de eigen verblijfruimte

De klachten van verzoeker (K/17.025, K/17.030 en K/17.034) richten zich tegen het insluiten in zijn cel zonder dat daar een mededeling ex artikel 40a Wet Bopz aan ten grondslag ligt. Verzoeker kan zich ook niet vinden in de redenen die daarvoor worden gegeven.

Namens verweerder is aangevoerd dat verzoeker gelet op zijn psychiatrische ziektebeeld en gedrag niet overgeplaatst kan worden naar een andere instelling of afdeling binnen de kliniek. Verzoeker verblijft op dit moment op de meest gespecialiseerde afdeling, maar verweerder erkent dat er soms spanning bestaat tussen zijn mogelijkheden en de zorgbehoefte van verzoeker.

In principe wordt verzoeker alleen voor de nachtelijke uren onvrijwillig ingesloten. Soms doen zich echter op de afdeling situaties voor die maken dat verzoeker - evenals de andere bewoners van de afdeling - voor een kortdurende periode ook overdag wordt ingesloten.

Hier wordt volgens verweerder alleen toe overgegaan als dit voor de orde en veiligheid op de afdeling noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank dient onderscheid te worden gemaakt tussen insluiting gedurende langere en gedurende korte duur. Insluiting overdag voor langere duur kan niet worden gebaseerd op de mededeling van 2 december 2016, aangevuld op 22 april 2017. In deze mededeling(en) wordt slechts melding gemaakt van insluiting gedurende de nacht. Tevens valt uit de tekst van de mededeling ook niet op te maken welk gedrag van verzoeker een insluiting overdag zou rechtvaardigen. Nu aan het insluiten overdag voor langere duur geen mededeling ex artikel 40a Wet Bopz ten grondslag ligt, is aan de formele eisen voor het nemen van deze maatregel niet voldaan. De klachten dienen om die reden formeel gegrond te worden verklaard.

De rechtbank overweegt daarbij dat het complexe ziektebeeld van verzoeker het bijna onmogelijk maakt om specifiek te benoemen welk gedrag insluiting rechtvaardigt. Gelet op het soms onvoorspelbare gedrag dat verzoeker als gevolg van zijn ziektebeeld vertoont op de afdeling en de mogelijk te verwachten reacties van de medebewoners van de afdeling, is te rechtvaardigen dat verzoeker in verband met de orde en de veiligheid in de kliniek en de veiligheid van verzoeker, gedurende langere tijd wordt ingesloten ook overdag. In die zin rechtvaardigen de gedragingen van verzoeker wel de genomen maatregel. De klachten zijn derhalve materieel ongegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig voor het toekennen van een tegemoetkoming van € 100,00 voor de formeel gegrond verklaarde klachten.

Met betrekking tot de insluiting overdag voor korte duur in verband met risicovolle situaties op de afdeling, is de rechtbank van oordeel dat hiervoor geen mededeling ex artikel 40a Wet Bopz nodig is. Een dergelijke kortdurende maatregel past binnen het regime van de afdeling waarop verzoeker verblijft.

3.6.

Beperking van het postverkeer

Zoals onder overweging 3.2. weergegeven heeft de beklagcommissie de klacht met betrekking tot het postverkeer gegrond verklaard, zodat de klacht niet ontvankelijk is.

3.7.

Gebruik van internet en computer

Dit onderwerp komt aan de orde in klachtschriften K/17.025, K/17.026, K/17.027, K/17.028, K/17.029, K/17.030, K/17.031, K/17.034 en K.17.037. Verzoeker beklaagt zich over het feit dat hem geen onbegeleid en onbeperkt internet wordt toegestaan. Hij heeft daardoor gedurende een zekere tijd geen gebruik van het internet kunnen maken.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de beperking van het internetgebruik van verzoeker zijn grondslag in de mededelingen ex artikel 40a Wet Bopz die op 2 december 2016 en op 22 april 2017 aan verzoeker zijn uitgereikt. In deze mededelingen zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd met betrekking tot onder andere het telefoon- en het internetverkeer.

