Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5178

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
LEE 16/471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek. De Rechtbank oordeelt dat het bestuursorgaan wel heeft beslist op het Wob-verzoek. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/471

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.J. Hullegie),

en

de stichting Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-Stichting, verweerder

(gemachtigde: mr. G.C. Boellaard-Hovius).

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door H.J.E. Krol, Z.W. Winkel en A. Fickweiler. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 januari 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door Z.W. Winkel en A. Fickweiler.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

2. Het bestuursorgaan beslist op een aanvraag op grond van de Wob binnen vier weken (artikel 6, eerste lid, van de Wob).

3.1.

Op 23 januari 2015 hebben eisers bij verweerder een Wob-verzoek ingediend. Eisers hebben hierin gevraagd om verweerders jaarverslagen en jaarrekeningen, inclusief alle bijlages, van 2009, 2010, 2011 2012 en 2013. Tevens hebben eisers verzocht om alle stukken met betrekking tot hun zoon.

3.2.

Op 21 februari 2015 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.

3.3.

Bij brief van 6 maart 2015 heeft verweerder eisers voor de inzage van de jaarverslagen en jaarrekeningen verwezen naar verweerders website.

3.4.

Bij brief van 13 maart 2015 stellen eisers bij verweerder aan de orde dat gedeeltelijk aan het verzoek is voldaan, maar dat het jaarverslag 2010 en de jaarrekening 2011 niet middels de website zijn in te zien.

3.5.

Bij brief van 23 maart 2015 deelt verweerder eisers onder meer mee dat de fout met de inzage van het jaarverslag 2010 en de jaarrekening 2011 inmiddels gecorrigeerd is. Voorts merkt verweerder op dat het dossier van de zoon van eisers op 20 september 2013 aan eisers is overhandigd, dat op 9 januari 2014 twee brieven nogmaals per e-mail aan eisers zijn toegestuurd en dat bij verweerder niets is achtergebleven.

3.6.

Op 16 december 2015 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld. Op 19 januari 2016 hebben eisers beroep ingesteld.

4.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder met de brief van 6 maart 2015, dat wil zeggen binnen twee weken ná de ingebrekestelling, heeft beslist op het verzoek van eisers. De rechtbank merkt deze brief aan als een primair besluit.

4.2.

Eisers hebben verweerder vervolgens op 13 maart 2015 gewezen op onvolkomenheden in het besluit van 6 maart 2015. Verweerder heeft deze gebreken hersteld middels de brief van 23 maart 2015. De rechtbank merkt deze brief aan als een hersteld primair besluit. Tegen dit besluit hebben eisers geen bezwaar gemaakt.

4.3.

Het voorgaande betekent dat eisers verweerder ten onrechte op 16 december 2015 in gebreke hebben gesteld. Verweerder had immers wel degelijk beslist op het Wob-verzoek van 23 januari 2015. Niet doet zich de situatie voor van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb dat niet tijdig een besluit is genomen, zodat niet op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb beroep kan worden ingesteld.

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzitter, mr. L. Mulder en

mr. K.J. de Graaf, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

de griffier de voorzitter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.