Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5137

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
C/19/120734 / KG RK 17/240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking, verzoek 13 dagen na zitting ingediend.

niet tijdig, verzoek niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer

Zittingsplaats Assen

zaaknummer / rekestnummer: C/19/120734 / KG RK 17/240

Beslissing van 28 november 2017

op het verzoek van

[naam]

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

Bij op 25 oktober 2017 ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief, gedateerd

23 oktober 2017, heeft verzoeker het verzoek tot wraking ingediend van mr. J.S. Bartstra, die de procedures met zaaknummers C/19/101089 / FA RK 13-2529 en C/19/119799 / FA RK 17-1513 behandelde als rechter.
2. Beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Dit laatstbedoelde artikellid borgt dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt.

2.2.

In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling, tot het moment dat de beslissing is gegeven. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden pas blijken na afloop van de behandeling.

2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de behandeling plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Uit het verzoekschrift is gebleken dat de gestelde feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gebaseerd zich voorafgaand aan en tijdens de zojuist genoemde zitting hebben voorgedaan. Het wrakingsverzoek is echter niet ter zitting ingediend, maar is gedateerd op 23 oktober 2017 en ontvangen ter griffie op 25 oktober 2017. Namens de wrakingskamer is door de griffier per brief van

10 november 2017 geïnformeerd naar de reden van het niet terstond indienen van het wrakingsverzoek. Bij brief van 17 november 2017, ontvangen ter griffie op 20 november 2017, heeft verzoeker deze termijnverstrijking toegelicht. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij twijfelde of hij het wrakingsverzoek wel zou indienen, omdat hij bang was dat het de onderliggende zaak zou kunnen schaden. Verzoeker wilde zorgvuldig en niet overhaast te werk gaan en heeft uiteindelijk toch besloten het wrakingsverzoek in te dienen.

2.4.

Verzoeker heeft daarmee geen nadere feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na afloop van de behandeling van de zaak aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft daarmee evenmin verschoonbare redenen aangevoerd waarom pas 11 dagen na de zitting door hem een wrakingsverzoek is verstuurd. Het verzoek is dan ook niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn gesteld noch gebleken.

2.5.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking zal worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.

2.6.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

3
3. De beslissing

De rechtbank

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.


Deze beslissing is gegeven door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en mr. S.B. van Baalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.