De rechtbank overweegt voorts dat in de beschikking van 18 april 2017 die door verzoeker als bijlage bij klachtschrift K/17.0.28 is overgelegd, reeds is geoordeeld dat - gelet op het uit de stoornis van verzoeker voortvloeiende gedrag van verzoeker - de beperking van het internetgebruik niet in strijd is met de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank handhaaft deze beoordeling. De rechtbank zal de klachten van verzoeker dan ook ongegrond verklaren.

3.8.

Bezit van USB-sticks, cd-roms en scanner

Verzoeker beklaagt zich over het feit dat hij slechts drie USB-stick met een maximale opslagcapaciteit van 32 GB, geen brandbare cd-roms en geen A4-scanner in zijn bezit mag hebben.

Verweerder heeft aangevoerd dat de kliniek vanwege de orde en veiligheid er bewust voor heeft gekozen om het bezit van computerapparatuur te beperken en deze beperking in de huisregels vast te leggen. Voorwaarde voor het bezit van deze apparatuur is dat de patiënten instemmen met controle hiervan. Op het moment dat het bezit niet tot een maximum beperkt wordt, is, zo voert verweerder aan, deze controle qua tijdsinvestering onmogelijk. Verweerder voert voorts aan dat het vanuit het oogpunt van veiligheid niet wenselijk is dat verzoeker over een veelvoud aan gegevensdragers beschikt.

De rechtbank acht het, gelet op de noodzakelijk controle op de inhoud van gegevensdragers, alleszins redelijk dat verweerder het toestaan van gegevensdragers beperkt op de aangegeven wijze. De rechtbank deelt het oordeel van de beklagcommissie dat verweerder gezien de problematiek van verzoeker, welke zich kenmerkt door het opzettelijk en gebruikmakend van gegevensdragers doelbewust shockeren van zijn omgeving, terecht geen aanleiding heeft gezien om van de in de huisregels vastgelegde hoeveelheid af te wijken. Verweerder heeft in redelijkheid tot deze beslissing kunnen komen en de rechtbank zal de klacht van verzoeker dan ook ongegrond verklaren.

3.9.

Onheuse bejegening

Verzoeker beklaagt zich in verschillende klaagschriften over de bejegening door medebewoners en medewerkers van de kliniek. Zo stelt verzoeker onder andere dat hij niet in kennis wordt gesteld van de komst van vrouwelijk bezoek, dat hij wordt getutoyeerd en dat hij niet mag frituren voor insluitingstijd. Verzoeker beklaagt zich voorts over de wijze waarop hij op 14 augustus 2017 is gesepareerd en dat hij daarbij niet professioneel is behandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de door verzoeker gestelde wijze van bejegening weliswaar door hem op basis van zijn stoornis als onzorgvuldig en onheus worden ervaren, maar kunnen deze objectief gezien op basis van de processtukken niet als zodanig worden gekwalificeerd.

De wijze waarop verzoeker is bejegend tijdens de separatie en dan met name de omstandigheid dat hij werd gefouilleerd en van zijn broek werd ontdaan, wijkt niet af van de standaard-procedure tijdens het separeren en maakt dus niet dat sprake is van een onheuse bejegening. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken die doen vermoeden dat men het licht in de separeerruimte opzettelijk op volle sterkte heeft aangelaten.

De rechtbank deelt het oordeel van de beklagcommissie dat de regels ten aanzien van het verstrekken van wastabletten en tijden waarop gefrituurd mag worden, alleszins redelijk zijn.

Op grond van voorgaande overwegingen worden de klachten met betrekking tot de bejegening ongegrond verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de klacht:

  • -

    K/17.033, voor zover het ziet op het niet tijdig verstrekken van een artikel 40a-mededeling omtrent de separatie d.d. 11 augustus 2017, en

  • -

    K/17.028 voor zover het de uitwerking van toezeggingen over het postverkeer gedaan ter terechtzitting betreft,

niet ontvankelijk;

verklaart de klacht met betrekking tot de insluiting in de eigen verblijfsruimte overdag formeel gegrond en bepaalt dat verweerder een bedrag van € 100,-- ter zake van schadevergoeding aan verzoeker moet betalen;

verklaart de overige klachten ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs R.B.M. Keurentjes (voorzitter), R. Bootsma en M.A.B. Faber-Siermann en uitgesproken ter openbare zitting van 13 december 2017 in aanwezigheid van mr. M.M. Verbeek, griffier.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.