Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5133

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
C/19/120553 / KG RK 17/222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

wraking wegens geen inzage in procesdossier en het ontbreken van stukken in het procesdossier.

Rechtbank is van mening dat is komen vast te staan dat de rechter geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij beide gronden.

Verzoek is niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige kamer

Locatie Assen

zaaknummer / rekestnummer: C/19/120553 / KG RK 17/222

Beschikking van 13 oktober 2017

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekster,

gemachtigde dhr. H. Zijlstra

1 De procedure

1.1.

Gemachtigde van verzoekster, dhr. Zijlstra, heeft bij faxbericht, ontvangen ter griffie op 3 oktober 2017, een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. T.M.L. Veen, die als behandeld rechter zal optreden in de procedures met registratienummers 19/120083/ JE RK 17/355, 19/120107/ JE RK 17/360 en 19/120359 /JE RK 17/397. Deze zaken staan gepland voor behandeling op de zitting van 17 oktober 2017.

Op 3 oktober 2017 heeft dhr. Zijlstra tevens een klacht ingediend inzake het niet verschaffen van inzicht in het procesdossier. Deze klacht door de klachtenfunctionaris in behandeling is genomen.

Bij brief van 12 oktober 2017 heeft mr. Veen verklaard niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.2.

Hierop is een wrakingskamer geformeerd.

2 Het standpunt van verzoekster

2.1.

Zijlstra stelt dat mr. Veen die de zaken van verzoekster behandelt op de zitting van 17 oktober 2017 wordt gewraakt wegens partijdigheid, nu zij de procesvertegenwoordiger heeft geweigerd om op de rechtbank inzage te verschaffen in het procesdossier. Daarnaast is aangegeven dat de rechtbank verzoekster heeft meegedeeld niet te beschikken over een aantal stukken die volgens de reglementen aanwezig zouden moeten zijn. Zijlstra stelt dat de behandeld rechter hiermee in strijd handelt met de procesorde omdat de vigerende procesreglementen worden overschreden. Gelet hierop had het door LJ&R ingediende verzoek niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Zijlstra stelt verder dat het beginsel van een eerlijk proces wordt geschaad en de verantwoordelijke rechter de schijn tegen heeft.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft aangeven niet te berusten in de wraking.

Zij heeft opgemerkt dat haar bij terugkomst van haar vakantie bekend is geworden dat er op 3 oktober 2017 een wrakingsverzoek is ingediend.

In dat verband merkt zij op dat het haar niet duidelijk is of Zijlstra haar wenst te wraken in alle zaken (3) die op de zitting van 17 oktober 2017 zullen worden behandeld, nu Zijlstra in het wrakingsverzoek geen zaaknummer heeft genoemd, maar alleen de naam van zijn cliënte en een zittingsdatum.

De rechter heeft voorts aangegeven dat zij op 3 oktober 2017 in het buitenland verbleef, dat zij in de betreffende zaken nog geen enkele beslissing en dat zij nog geen enkele interactie met Zijlstra of verzoekster heeft gehad. Gelet hierop meent de rechter dat zij op geen enkele manier aanleiding heeft gegeven om aan haar partijdigheid te twijfelen.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de beoordeling van wrakingsverzoeken is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.

4.2.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv jo artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

4.3.

De wrakingskamer overweegt dat uit het wrakingsverzoek niet aanstonds duidelijk wordt op welk procesdossier dan wel procesdossiers het verzoek ziet, nu geen nummer(s) zijn vermeld, terwijl op de zitting van 17 oktober 2017 een drietal zaken zal worden behandeld. De wrakingskamer neemt aan dat dat het wrakingsverzoek zich richt op het dossier 19/20083/JE RK 17 355. Voor zover het verzoek tevens betrekking heeft op de andere dossiers die ook worden behandeld op de zitting van 17 oktober 2017 geldt overigens ook het navolgende. Als grond voor de wraking van mr. Veen is aangevoerd dat zij de zaak zal behandelen, terwijl zij de procesvertegenwoordiger heeft geweigerd om op de rechtbank inzage te verschaffen in het procesdossier. De wrakingskamer overweegt dat vast is komen te staan dat mr. Veen geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de gedragingen/feiten die als grond voor het wrakingsverzoek zijn aangevoerd, nu de weigering om inzage te verschaffen in het dossier plaats vond op het moment dat zij in het buitenland verbleef. Het feit dat mr. Veen als behandelend rechter op de rol staat voor de behandeling van het dossier op 17 oktober 2017 maakt dat niet anders. Voor zover zijdens verzoekster tevens is aangevoerd dat de rechtbank niet over een aantal stukken zou beschikken die volgens de reglementen aanwezig zouden moeten zijn, is de wrakingskamer van oordeel dat dit deel van het verzoek evenmin ziet op de met de behandeling van de zaak belaste rechter.

De wrakingskamer is daarmee van oordeel dat geen van de aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde gronden is te herleiden tot enige gedraging van mr. Van Veen, dan wel een aan haar toe te rekenen gedraging. Verzoekster heeft daartoe niets, dan wel onvoldoende gesteld.

4.4.

De wrakingskamer overweegt verder dat, nu moet worden vastgesteld dat het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter als bedoeld in Hoofdstuk 9.1 aanhef en sub d van het Wrakingsprotocol Rechtbank Noord Nederland, een behandeling ter zitting wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid achterwege kan blijven.

4.5.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar wrakingsverzoek.

4.6.

Overigens heeft de wrakingskamer begrepen dat dhr. Zijlstra naar aanleiding van de door hem ingediende klacht alsnog de gelegenheid is gegeven het dossier in te zien.

5 De beslissing

De rechtbank:

1. verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking van

mr. T.M.L. Veen;

2. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en

mr. T.M.L. Veen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Bartstra, voorzitter, mr. J. de Vroome en E.W. van Weringh, in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017 en door de voorzitter en de griffier ondertekend.