Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5139

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
C/18/179833 / JE RK 17-740
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlening OTS voor bepaalde tijd en aanhouding voor het overige om GI de gelegenheid te geven een MUHP te verzoeken. Minderjarige verbleef eerst af en toe in meeleefgezin doch is inmiddels feitelijk volledig uit huis geplaatst zonder dat daar een machtiging aan ten grondslag lag. Op grond van artikel 1:265a BW is er de verplichting dat tijdens een OTS een machtiging nodig is indien een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin verblijft. Een screeningsonderzoek van het pleeggezin was reeds gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/179833 / JE RK 17-740

datum uitspraak: 30 november 2017

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Amsterdam-Zuidoost.

betreffende

[naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

[naam], hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] (Duitsland).

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 oktober 2017, ingekomen bij de griffie op 25 oktober 2017.

Op 22 november 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam], die apart is gehoord,
- de moeder, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas,

- namens de GI mevrouw [naam].
- als toehoorder mevrouw [naam], de persoonlijke begeleider van de moeder vanuit Bizimzorg.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

Ter zitting is gebruik gemaakt van de diensten van de heer [naam], tolk in de taal Turks, die ter zitting is beëdigd.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige] verblijft bij de familie [naam].

Bij beschikking van 6 december 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 december 2017.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen van [minderjarige] voor de duur van één jaar, te weten tot 6 december 2018. De GI heeft het volgende aangevoerd. De moeder is een verstandelijk beperkte Turkse vrouw, die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, die slechtziend en - horend is en een zeer beperkt netwerk heeft. De opvoedingssituatie van de moeder komt onvoldoende tegemoet aan wat [minderjarige] nodig heeft zowel op praktisch als op pedagogisch gebied. Voorts beschikt de moeder over onvoldoende opvoedingsvaardigheden om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Om de moeder te ontlasten verbleef [minderjarige] sinds mei 2016 drie dagen per week in het meeleefgezin van de familie [naam]. Tot voor kort werd [minderjarige] belast met het feit dat haar ouders niet achter een (gedeeltelijke) plaatsing bij het meeleefgezin stonden.
De familie [naam] heeft in de zomer van 2017 te kennen gegeven graag de volledige zorg- en opvoeding van [minderjarige] op zich te willen nemen. [minderjarige] verblijft nu met instemming van de moeder grotendeels bij de familie [naam]. Er loopt momenteel een screening onderzoek naar de familie [naam]. Dat onderzoek duurt zeker drie maanden. De gezinsvoogd heeft ter zitting aangevoerd dat, indien de screening is afgerond, zij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verzoeken.

De vader woont met zijn partner in Duitsland. Momenteel is de vader volledig uit beeld en heeft hij laten weten dat hij op geen enkele manier meer betrokken wil zijn bij [minderjarige].

Het standpunt van belanghebbende

Door en namens de moeder is als volgt aangevoerd. Volgens de moeder zijn er geen problemen. Het gaat goed met [minderjarige]. De moeder heeft ingestemd met het verblijf van [minderjarige] bij de familie [naam], desondanks wil de moeder graag dat [minderjarige] (op termijn) weer thuis komt wonen. Zij kan op dit moment instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, met dien verstande dat de moeder graag zou willen dat de komende periode wordt benut om afspraken te maken betreffende het perspectief van [minderjarige] en of voorzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

Standpunt minderjarige

[minderjarige] heeft te kennen gegeven dat het super goed met haar gaat. [minderjarige] vindt het fijn en vertrouwd om bij de familie [naam] te verblijven. Er wordt goed voor haar gezorgd. Voor [minderjarige] voelt het alsof zij familie erbij heeft gekregen. Op school vordert [minderjarige] in haar niveaus. Daarbij sport zij regelmatig. [minderjarige] ziet haar moeder ongeveer drie á vier keer per week maar slaapt niet meer zo vaak bij haar moeder. [minderjarige] heeft momenteel geen contact met haar vader en dat vindt zij soms wel een beetje verdrietig.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is voldoende aannemelijk is geworden dat de gronden die destijds tot de ondertoezichtstelling hebben geleid ook nu nog aanwezig zijn en dat het nodig is de duur van de maatregel te verlengen.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De kinderrechter heeft bij de beoordeling meegewogen dat iedereen kan instemmen met het verzoek.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
- de beperkte opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de moeder;
- de vader is volledig buiten beeld.

Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] feitelijk in het meeleefgezin van de familie [naam] verblijft zonder een daartoe geldige machtiging. Ter zitting heeft de gezinsvoogd te kennen gegeven dat, indien het screeningsonderzoek naar het meeleefgezin is afgerond, zij een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing zal indienen.

Gelet op vorenstaande ziet de kinderrechter aanleiding om, gezien artikel 1:265a Burgerlijk Wetboek waarin de verplichting is opgenomen dat een plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend geschied met een machtiging uithuisplaatsing, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling slechts toe te wijzen voor een kortere duur, te weten tot 1 maart 2018 en het verzoek voor het overige aan te houden in afwachting van het verzoek tot uithuisplaatsing.

Omdat iedereen instemt met het verblijf van [minderjarige] bij het meeleefgezin, gaat de kinderrechter ervan uit dat in de komende periode in die situatie geen verandering zal komen zodat haar plaats aldaar niet in gevaar komt.

De kinderrechter heeft bij het bepalen van de aanhoudingsduur meegewogen dat het screeningsonderzoek zeker drie maanden in beslag zal nemen. De kinderrechter maant de GI tot spoed om de screening af te ronden en een verzoek tot uithuisplaatsing in te dienen; een aanhouding zal niet worden verleend.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 maart 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt het verzoek, in afwachting van het verzoek tot uithuisplaatsing, voor het overige aan tot de zitting met gesloten deuren van woensdag 14 februari 2018 om 10:00 uur in één van de zalen van het Gerechtsgebouw aan het Guyotplein 1 te Groningen.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.W. Tijms als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden